Maarten!

Er is meer dan genoeg

Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Louise O. Fresco noemt zichzelf een technologisch optimist. De landbouwkundige is een internationale autoriteit op het gebied van voedsel en milieu. Maarten van Rossem sprak een middag lang met haar over de grootste uitdagingen voor de wereld. ‘De meeste problemen zijn niet technisch, maar politiek en psychologisch.’

door Bas Kromhout en Maarten van Rossem


Van Rossem: ‘Je nieuwe boek, dat in september uitkomt, heet Hamburgers in het paradijs. Wil je een schrikbeeld oproepen?’
Fresco: ‘Niet per se. Die hamburger is een running gag, een illustratie van goed en kwaad en veranderende opvattingen. Ik stel mezelf de vraag: waarmee zou Eva Adam hebben verleid als zij in onze tijd hadden geleefd? Niet met een appel, maar met een hamburger. De van het vet druipende hamburger is het moderne symbool van het kwaad. Hij wordt geassocieerd met ongezond eten en Amerikaans streven naar wereldhegemonie. Moeders vragen mij altijd of ze hun kinderen wel mogen trakteren op McDonald’s, want de hamburgers daar zouden vol hormonen zitten. Dat is niet zo. Er is echt niets mis met af en toe een hamburger, maar het is wel zinvol je af te vragen waar die hamburger voor staat en waarom je kinderen hem willen.’

Van Rossem: ‘Mijn kinderen vonden het ontzettend leuk om eens per week naar McDonald’s te gaan. Dan werkte mijn echtgenote over en ik kan niet koken.’
‘Het begin van het hamburgertijdperk was een moment van bevrijding. Die hing samen met de opkomst van de Amerikaanse suburbane klasse van mensen die met het hele gezin met de auto hamburgers kon gaan eten in een fastfoodrestaurant.
McDonald’s heeft de hamburger gestandaardiseerd. Het kadetje is precies zo ontworpen dat het voldoende sap van het vlees opvangt om geen vieze vingers te krijgen. Er zijn voorschriften over hoe lang de hamburger onder een warmtebron mag liggen voordat hij moet worden weggegooid.
Het verhaal van de hamburger toont ook aan dat het bedrijfsleven verandert. Sinds een aantal jaren heeft McDonald’s de stap gemaakt naar meer regionale differentiatie. Niet alleen kun je in de Parijse vestiging een glaasje wijn bestellen, maar in Londen komt het vlees van lokale koeien, en in Nederland is er melk. Ook wordt gewerkt met gerecyclede verpakkingsmaterialen. Maar mensen verwachten niet dat het verhaal veel genuanceerder is.’

Van Rossem: ‘Als je vraagt wat mensen typisch Nederlands vinden, komen ze altijd met voedsel: oliebollen, rookworsten, kroketten. Waarom toch?’
Fresco: ‘Voedsel wordt met identiteit geassocieerd, omdat het nodig is om te overleven. Het zit als het ware gekabeld in ons brein. Het is daarom erg moeilijk de verleiding van voedsel te weerstaan. Je ziet het in winkelstraten: iedereen loopt te kauwen.’

Van Rossem: ‘Ik heb dat alleen met kaasbolletjes.’
Fresco: ‘Maar je hebt het toch met iets.’

Van Rossem: ‘Ik ben bereid een uur te zoeken naar de juiste kaasbolletjes.’
Fresco: ‘Er zijn laboratoriumproeven gedaan met soep. Mensen kregen een bord voor hun neus en begonnen te eten, maar zonder dat ze het wisten werd de soep via een slangetje constant aangevuld. Dan blijf je eten. Dat zit in ons mensen ingebakken, omdat voedsel tot voor kort in de hele geschiedenis schaars was.
Mensen realiseren zich niet hoe exceptioneel het is dat wij dagelijks overleven bij de gratie van een heel kleine groep mensen die voor ons kostje zorgen. Dat heeft een aantal gevolgen. We weten niet meer waar ons voedsel vandaan komt en hebben een verkeerd beeld van de productie ervan. De stedelijke bevolking koestert een soort schoolplatennostalgie. De realiteit was dat mensen tweehonderd jaar geleden gemiddeld hoogstens veertig jaar oud werden en dat ze hun hele leven ontzettend hard moesten werken. Het voedsel was beslist onveiliger dan tegenwoordig, want vaker besmet of vermengd met schadelijke stoffen.
De kwaliteit van ons voedsel is toegenomen, maar doordat we de productie niet meer in eigen hand hebben, voelen we ons kwetsbaar. Tot op zekere hoogte zijn we dat ook, door de mondiale verwevenheid van voedselketens. Zaken als de EHEC-bacterie en de gekkekoeienziekte leiden tot overtrokken paniekreacties. Aan de gekkekoeienziekte zijn ongeveer evenveel mensen doodgegaan als in een kerstweekend op de Italiaanse wegen.
Voor het eerst in de geschiedenis hebben we in het Westen een situatie van voedselovervloed. We moeten een nieuwe manier vinden om daarmee om te gaan.’

Van Rossem: ‘Minder kaasbolletjes dus?’
Fresco: ‘Ik maak een uitzondering voor jouw kaasbolletjes. Waar het me vooral om gaat, is dat we bewuster eten en minder voedsel weggooien. Het is slecht voor het milieu en zonde van het land dat je ervoor gebruikt.’

Van Rossem: ‘Is elke boterham die je weggooit gestolen van de armen?’
Fresco: ‘Nee, dat is veel te simplistisch. Er is genoeg voedsel in de wereld. Ik ontmoet vaak goedbedoelende mensen die denken dat als zij minder vlees eten, het beter gaat met de derde wereld. Zo ligt het niet. Het heeft ook geen zin ons voedsel naar Afrika te sturen.
Van de 7 miljard wereldbewoners krijgt 1 miljard onvoldoende te eten. Niet omdat er te weinig voedsel is, maar omdat deze mensen te arm zijn om het te kopen. Verder krijgt 1 miljard wel genoeg calorieën binnen, maar niet het juiste evenwicht aan mineralen, vitaminen enzovoort. Dan zijn er 1,5 miljard mensen die niet goed gevoed zijn omdat ze te zwaar zijn. Obesitas zie je niet alleen in het Westen, maar in toenemende mate ook bij de burgerlijke, stedelijke klasse in ontwikkelingslanden.’

Van Rossem: ‘Daar kijk ik van op. En is er genoeg voedsel om de bevolkingsgroei aan te kunnen?’
Fresco: ‘Tot 2050 komen er nog 2 miljard mensen bij. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat we hen niet kunnen voeden. Ten eerste omdat in veel gebieden de opbrengsten per hectare land nog niet optimaal zijn. En ten tweede omdat er vruchtbare streken zijn die niet worden gebruikt. In de Oekraïne, Kazachstan en Midden-Azië zijn na de ineenstorting van de Sovjet-Unie veel akkers braak komen te liggen.
Brazilië is een goed voorbeeld van hoe dankzij nieuwe techniek nieuw land in cultuur kan worden gebracht. Iedereen denkt dat die afschuwelijke Brazilianen daarvoor het regenwoud hebben gekapt, maar dat is niet zo. De groei vindt plaats in de savannegebieden, de Cerrado. Twintig jaar geleden dacht men nog dat die grond te arm was. Ook in Afrika is meer potentieel.
Dat er voldoende landbouwareaal is, wil niet meteen zeggen dat er genoeg wordt geproduceerd. In Afrika is het productieniveau vergelijkbaar met wat wij hadden in de Middeleeuwen. Maar daar kunnen we wat aan doen. Veel hangt af van factoren als corruptie, landrechten en de markt. Bij een open, liberaal wereldmarktsysteem zou je het tekort op de ene plek kunnen dichten met het overschot op de andere plek. Maar daar ontbreekt het aan.’

Van Rossem: ‘We moeten dus niet denken in termen van schuld en boete?’
Fresco: ‘Dat is één. En we moeten ook niet denken aan de aarde als een koek die op is. De koek kan namelijk groter worden, zelfs zonder dat we de hele aarde aantasten. Als we het maar verstandig doen.’

Van Rossem: ‘Brengt intensivering van de landbouw geen grote schade toe aan de natuur?’
Fresco: ‘Nee, integendeel. Althans, als je verstandig aanpakt. In het verleden zijn veel fouten gemaakt, waardoor de landbouw nu een slechte naam heeft. Mijn antwoord daarop is dat we daarvan leren. In China hebben ze zoveel insecticiden gespoten dat de vogels stierven van de honger. Intussen weten we dat je heel veel minder hoeft te spuiten. Ik vergelijk het met de auto: toen dat ding werd uitgevonden was het een moordwapen. Het had geen rem en er waren geen trottoirs. Hadden we die auto dan maar niet moeten invoeren?’

Van Rossem: ‘Toch lijkt het soms alsof voedsel en milieu elkaar in de weg zitten. Zo zijn in Mexico de voedselprijzen aanzienlijk gestegen, omdat Amerikaanse maïs veel duurder is geworden als gevolg van de stijgende productie van bio-ethanol, waarvoor maïs wordt gebruikt.’
Fresco: ‘Het verhaal is complexer. Grote Mexicaanse veeboeren waren gewend maïs uit de Verenigde Staten te kopen. Maar toen de Amerikaanse overheid de productie van ethanol uit maïs ging stimuleren met subsidies, bleef er niets over. Mexicaanse veeboeren reageerden door hun maïs op de lokale Mexicaanse markt te kopen en creëerden een artificieel tekort voor de bevolking. De Mexicaanse overheid had moeten reageren door de heffing op geïmporteerde maïs tijdelijk af te schaffen, maar deed dat niet.’

Van Rossem: ‘Dus het zijn overheden die het probleem van stijgende voedselprijzen veroorzaken?’
Fresco: ‘Er zijn geen monocausale verbanden te leggen. De wereldvoedselprijzen zijn vanaf de Tweede Wereldoorlog gemiddeld elk jaar met een procent gedaald. Nederlanders gaven in de jaren vijftig de helft van hun inkomen uit aan voedsel; nu is dat 10 procent. Dat er een correctie optreedt is eigenlijk niet zo slecht.
Het probleem is ook niet de stijging van de prijzen, maar de toenemende fluctuaties. Deels zijn die het gevolg van speculatie. Door de financiële crisis van 2008 ging het geld niet meer naar banken en onroerend goed, maar naar olie en grondstoffen. Vanaf dat moment zijn de olie- en voedselprijs veel meer aan elkaar gekoppeld. Toch is speculatie een minder belangrijke factor dan foutief overheidsingrijpen.’

Van Rossem: ‘Maar mits we het goed organiseren, kunnen we ruim voldoende produceren voor iedereen?’
Fresco: ‘En mits we werkgelegenheid creëren. In 2050 woont 60 procent van de wereldbevolking in steden, wat per definitie betekent dat de meeste mensen niet hun eigen voedsel verbouwen. Dus moeten ze geld verdienen om het te kunnen kopen.
Verder moeten we zorgen dat we efficiënter met voedsel omgaan. Nu wordt tussen de 30 en 40 procent van ons voedsel in de productieketen verspild. Deels gebeurt dat op het land van de boer, door insecten en schimmels. De verspilling in de verwerkende industrie is na de oogst heel laag. Maar in de supermarkt en vooral bij de consument neemt ze weer toe.
Dat komt mede doordat we hier heel strikte houdbaarheidsdata hanteren. Er zijn twee categorieën: “te consumeren voor” en “ten minste houdbaar tot”. De consument kent het verschil niet. Als die een datum op zijn pak yoghurt ziet staan, dan denkt hij dat na die datum de kindertjes eraan doodgaan. Maar yoghurt van een paar dagen over tijd kun je prima eten; dan gebeurt er niets. Op vlees en vis staat de aanduiding “te consumeren voor”; daar moet je wel op letten.’

Van Rossem: ‘Ik heb begrepen dat als we de helft minder weggooien, 20 procent van de wereldvoedselproductie wordt uitgespaard.’
Fresco: ‘Ik weet niet of dat zo gauw lukt, want je hebt ook te maken met zaken als schimmels en bederf. Waarom bederven tomaten uit West-Afrika? Omdat al die landen daar importbelasting heffen, zodat ze eindeloos in een hete vrachtwagen moeten blijven die staat te wachten voor de douane. Bovendien zijn de meeste tomatenrassen kwetsbaar. Er bestaan nu genetisch gemodificeerde tomaten, die beter tegen een stootje kunnen – al worden ze nog niet verbouwd. Als je dat combineert met beter transport en betere marktomstandigheden, breng je verliezen terug.’

Van Rossem: ‘In het klimaatdebat is een soort algehele verwarring ontstaan. Is er wel sprake van een verandering, en zo ja, hoe ernstig is die eigenlijk?’
Fresco: ‘Ik heb in de commissie van acht deskundigen gezeten die anderhalf geleden de werkwijze van het International Panel on Climate Change (IPCC) moest doorlichten. Dat was in opspraak geraakt, mede omdat bepaalde alarmistische informatie over smeltende gletsjers in de Himalaya niet klopte. Maar het probleem zat dieper.
Er zit een grote kloof tussen hoe politici en hoe wetenschappers naar een kwestie kijken. De wetenschap kan op veel punten geen zekerheid bieden en spreekt in gradaties van waarschijnlijkheid. Die twee dingen, zekerheid en mate van waarschijnlijkheid, zijn verschillend. Enerzijds kun je vrij zeker zijn welke effecten iets zal hebben, als het gebeurt. Als de ijskap van Groenland smelt, zal de zeespiegel stijgen. Maar we weten niet hoe waarschijnlijk het is dat die kap inderdaad smelt, over honderd jaar of over tienduizend jaar. En daarnaast kan het zijn dat een bepaalde gebeurtenis omstreden is, of dat er nog weinig bewijs voor is, terwijl het grote effecten kan hebben en daarom toch alvast meegenomen moet worden. We kunnen het erover eens zijn dat het smelten van de ijskap verschrikkelijke gevolgen zal hebben, als het gebeurt. Maar we hebben nog weinig bewijs dat het inderdaad staat te gebeuren.
In het debat lopen zekerheid en waarschijnlijkheid door elkaar. De politiek eist een helder verhaal. Het IPCC heeft geprobeerd aan die eis tegemoet te komen en daar is het misgegaan.’

Van Rossem: ‘Wetenschappers zouden zich toch niet moeten lenen voor zo’n versimpeling?’
Fresco: ‘Helemaal mee eens. Maar zij staan steeds meer onder druk om geldschieters te behagen door snel met resultaten naar buiten te komen. Een goed voorbeeld is de zogenaamde ontdekking door Cern dat bepaalde deeltjes sneller gingen dan het licht. De verleiding was blijkbaar te groot om ermee naar buiten te komen, terwijl juist de kracht van de wetenschap is dat zoiets onafhankelijk moet worden bevestigd. Nu bleek het achteraf toch om een meetfout te gaan. Dat doet de reputatie van de wetenschap geen goed.
Daarnaast staat het systeem van peer review onder druk. Er wordt vreselijk veel gepubliceerd en het systeem is niet waterdicht. De wetenschap is enorm gespecialiseerd, zodat de kans klein is dat je echt onafhankelijke reviewers tegenkomt die niet kunnen afleiden uit welk onderzoek het betreffende stuk afkomstig is. Bladen als Nature nemen steeds vaker artikelen op waarin feiten en meningen erg door elkaar lopen. Hetzelfde geldt voor de Nederlandse kranten.
Vandaar dat zelfs hoogopgeleide mensen nu zeggen: “Wetenschap is ook maar een mening.” Dat is een zorgwekkende ontwikkeling. In het nieuwe milieurapport van de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, wordt gesproken van planetaire tipping points: drempelwaarden die als ze worden overschreden zullen leiden tot gruwelijke mondiale rampen. Ik zie daarvoor geen enkel wetenschappelijk bewijs. Het gebruik van zulke ongefundeerde emotionele begrippen is een vorm van demagogie, die zich uiteindelijk tegen de wetenschap keert. Terecht maken veel wetenschappers zich zorgen over fact free politics, maar ze dragen er zelf aan bij.’

Van Rossem: ‘U zat destijds in de commissie-Veerman, die toch ook vrij gemakkelijk uitging van een zeespiegelstijging van 60 centimeter.’
Fresco: ‘Dat was een andere kwestie. De vraag van die commissie was: kunnen we heel Nederland op de lange duur veilig houden? Dat hebben we onderzocht door juist de ergst denkbare scenario’s te nemen. Daar komen die 60 centimeter vandaan. Onze conclusie was dan ook: in het meest ernstige geval Nederland kan worden behouden dankzij dijkaanpassing, zandsuppletie en waterbuffers. Omdat het gaat om langetermijnprocessen kunnen de maatregelen heel goed meegroeien met de stand van de wetenschap.
Ik ben het niet eens met een alarmistische positie die suggereert dat het allemaal binnen twintig, dertig jaar misgaat. Wel is de evidentie vrij sterk dat er sinds de Industriële Revolutie meer CO2 in de lucht is gekomen. We hebben immers geologische voorraden verstookt. Maar dat kun je met nieuwe technieken veel efficiënter doen. En vergis je niet: over tweehonderd jaar is de wereldbevolking alweer aan het afnemen.’

Van Rossem: ‘Een van de manieren om de CO2-emissie terug te brengen is windmolens bouwen. Maar die zijn toch uiterst inefficiënt? Twintig procent staat stil omdat ze de stroom niet kwijt kunnen aan het net.’
Fresco: ‘Dat is oplosbaar. Veel erger is dat we windmolens niet willen hebben, omdat we vinden dat ze ons uitzicht bederven. Dus bouwen we ze in zee. Dat is ongelooflijk kostbaar.’

Van Rossem: ‘Om maar te zwijgen van de elektrische auto: de energiedichtheid van benzine is duizendmaal hoger dan die van een accu. Dus dat red je nooit.’
Fresco: ‘Er komt wel schot in het onderzoek naar betere accu’s. Maar hoe je het wendt of keert, in 2050 blijven we in hoge mate afhankelijk van fossiele brandstoffen.’

Van Rossem: ‘Zou de industrie zich niet moeten richten op zuiniger dieselmotoren in plaats van hybride auto’s zoals de Prius?’
Fresco: ‘Het voordeel van de Prius is dat die mensen er voor het eerst van heeft overtuigd dat hybride rijden een goed en zelfs sexy alternatief is. Die meter die laat zien hoe zuinig je rijdt, is fantastisch. Auto’s zullen altijd iets van vloeibare brandstof nodig hebben, dus moet je ook verbrandingsmotors zo efficiënt mogelijk maken. Dat kan ook. Ik verwacht verder dat we over veertig jaar niet meer allemaal individueel in de auto zitten. En dat we vanwege de toenemende verkeersdichtheid auto’s gaan laten rijden via een geleidingssysteem. ’

Van Rossem: ‘Daar geloof ik niets van. Het probleem is dat de auto enorm verslavend is.’
Fresco: ‘Daarom moeten we misschien toe naar een mobiliteitsquotum. Mensen met jonge kinderen of mensen die slecht ter been zijn, moeten een auto hebben. Maar voor de anderen zou je moeten kijken of een collectiever systeem mogelijk is. Green Wheels functioneert vrij goed.
Ik ben een technologisch optimist. De echte problemen zijn meestal politiek of psychologisch van aard. Terwijl wij in het Westen veiliger zijn dan ooit, boezemt alles ons angst in. We willen profiteren van technologie, maar vinden die ook eng en willen terug naar een mythisch verleden, toen alles nog goed was. Dat verklaart waarom zaken als gekkekoeienziekte en klimaatverandering zulke emotionele reacties teweegbrengen. Dat verklaart waarom je een internet vol opinies en haast zonder feiten hebt.
Kleine dingen kunnen sterk een eigen leven gaan leiden, zoals de hetze tegen het RIVM, dat nu geen vaccinatieprogramma tegen HPV meer kan uitvoeren. Of neem zaken als CO2-opslag onder de grond of de angst voor hoogspanningskabels. Hoe onterecht ook, angst daaromtrent steekt bij burgers telkens weer de kop op. Politici zijn geneigd naar zulke emoties te luisteren.’

Van Rossem: ‘Nooit overwogen zelf in de politiek te gaan?’
Fresco: ‘Ik heb er weleens aan gedacht, en mijn naam schijnt bij formaties te vallen. Maar ik ben geen lid van een partij en wil dat ook niet worden. Dat zou mijn wetenschappelijke onafhankelijkheid te veel compromitteren. Het is een moeilijke afweging of je in de politiek meer invloed hebt dan als onafhankelijk adviseur. Ministers zitten vast aan regeerakkoorden en een ambtenarenapparaat. Ik kan achter de schermen van de politiek behoorlijk wat zeggen. Daar krijg ik misschien niet de eer van, maar ik geloof niet dat ik zonder invloed ben.’

Verder lezen?





Inloggen


Inloggen
Registreren
Wachtwoord vergeten
Wachwoord vergeten




Inloggen