Lezen, die literaire meesterwerken!

Lezen, die literaire meesterwerken!

DOOR MAARTEN VAN ROSSEM

woensdag 6 juni 2018
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Jaren gelden begon Maarten van Rossem aan de literaire meesterwerken die al jarenlang in zijn kast stonden te wachten. En hij was aangenaam verrast. Veel hoogtepunten uit de literatuur bleken net zo leesbaar als het lichte werk dat hij lang las.

Uit Maarten! 2013-2

Bijna twintig jaar, van 1960 tot in de late jaren zeventig, was ik verslaafd aan detectives, thrillers en sciencefiction, en ik moet in die jaren honderden boeken hebben verslonden. Ik was als een kind zo blij als ik een nieuwe auteur ontdekte die een ruim oeuvre had geproduceerd. Vrijwel altijd was het mogelijk, zeker in mijn studententijd, om een boek in een dag uit te lezen.

Een echte literaire lezer ben ik nog steeds niet; ik lees voor het verhaal (reading for the plot) en stel spanning en dramatiek op prijs. Literaire experimenten zijn aan mij niet besteed. De conventies en conceptuele problemen van de roman zijn bovendien al halverwege de achttiende eeuw afdoende aan de orde gesteld door Laurence Sterne in zijn komische roman Tristram Shandy, die ik iedereen warm kan aanbevelen.

Grote Literatuur is verrassend prettig om te lezen; u hoeft helemaal niet vreselijk literair georiënteerd te zijn

In de late jaren zeventig kwam er langzaam een eind aan mijn obsessieve consumptie van dit soort fictie. Dat kwam vooral doordat ik tijdens mijn promotieonderzoek kennismaakte met de invloedrijke literaire critici uit het milieu van de Joodse intellectuelen waar ik over schreef. Edmund Wilson, Lionel Trilling en Irving Howe wisten zo over de meesterwerken uit de wereldliteratuur te schrijven dat ik vond dat ik ze ook moest lezen, als ik tenminste iets van de negentiende en twintigste eeuw wilde begrijpen. Tegelijkertijd maakte ik kennis met het werk van George Orwell, Arthur Koestler en de grote, vitale romans van Saul Bellow, zoals Augie March en Humboldt’s Gift. Het ging hier steeds om fictie die zowel spannend, fantasievol als leerzaam was. Dat wilde overigens helemaal niet zeggen dat ik nu begon aan een obsessieve consumptie van literaire meesterwerken. Het kwam er deels op neer dat ik meesterwerken kocht om die later te lezen, in een wellicht contemplatievere fase van mijn leven. Zo hebben de zeven deeltjes van de Nederlandse Proust-vertaling jaren in mijn kast gestaan, zonder dat ik eraan begon. Ik bezat zelfs twee verschillende ongelezen vertalingen van Ulysses van James Joyce.

Spannend en vermakelijk

Vijftien jaar geleden vroeg het Instituut voor Geschiedenis in Utrecht mij of ik bereid was met enkele leesgrage studenten een leesgezelschap te vormen dat al die meesterwerken nu eens daadwerkelijk zou aanpakken. Dat gezelschap is een groot succes geworden; we hebben zo langzamerhand een kleine honderd onverbiddelijke meesterwerken doorgenomen. Het selectieproces is rommelig en informeel. Daardoor lezen we soms zeer onverwachte meesterwerken, of juist meesterwerken die bij nader inzien helemaal geen meesterwerken blijken te zijn.

Al dit gepraat over meesterwerken wekt misschien de suggestie dat het hier gaat om een even deftig als pretentieus literair project. Dat is echter helemaal niet het geval. Een ruime meerderheid van de meesterwerken blijkt namelijk minstens even leesbaar, spannend en vermakelijk als welke gemakkelijk lezende genrefictie dan ook. Het is werkelijk waar: Grote Literatuur is verrassend prettig om te lezen; u hoeft helemaal niet vreselijk literair georiënteerd te zijn. Ik geef u een overzicht met beknopte aanbevelingen.

Voor de historicus zijn vooral die romans fascinerend die een heel tijdperk of een specifiek milieu evoceren

Bent u diep onder de indruk geraakt van Stieg Larssons Millennium-trilogie, dan heb ik iets beters voor u: De graaf van Monte-Cristo van Alexandre Dumas. Ook dat is een wraakgeschiedenis, maar dan romantischer en dramatischer. Er is een aantal jaar geleden bovendien een uitstekende nieuwe Nederlandse vertaling verschenen, bij Atlas Contact. In hetzelfde genre bevindt zich Les Misérables van Victor Hugo. Ga niet naar de musical, laat staan naar de film van de musical, maar lees thuis op de bank het vuistdikke boek. Let op dat u niet een of andere verkorte of anderszins gemutileerde versie in handen krijgt. Het oorspronkelijke boek begint met een omvangrijke, maar onvergetelijke beschrijving van de Slag bij Waterloo. Jarenlang koesterde ik een vooroordeel tegen Gabriel García Márquez, vanwege het etiket ‘magisch realisme’ dat op zijn werk werd geplakt. Fantastische gebeurtenissen – daar had ik geen boodschap aan. Dat vooroordeel was stupide. Honderd jaar eenzaamheid is een meesterwerk, spannend en bizar. Die Nobelprijs was volledig verdiend!

Dat geldt evenzeer voor Günter Grass en zijn zonderlinge, maar prachtige De blikken trommel (Die Blechtrommel, 1959). Of je dat boek nu absurdistisch noemt of surrealistisch is voor mij totaal irrelevant. Het leest als een trein. Bizar is ook Catch 22 (1961) van Joseph Heller, waarin scènes voorkomen die u nooit meer zult vergeten.

Nog een tip voor de lezers die maar moeilijk afscheid kunnen nemen van hun geliefde detectiveromans: The Moonstone (1868) van Wilkie Collins. Dat is volgens sommige zeer geleerde schrijvers de eerste en tegelijkertijd beste detective ooit geschreven. Of dat waar is betwijfel ik, want Edgar Allen Poe was eerder, maar victoriaans spannend is The Moonstone wel.

Verloren tijd

Voor de historicus zijn vooral die romans fascinerend die een heel tijdperk of een specifiek milieu evoceren. Daarbij denk je in de allereerste plaats aan Marcel Proust en zijn Op zoek naar de verloren tijd (A la recherche du temps perdu): zeven delen waarin de auteur op minutieuze wijze zijn eigen verleden probeert terug te vinden en tegelijkertijd een beeld schetst van het hoogburgerlijke en adellijke milieu van de late negentiende en vroege twintigste eeuw in Frankrijk. Wie geen zin heeft in alle zeven delen, moet de eerste twee en het zevende lezen. In de eerste twee wordt tweemaal op weergaloze wijze het pijnlijke trauma van een verliefdheid beschreven en het laatste deel biedt een prachtige beschrijving van het verduisterde Parijs tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Een even fraai tijdsbeeld geeft John Updike in vier romans over zijn held Harry Angstrom, bijgenaamd Rabbit. Die gaan over drie decennia in een kleine stad in Pennsylvania, van de late jaren vijftig tot de late jaren tachtig.

De teloorgang van een deftige koopmansfamilie in het Lübeck van de negentiende eeuw staat centraal in de eerste grote roman van Thomas Mann, die nota bene 26 was toen hij het meesterwerk Buddenbrooks (1901) schreef. Anders dan je zou verwachten, is Buddenbrooks verrassend lichtvoetig, vaak zelfs geestig (de tantes!). Met name voedsel wordt liefderijk beschreven, en het is een raadsel waarom er nog geen Buddenbrooks-kookboek is.

Al deze romans maken de historicus duidelijk hoe schraal en armetierig zijn beschrijving van het verleden eigenlijk is

In Moby Dick (1851) ging het Herman Melville in de eerste plaats om de beschrijving van een obsessie: de wens van kapitein Ahab om de witte potvis te doden. In de loop van de roman wordt echter van alles en nog wat overhoopgehaald. Moby Dick is een combinatie van essayistiek en fictie. En hoewel ik nooit eerder enige neiging had gehad om fictie te schrijven, raakte ik bij lezing van Moby Dick aan het twijfelen.

Meedogenloos realistisch was Gustave Flaubert in Madame Bovary in zijn afrekening met de hypocriete kleinburgerlijkheid in negentiende-eeuws Frankrijk. Toch is ook Madame Bovary vaak onverwacht geestig. De fameuze sterfscène van de hoofdpersoon is even gruwelijk als hilarisch.

Grote verwachtingen (Great Expectations, 1861) wordt beschouwd als Dickens’ grootste roman. Of dat terecht is kan ik niet beoordelen, want ik heb maar twee van zijn veertien romans gelezen. Maar de geschiedenis van Pip is aangrijpend en als historicus steek je ook nog van alles op uit het boek. Zo wist ik niet dat de Engelsen oude schepen gebruikten als gevangenissen.

Een haast filmisch beeld van het post-Napoleontische Frankrijk van de vroege negentiende eeuw biedt Stendhal in zijn realistische, maar ook romantische Het rood en het zwart. Een kroniek van de negentiende eeuw (Le Rouge et le Noir. Chronique du XIXe siècle, 1830), waarin hij de treurige geschiedenis van de ambitieuze Julien Sorel beschrijft.

Levensgevaarlijk

Al deze romans maken de historicus duidelijk hoe schraal en armetierig zijn beschrijving van het verleden eigenlijk is. Ze wekken zijn jaloezie, en misschien ook het verlangen om de reguliere geschiedschrijving in te ruilen voor historische fictie. Dat verlangen is begrijpelijk, maar mijns inziens levensgevaarlijk. Al de hierboven genoemde auteurs waren er zelf bij; ze leefden in de wereld die ze beschreven. Maar een historische roman is altijd een vervalsing, zelfs als de auteur de meest fantastische research doet. Niemand kan zich nu werkelijk inleven in de denkwereld van een inwoner van Londen of Parijs halverwege de negentiende eeuw.

Uit Maarten! 2013-2

woensdag 6 juni 2018

Gerelateerde artikelen

Kunst met Sis: Vrouw Wereld

woensdag 30 mei 2018

Lang leve de burgermanskunst!

woensdag 25 april 2018

'Een meesterwerk? Wat is nou een meesterwerk?'

woensdag 6 december 2017