Maarten van Rossem en Geert Mak op stap in Brussel

Maarten van Rossem en Geert Mak op stap in Brussel

DOOR LAURENS BLUEKENS | FOTO'S SANDER HEEZEN

donderdag 19 april 2018
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Brussel telt sinds 2017 een Huis van de Europese Geschiedenis. Maarten van Rossem en schrijver Geert Mak bekeken er de hoogte- en dieptepunten van 2000 jaar gezamenlijk verleden. De expositie zit goed in elkaar, vinden ze. Op één ding na: ‘Het is voor de bejaarde medemens hopeloos om informatie op een tablet op te zoeken.’

Uit Maarten! 2017-4

Het bleek het startschot voor een eindeloze storm van kritiek en discussie: in 2007 kondigde de toenmalige voorzitter van het Europarlement Hans Gert Pöttering aan dat er een museum kwam over de Europese geschiedenis. Want wat is Europa eigenlijk? Hoe breng je de geschiedenis van zo’n moeilijk te omschrijven fenomeen in beeld, zeker in deze tijden van euroscepsis? Wat laat je wel zien, wat niet? En: hoe krijg je alle betrokken landen hierover op één lijn? Britse tabloids doopten het project het ‘House of Horrors’ en het ‘House of the Smallest Common Denominator’. Verschillende Europarlementariërs en academici vreesden dat het museum een propaganda-instrument zou worden om de macht van de EU te legitimeren.

Kritiek was er ook op de prijs van het project: zo’n 55 miljoen euro, plus jaarlijks zo’n 12 miljoen euro voor operationele kosten – de toegang tot het museum is gratis. En even leek het er zelfs op dat de tentoonstelling pas bij 1946 zou beginnen, omdat de betrokken landen het niet eens konden worden over een gezamenlijke visie op de Tweede Wereldoorlog. Maar na tien jaar is het dan toch gelukt: de opening van een museum waarin de Europese geschiedenis centraal staat, van begin tot eind.

Op weg naar Brussel bespreken Maarten van Rossem en Geert Mak hun verwachtingen. Is het eigenlijk wel een goed idee dat politici zich bezighouden met de opzet van een museum? Geert: ‘Ik sta er nooit bij te juichen als politici van bovenaf in de geschiedenis roeren, maar ik stap met een welwillende blik het museum in. Soms moet je iets een duw geven. Kijk bijvoorbeeld naar het Rijksmuseum: de voorloper ervan is in 1798 gesticht naar Frans voorbeeld. Maar het bestaat ook uit initiatieven van onderaf, omdat het een samensmelting van bestaande collecties en musea is. Het Huis van de Europese Geschiedenis is helemaal geconstrueerd; dat moet voor de makers een enorme opgave zijn geweest.’

Maarten: ‘Als politici een museum opzetten moeten ze uitkijken dat ze geen identiteitspolitiek bedrijven. Tegelijkertijd heb ik altijd gezegd dat er geen uitgesproken Europese identiteit is, maar dat de Europese geschiedenis wel sterke gemeenschappelijke kenmerken heeft. Loop in een willekeurige West-Europese stad het schilderijenmuseum binnen en je zult overal Vermeer, Rembrandt en de bekende Italianen aantreffen. Daarin zie je de gemeenschappelijkheid. De onkunde over Europa is zo groot dat je daar best iets tegenover mag stellen in de vorm van dit museum.’

Een paar opschriften in het Engels zouden al enorm helpen, maar dan staan de Fransen op hun achterste benen

Het museum heeft tot doel het gedeelde Europese erfgoed te tonen, een Europese identiteit aan te wakkeren en de Europese eenheid te cultiveren. Maarten zou die opzet willen herformuleren: ‘Het is van belang dat er op z’n minst één plek is waar je kunt zien hoe Europa en de Europese Unie zijn ontstaan, hoe de EU in elkaar zit en wat de mogelijkheden en tekortkomingen zijn.’

Geert: ‘De Europese identiteit vind ik een glibberig begrip. Het museum kan zich beter richten op het verder ontwikkelen van Europees burgerschap. Op die manier kunnen we leren omgaan met de diepe culturele verschillen binnen het continent. Ik hoop wel dat het museum wat leuker is dan het Haus der Geschichte in Bonn, een museum over de Duitse geschiedenis na 1945, waar alles een beetje braaf is. Net als het ontwerp van de eurobiljetten: zo braaf dat je nooit echt geprikkeld wordt.’

Maarten: ‘Wat dat betreft moet gezegd worden dat de Nederlandse bankbiljetten van superieure kwaliteit waren.’ Geert: ‘Ach jongen, ik heb weinig nationalistische gevoelens, maar de zonnebloem – het biljet van 50 gulden – heb ik bewaard. Stralend geel, echt een kunstwerkje.’

Eenmaal aangekomen in de Belgische hoofdstad wisselen fraaie art-nouveau-villa’s, rommelige wegwerkzaamheden, aftandse buurten en EUkolossen elkaar af. Geert: ‘Brussel is een gewond dier. Bijna een eeuw lang is vrijwel onophoudelijk en vaak heel gewelddadig gerommeld in het arme middeleeuwse stadslichaam, ook door de enorme Europese instituties.’

Als er één volk van patriottische poetsers is, dan zijn het de Polen

De omgeving van het Huis van de Europese Geschiedenis ademt in elk geval nog de oude grandeur. Het museum is gelegen in het weelderige Leopoldpark, met metershoge monumentale bomen en een grote vijver, naast het voormalige Instituut van Fysiologie, waar onder meer Albert Einstein, Marie Curie en Max Planck in 1927 samenkwamen voor een congres.

Het museum zelf is gehuisvest in het Eastmangebouw, een voormalige tandheelkundige kliniek voor kansarme kinderen, gefinancierd door de Amerikaanse zakenman George Eastman.

Dat het project te maken heeft met felle kritiek en wel een steuntje in de rug kan gebruiken, blijkt uit de ontvangst. Tijdens een groot deel van het bezoek zwermen verschillende communicatiemedewerkers van het Europees Parlement om Maarten en Geert heen. Ook academisch projectleider Taja Vovk van Gaal is aanwezig. Zij is het niet eens met de kritiek dat het museum propaganda voor de Europese Unie zou zijn: ‘Het museum is misschien geïnitieerd door EU-politici, maar het is niet door politici gemaakt. De tentoonstelling richt zich op Europa als geheel en niet in het bijzonder op de EU.’

Op dit moment heeft vooral de Poolse regering kritiek op het museum: die vindt het te weinig christelijk, te veel vanuit Duits perspectief opgezet, te weinig kritisch op het marxisme en met te weinig oog voor het Poolse slachtofferschap binnen de Europese geschiedenis.

Geert: ‘Het is altijd gedonder met Polen. Voor mijn boek In Europa moest er voor de Poolse versie een apart nawoord komen, omdat het origineel niet paste in het Poolse zelfbeeld. Als er één volk van patriottische poetsers is, dan zijn het de Polen.’

De permanente tentoonstelling telt vijf verdiepingen, van de vorming van Europa op de onderste etage tot en met loftuitingen en kritiek op het huidige Europa op de hoogste. In het trappenhuis hangt een reusachtige metalen wokkel die de verschillende onderdelen van de tentoonstelling met elkaar verbindt. Hij is opgebouwd uit citaten van allerlei prominenten, onder wie Cees Nooteboom (‘Europa ist vor allem ein geistiger Raum’ – ‘Europa is vooral eengeestelijke ruimte’) en Robert Schuman (‘L’Europe ne se fera pas d’un coup’ - ‘Europa kun je niet in één keer maken’). De dure materialen en fraaie afwerking vallen Maarten op. ‘Voor 55 miljoen kun je wel iets lolligs doen. Vertel het niet aan de Europa-haters. “Zonde van het geld! En dat van ónze centen!” is een klassieke Nederlandse uitspraak.’

Aan het begin van de tentoonstelling staat een grote ronde tafel met daarin een video over de vorming van Europa, vanaf de Grieken en de Romeinen. Aan bod komen vragen als: wat is Europa? Waar begint Europa en waar eindigt het? Wat verbindt ons continent?

Maarten: ‘Volgens de video heeft Europa geen duidelijke oostgrenzen en hebben we altijd de nadruk op het individu gelegd. Dat is een beetje met grote stappen snel thuis, maar zo kan het museum er zich ook geen buil aan vallen.’

Daarna maakt de tentoonstelling een sprong naar de negentiende eeuw. ‘De Industriële Revolutie en de revoluties van 1848 hebben overal in Europa dezelfde impact gehad,’ zegt Maarten, terwijl hij op een reusachtige stoomhamer klopt – van karton, naar blijkt. En, verwijzend naar een replica van De vrijheid leidt het volk, het beroemde schilderij van Eugène Delacroix over de Franse Revolutie van 1830: ‘Het is eigenaardig dat de Franse revoluties in de negentiende eeuw door een symbolisch figuur met ontblote boezem werden geleid, Marianne, terwijl we in Catalonië heel weinig mensen met ontblote boezem hebben gezien.’

Nergens zijn informatiebordjes te vinden. Klungelend met een tablet – iedere bezoeker krijgt er een mee om toelichtingen over de objecten op te zoeken – moppert Maarten: ‘Het is voor de bejaarde medemens een hopeloze opgave om in een soort digitale, Lego-achtige constructie het object op te zoeken waarover je meer wilt weten. Het zou beter zijn om nummertjes aan de objecten te geven, die je dan op de tablet kunt invoeren.’ Geert: ‘De tablet is een beetje overgeavanceerd. Een paar opschriften in het Engels zouden al enorm helpen, maar dan staan de Fransen op hun achterste benen.’ De informatie op de tablet is daarom beschikbaar in alle 24 officiële talen van de EU. De aankondigingen in het museum zijn in vier talen. Ook dat is Europa: een permanente talenstrijd.

Maarten en Geert vervolgen de route door een miniatuurversie van het Crystal Palace, het gebouw van de spraakmakende wereldtentoonstelling in 1851. Ze bekijken een schilderij met daarop ene meneer en mevrouw Georges Hobé, die in de tweede helft van de negentiende eeuw samen met hun hond door Gustaaf Vanaise werden geportretteerd. Geen bijzonder werk, zo valt te lezen op de tablet, maar wel een goed voorbeeld van de opkomst van de bourgeoisie. Door de Industriële Revolutie werden grote groepen plotseling veel welvarender en hadden ze de beschikking over steeds meer vrije tijd, waardoor ze zich bijvoorbeeld konden laten portretteren.

Verderop komt de Eerste Wereldoorlog aan bod. Er is een replica te zien van het pistool waarmee Gavrilo Princip in 1914 aartshertog Frans Ferdinand vermoordde. Zijn daad was de lont in het kruitvat. Eenmaal gearriveerd bij het Interbellum wijst Geert op vitrines over nazi- Duitsland. ‘De dynamiek van het toenmalige Duitsland komt hier heel goed naar voren. Aan de ene kant is er met Kraft durch Freude – een organisatie die goede arbeidsprestaties beloonde –, de Volksempfänger – een radio-ontvanger – en Volkswagen aandacht voor de “goede Hitler”, waardoor je begrijpt waarom deze man zo populair werd. Duitsers die zes jaar eerder nog in kampen voor werklozen zaten, konden onder Hitler opeens op vakantie naar de Oostzee. Aan de andere kant zie je bijvoorbeeld de concentratiekampkleding en de merktekens voor gevangenen. Het museum slaagt er goed in de dubbelheid van de geschiedenis te laten zien.’

Maarten: ‘Volkswagen, een van de grootste autoconcerns ter wereld, is in zekere zin de nalatenschap van Hitler. Als hij in 1938 was vermoord, zou hij als groot staatsman met rare antisemitische trekjes de boeken in zijn gegaan.’

Tot blijdschap van Maarten speelt Amerika maar een bescheiden rol in het naoorlogse gedeelte van het museum. Zelfs de onvermijdelijke foto van de Amerikaanse landing in Normandië ontbreekt. Van Geert had de Amerikaanse invloed wat meer zichtbaar mogen zijn.

Poetin, Trump en Stalin hebben veel betekend voor de integratie van Europa

Hem valt vooral het pontificaal uitgestalde Acquis communautaire op: het metersdikke boek met wetgeving en regels waar alle lidstaten van de Europese Unie aan moeten voldoen. ‘Iedere Catalaan die uit Spanje wil stappen, zou eigenlijk een foto van dit nachtmerrieachtige boek toegestuurd moeten krijgen. Denk er wel aan: jullie moeten dit hele proces opnieuw door, en op het einde zal nog een aantal landen nee zeggen. Dat geldt ook voor de Britten.’

Aangrijpend is de trui met kogelgaten van een 17-jarige jongen die in 1989 bij een opstand tegen de Roemeense dictator Nicolae Ceaușescu werd doodgeschoten. De zus van de jongen bracht het kledingstuk zelf naar het museum. Om de persoonlijkheidscultus rondom Ceaușescu te illustreren, toont het museum ook een mythisch portret van de tiran, omringd door witte duiven en met voorbeelden van zijn economische wonderen. Het regime van Ceaușescu was volgens de toelichting misschien wel een van de wreedste binnen het Oostblok.

‘Als ik door dit museum loop, krijg ik dezelfde emoties als toen ik voor In Europa een jaar door Europa reisde,’ vertelt Geert. ‘Meestal loop je vanuit een stedelijk of nationaal perspectief door een tentoonstelling, maar het is hier goed gelukt om een Europees perspectief te bieden. Het museum heeft ook geen rare praatjes, de toelichtingen zijn knap en genuanceerd en nergens wordt identiteit benadrukt – wij zijn Europeanen en zij niet.’

Maarten: ‘Europa wordt gepresenteerd als een soort vage mistvlek in de verte in plaats van als een duidelijk afgebakend iets, en dat is goed. Het museum trapt gelukkig ook niet in de eschatologische valkuil, alsof het bijvoorbeeld altijd zo had moeten zijn dat het Verdrag van Rome getekend werd. De EU is voor een niet onbelangrijk gedeelte de poging van andere machten om Duitsland in te kaderen. Nergens in het museum wordt op romantische toon medegedeeld dat de lidstaten altijd bij elkaar hebben gehoord of dat iedereen zich maar zo snel mogelijk bij de Unie moet aansluiten.’

Hoe hoger bezoekers in de tentoonstelling komen, des te meer daglicht er in de tentoonstellingsruimte valt. De bovenste verdieping – toch het interessantst omdat deze over het hedendaagse Europa gaat – doet wat leeg aan.

Ik zou hier best met mijn kleinkinderen naartoe willen gaan om hun in te peperen hoe interessant de Europese geschiedenis is

‘Van het hele eurodrama of de euro is niets te zien. Het is niet helemaal duidelijk waar het museum ophoudt,’ zegt Maarten terwijl hij neerploft op een grote ronde houten bank en naar een scherm op het plafond tuurt.

Geert: ‘Je zou op z’n minst de eerste euro kunnen laten zien. Of de foto waarop Jeroen Dijsselbloem en Yanis Varoufakis elkaar weigeren de hand te drukken en de woede uit hun ogen spat. Dat zou al een fantastische foto zijn geweest op deze verdieping.’

Het museum zelf geeft aan dat de tentoonstelling moet worden beschouwd als werk in uitvoering, waarbij er op de bovenste verdieping nog alle ruimte is voor toevoegingen. Met een T-shirt van het leave-kamp en een stembiljet is de Brexit al gedekt.

Hoe verser de geschiedenis, hoe moeilijker de keuzes voor het museum worden. Geert: ‘Het is moeilijk geschiedenis te schrijven over wat net is gebeurd. De makers hebben een ontzettend moeilijke opdracht gehad. Ik had misschien iets andere keuzes gemaakt. Zo is er naar mijn idee te weinig aandacht voor de immigratiegolven vanaf de jaren 1970 en voor de islam in Europa. Ook de dekolonisatie komt er wat bekaaid vanaf. Deze zaken zijn heel bepalend voor Europa.’

Maarten: ‘Het was al moeilijk genoeg om dit museum conceptueel gezien voor elkaar te krijgen, zonder dat iedereen overal over struikelt. De geschiedenis van de laatste twintig jaar heeft in allerlei opzichten nog geen duidelijke contouren.’ Geert: ‘We weten nog niet hoe het eindigt. De Europese Unie zit nu in een cruciale fase. In de komende jaren moeten Angela Merkel en Emmanuel Macron echt spijkers met koppen slaan. Als het nu niet lukt, weet ik het niet meer.’

Maarten: ‘Donald Trump is in zekere zin een zegen voor Europa. Daardoor moeten we eindelijk op onze eigen benen staan.’

Geert: ‘Ja, eigenlijk zouden Poetin, Trump en Stalin ook eigen standbeelden moeten krijgen in Brussel. Zij hebben op een negatieve manier veel betekend voor de totstandkoming en de integratie van Europa.’

Op de terugweg maken ze de balans op. Is het museum een bezoek waard? Geert: ‘De basis van het museum is goed. Het schetst een overweldigend beeld van Europa als chaotisch continent met allerlei breuken, wonden en tegenstellingen. Goede geschiedenis roept discussie op, en daar slaagt het museum in. Als je het museum uit loopt, weet je eigenlijk nog steeds niet zo goed wat Europa is, maar het helpt je wel daarover na te denken.’


Maarten: ‘Als ze wat ouder zijn, zou ik best met mijn kleinkinderen hiernaartoe willen gaan om hun een fijne lange middag in te peperen hoe interessant de Europese geschiedenis is.’ Geert: ‘Ik zie ook scholieren voor me die een dag naar Brussel gaan om hier een middag door te brengen. Het Huis van de Europese Geschiedenis geeft een duw aan de discussie over Europa en kan daarom belangrijk worden.’ En die 55 miljoen? Maarten: ‘Dat is een derde van wat er is betaald voor de portretten van Rembrandt van Marten Soolmans en Oopjen Coppit. Daarvoor heb je dit hele museum. Dat is toch best aardig.’

Huis van de Europese Geschiedenis

Het Huis van de Europese geschiedenis is een museum over het gedeelde verleden en de uiteenlopende ervaringen van de Europeanen. Permanente tentoonstellingen behandelen de hele geschiedenis van Europa. Je volgt het Europese verleden: van de oud-Griekse mythe over ‘Europa’, de vroeg­moderne dominantie op het wereldtoneel tot het twintigste-eeuwse integratieproces dat na de Tweede Wereldoorlog op gang kwam. Er worden verbanden gelegd tussen heden en verleden en op de bovenste verdieping wordt de bezoeker uitgenodigd na te denken over de toekomst van het continent. Het museum bevindt zich in het Eastmangebouw in het Leopoldpark, in het hart van de Europese wijk in Brussel.

De toegang is gratis, het museum is de hele week geopend. Info: https://historia-europa.ep.eu/home.

donderdag 19 april 2018

Gerelateerde artikelen

Maarten van Rossem en Frans Timmermans buigen zich over Europa, het populisme en de blanke man

donderdag 15 februari 2018

Nu of nooit

donderdag 7 december 2017

Geschiedenis? Je leert er helemaal niets van

woensdag 6 december 2017

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.