Museum: De nalatenschap van een lastige vrouw
Cultuur
Door: Maarten van RossemMT nr. 2/2011
‘De mens is toch per slot wat hij achterlaat.’ Deze uitspraak is van Helene Kröller-Müller (1869-1939), die een heel museum naliet. Helene Müller was de dochter van een Duitse groothandelaar in industriële grondstoffen, die ook een groot kantoor in Rotterdam had. Daar werkte Anton Kröller, die in 1889 met de dochter van zijn baas trouwde. De firma Müller ging het in de volgende decennia bijzonder voor de wind, waardoor Anton Kröller en zijn vrouw een fortuin vergaarden.
In 1906 raakte Helene Kröller, daartoe gestimuleerd door kunstcriticus H.P. Bremmer, in kunst geïnteresseerd. Het ging haar daarbij vooral om de verdieping van haar spiritualiteit. In de jaren daarna bouwde zij een zeer omvangrijke kunstcollectie op, die ten slotte bestond uit zo’n 11.500 objecten. Het idee lag voor de hand daarvoor een eigen museum te bouwen in het omvangrijke natuurgebied dat Anton Kröller op de Veluwe had gekocht ten behoeve van de jacht.
De Belgische architect Henry van de Velde kreeg de eervolle opdracht. Hij ontwierp een monsterachtig gebouw, dat enigszins deed denken aan het paleis van een geestelijk gestoorde Assyrische despoot. De fundamenten van dat monster zijn nog aangelegd, maar intussen raakte de firma Müller in financiële problemen, waardoor de bouw moest worden stilgelegd. Begin jaren dertig zag het er zakelijk zo droevig uit dat het hele museumproject en de collectie teloor dreigden te gaan.
Helene Kröller besloot daarop haar collectie aan de Nederlandse overheid te schenken, mits die bereid was een museum te laten bouwen. Dat werd een bescheiden gebouw, bedoeld als voorlopig, dat vanzelf definitief is geworden. In 1977 is daar een moderne vleugel aangebouwd. De huidige entree loopt via die elegant in het bos gelegen nieuwe vleugel.
IdeetjeskunstDoordat de nieuwbouw aan de achterkant van het oude gebouw is geplakt en de volgorde van de schilderijen in dat oude gebouw kennelijk nooit is veranderd, is de enigszins zonderlinge situatie ontstaan dat de bezoeker van de nieuwste kunst langzaam richting de oude kunst wandelt.
In een van de zijzaaltjes worden kinderen opgeroepen uit de reuzencollectie van Helene Kröller een eigen collectie samen te stellen. Dat vond ik wel een aantrekkelijk idee, dat mij de gelegenheid gaf mijn eigen arbitraire keuze te maken, voorzien van onrechtvaardig commentaar.
Aan het begin van zijn rondgang wordt de bezoeker verrast door een recente aanschaf: een grote collectie glanzende grafzerken, alle voorzien van insectennamen als ‘Cicade 1887-1968’. Men kan zich geen betere illustratie wensen van de infantiele ideetjeskunst die voor modern of wellicht postmodern doorgaat.
Een flauw knutselwerkje van Kurt Schwitters, dat nog door Helene Kröller is gekocht, sluit daar aardig bij aan. Schwitters heeft het kennelijk in een melige bui in elkaar geplakt en is vergeten het weg te gooien. Het is geen sterke start, maar dat wordt gecompenseerd door een projector van Kiefer en een uiltje van Picasso. Inderdaad ook knutselwerk, maar toevallig van geniale kunstenaars. Charley Toorops portret van een patiënte uit een krankzinnigeninrichting is mooi, en veel sterker dan haar pretentieuze clown in de ruïnes van Rotterdam.
Helene Kröller was dol op het kubisme, dat zij kennelijk zag als een vorm van spirituele verdieping van de schilderkunst. Het kubisme desintegreerde de werkelijkheid teneinde de driedimensionaliteit van de werkelijkheid tweedimensionaal te tonen. In ieder geval was het revolutionair en totaal nieuw, en de schilderkunst was bezig in de greep te raken van het waanidee dat zij óf avant-gardistisch moest zijn, óf niet moest zijn. Wat mij betreft had het kubisme, dat tenslotte net als die avant-gardismen een doodlopende weg bleek te zijn, overgeslagen kunnen worden.
Een stukje bij de kubistische werken vandaan hangt de ruime collectie pointillisten waarover het museum beschikt. Ook het pointillisme was zo’n avant-gardistisch waanidee, dat een zeer korte halfwaardetijd bleek te hebben, maar het heeft aardiger schilderijen opgeleverd dan het kubisme. Seurat, Signac, Van Rijsselberghe – ik zie ze graag, al verbaas ik me altijd weer over de eigenaardige verstarring die al die kleurpuntjes veroorzaken.
Van Goghs prutswerk
Helene Kröllers grote favoriet was Vincent van Gogh, die zij beschouwde als een ‘groote geest’, boven alle andere kunstenaars verheven. Ze heeft tientallen schilderijen van hem gekocht, en die zijn hier instructief opgehangen. De eerste zaal wordt gedomineerd door heel vroeg werk, dat grotendeels als prutswerk kan worden beschouwd. Dat het toch is opgehangen is een groot goed, omdat we zo kunnen zien wat een fantastische vorderingen Van Gogh maakte. In enkele jaren tijd werd hij een groot schilder.
In een tweede zaal met Van Goghs hangen diverse meesterwerken: Caféterrras bij nacht, De brug bij Arles en Het ommuurde korenveld. Weliswaar vindt iederéén dat tegenwoordig meesterwerken en hebben die schilderijen koektrommels en meisjeskamergordijnen gesierd, maar wat doet dat ertoe? Ze zijn prachtig en trekken zich zelfs niets aan van de afschuwelijke, deprimerende, uniforme lijsten waarin ze zijn opgehangen.
Ruimtegebrek noopt mij verder alleen nog maar die schilderijen te vermelden die ik dolgraag zelf zou willen hebben. Daar is allereerst Paul Gabriëls Il vient de loin, een trein in een Hollands landschap. Het was Helene Kröllers eerste aankoop – een voltreffer. Dan de kleine Sneeuwstudie van Floris Verster – daarvoor ruil ik graag al die kubisten in dit museum in. Verder hangen er twee kleine, stille maar desalniettemin magnifieke schilderijen met dezelfde titel, namelijk Huizen in aanbouw, van Jan Weissenbruch en van Bastiaan Tholen.
Mijn grootste favoriet in dit museum is al decennia Gezicht op Soissons van Camille Corot. Dat verbeeldt een wereld waarin geluk nog heel gewoon was.
Na werk van Henri Fantin-Latour, Jan Jongkind en Hendrick Avercamp eindigt de collectie weer zeer modern met takkenbossen met neonverlichting van Jan Dibbets. Tsja… als je van een lichte irritatie bent bekomen, staat er gelukkig voor het raam een fantastische kameel uit de Tang-periode (China rond 700).
Ga maar kijken, het is een prachtige collectie. Denk dan even aan Helene Kröller: een lastige, bazige vrouw, die iets heeft achtergelaten.
Museum Kröller-Müller
Houtkampweg 6, Otterlo
Open: di-zo 10-17 uur
Info: 0318-59 12 41 of
www.kmm.nlU heeft geen toegang tot dit artikel, omdat u niet bent ingelogd. Log eerst in en probeer het dan opnieuw. Heeft u nog geen inlogcode? Ga dan naar
registreren. Let op! Artikelen uit het actuele nummer zijn ook voor ingelogde gebruikers nog niet te raadplegen. Wil je het complete, rijk geïllustreerde artikel lezen, dan kun je dit hier
nabestellen.