Dit zijn de wortels van onze moslimangst

Dit zijn de wortels van onze moslimangst

DOOR MAURICE BLESSING

De afkeer van moslims neemt in Nederland nog steeds toe. Niet alleen populisten als Wilders, maar ook opiniemakers als Paul Scheffer wijzen met een beschuldigende vinger naar ‘de moslims’ als belangrijkste veroorzakers van de multiculturele problematiek. Hun analyses zijn echter gebaseerd op eeuwenoude clichés en misvattingen over de islam.


Laatst had ik last van een verstopte gootsteen. Maar het loodgietersbedrijf kon niemand langsturen – het was ‘plotseling erg druk geworden’. Waarom was het juist nu zo druk, wilde ik weten. ‘Ik heb eigenlijk geen idee,’ luidde het antwoord van de telefoniste. ‘Maar ik denk dat het door de ramadan komt.’

Deze reactie lijkt kenmerkend voor onze tijd. Worden er ergens complexe problemen gesignaleerd en hebben we ‘eigenlijk geen idee’ van de oorzaken – criminaliteit, huiselijk geweld, een overbelaste verzorgingsstaat, massaal verstopte gootstenen –, dan ligt het vast aan ‘de moslimcultuur’.

Neem de moord die dit jaar werd gepleegd op een Amsterdamse crèchehoudster. In de pers werd de misdaad getypeerd als een crime passionel. De crèchehoudster zou een relatie hebben onderhouden met een getrouwde man – de bedrogen echtgenote had de moordenaar op haar rivale af gestuurd. U denkt: een sappige, maar weinig opmerkelijke kwestie. Liefde, jaloezie, wraak – zijn er menselijker emoties denkbaar?

Maar u ziet iets over het hoofd: de betrokkenen bij de moord zijn van Turkse afkomst. Het slachtoffer – en de vermoedelijke opdrachtgeefster – draagt een hoofddoek. Daarom is de moordzaak geen universeel menselijke, maar een moslimkwestie. Oftewel: een zaak van de islamitische cultuur, multiculturele drama’s en de dreigende ondergang van het Avondland.

Het bericht stond rond één uur op de website van onze populairste nationale krant, De Telegraaf. Al snel stroomden de reacties binnen. Het zijn geen overpeinzingen over de algemeen menselijke aard. Zo mailt ‘Joop’ uit Huissen: ‘niks aan de hand ere wraak is bij deze volksstammen heel gewoon en ten alle tijden gerechtvaardigd dat de ploerten in den haag ons met dit volk hebben opgezadeld is ten tweede over niet al te lange tijd als er hier een allahtone partij in de regering zit word dit schering en in slag mogen ook homo’s vermoord worden en de westerse mens uit geroeid worden in naam van allah kijk dat bedoelde wilders nu.’

In een andere typerende reactie wordt gewaarschuwd voor invoering van de ‘Shaira’: ‘Zij pleegde overspel en volgens de Shaira mag je dan de andere wat aandoen. Zaak opgelost.’ Het zijn slechts twee voorbeelden uit een lange lijst. Opmerkelijk? Niet echt. Wie een klein beetje actief is op internet weet dat je dit soort bijdragen kunt verwachten bij artikelen waarin Turken of Marokkanen figureren. Dat geldt niet alleen voor de sites van De Telegraaf of GeenStijl, maar evengoed voor de webpagina’s van ‘kwaliteitskranten’ als Trouw en de Volkskrant. Daar worden hoogstens iets minder taal- en spelfouten gemaakt.

Waar komen die afkeer van en haat jegens moslims en ‘de islam’ in onze samenleving toch vandaan? En – misschien wel de belangrijkste vraag – in hoeverre vormen moslims nu werkelijk een bedreiging voor autochtone Nederlanders?

Familieruzie

De animositeit tussen Europa en ‘de moslimwereld’ is zo oud als de islam zelf. En deze confrontatie was niet alleen gebaseerd op onderlinge misverstanden. De ‘Europese angst’ voor de islamitische wereld was soms zeer gegrond.

Neem de christelijk Romeinse of Byzantijnse keizers. Vanaf de vierde eeuw baseerden zij hun politieke en religieuze almacht op de idee dat God hen persoonlijk aan het hoofd had gesteld van de christenheid of oikoumenè. Het hele politiek-culturele bouwwerk van het Oost-Romeinse Rijk werd daarom fundamenteel bedreigd toen de islam in de zevende eeuw als politieke entiteit het licht zag. Ook de leiders van de nieuwe moslimrijken, de kaliefen of ‘opvolgers’ van de islamitische profeet Mohammed, claimden namelijk door God te zijn aangewezen – maar dan als hoofd van de concurrerende ‘moslimheid’ of oemma.

Zowel oikoumenè als oemma omvatte idealiter de gehele wereldbevolking. En omdat beide rijken een expansieve politiek voerden die religieus werd gesanctioneerd, was het niet meer dan logisch dat hun militaire confrontaties een belangrijke spirituele component hadden. De vroegst bekende jihadi’s waren moslimasceten oftewel soefi’s. Zij vochten in de voorste moslimgelederen tijdens veldslagen met het Byzantijnse Rijk. Zo hoopten deze soefi's, bij voorkeur via het martelaarschap, bonuspunten te verdienen voor een prominente plek in het hiernamaals.

De confrontatie tussen christendom en islam had meer weg van een familieruzie dan van een apocalyptische strijd tussen onverenigbare beschavingen

Het zal geen verbazing wekken dat ook veel Byzantijnse onderdanen de confrontaties met de islam interpreteerden als een heilige strijd ter verdediging van het christendom of de ‘christelijke manier van leven’.

Maar was er ook sprake van een ‘botsing van beschavingen’? Nee, daarvoor waren de Oost-Romeinse en de islamitische beschavingen te zeer verweven. Dit blijkt onder meer uit de gelijksoortige opvattingen die vroege moslims en christenen huldigden over de (innige) verhouding tussen religie en staat, over de ondergeschikte maatschappelijke positie van vrouwen en over recht en moraal in meer algemene zin.

De Libanese wetenschapper en jurist Chibli Mallat vertelt in een recent boek over de Midden-Oosterse rechtstradities hoe verrast hij was toen hij een uit de vijfde eeuw stammende verzameling christelijk-Romeinse wetteksten onder ogen kreeg. De overeenkomsten met het veel later ontstane islamitische recht – bekend als sharia – zijn buitengewoon treffend, zowel inhoudelijk als in de gebruikte terminologie.

Zo is het uitsluiten van de vrouwelijke familielijn in erfeniskwesties – een belangrijk principe in het soennitisch-islamitische erfrecht – letterlijk terug te vinden in de Byzantijnse bepalingen. Dat dit principe rechtstreeks uit de ‘westerse’, christelijke traditie stamt, lijkt ondersteund te worden door het feit dat de sharia van de shi’itische moslims – dominant in de regio’s die nooit binnen de Romeinse invloedssfeer vielen – deze bepaling niet kent. Ook polygamie maakt blijkens de ‘Syrisch-Romeinse codex’ deel uit van de christelijk-Romeinse traditie.

De confrontatie tussen christendom en islam had dus van meet af aan meer weg van een familieruzie dan van een apocalyptische strijd tussen onverenigbare beschavingen. Maar dat wil niet zeggen dat de betrokkenen de strijd tussen ‘Oost’ en ‘West’ ook als een familievete beschouwden.

De gemiddelde middeleeuwer had – net als menige deelnemer aan het huidige islamdebat – een sterk vereenvoudigd wereldbeeld, dat was gebaseerd op een bijna absolute scheiding tussen ‘wij’ en ‘zij’, en ‘goed’ en ‘kwaad’. In christelijke, ‘westerse’ ogen werden ‘zij’ bij uitstek vertegenwoordigd door de moslims, en was de islam het absolute kwaad. Dit sentiment werd aangemoedigd door westelijke machthebbers die hun positie, net als de Byzantijnse keizers, met een beroep op de christelijke leer wensten te legitimeren.

Wipperoen het duinkonijn

Een vroeg West-Europees voorbeeld van deze botsing-der-beschavingenretoriek is te vinden bij de kroniekschrijvers van het Frankische koningshuis van de Karolingen. Dit middeleeuwse koningshuis was gesticht door een bastaard, de Merovingische hofmeier Karel. De afkomst van hun pater familias was een schandvlek op de reputatie van de latere Karolingische vorsten – onder wie Karel de Grote. Vandaar dat Frankische kroniekschrijvers het verhaal de christelijke wereld in brachten dat hun Karel Martellus (‘de Hamer’) bij Poitiers de tot dan onstuitbare veroveringslegers van de Saraceense heidenen eigenhandig in de pan had gehakt.

Deze mythe van ‘Poitiers’ zou in de achttiende eeuw van stal worden gehaald en diep in het West-Europese geheugen worden gegrift door de historicus Edward Gibbon. In zijn beroemde The History of the Decline and Fall of the Roman Empire hield Gibbon zijn Britse lezers voor dat zij zonder het ingrijpen van Karel Martel besneden en wel iedere vrijdag vanaf de kansels van hun ontheiligde kerken met de leugenachtige leer van ‘Mahomet’ om de oren zouden zijn geslagen.

Er is veel gezegd en geschreven over het zogenoemde ‘oriëntalisme’: de westerse neiging om bij het beschrijven van oosterse culturen voornamelijk oog te hebben voor alles wat het Westen níét zou kenmerken: achterlijkheid, irrationaliteit, fatalisme, mysterie, geweld, zinnelijkheid en despotisme, in plaats van ‘westerse waarden’ als vooruitstrevendheid, rationaliteit, inventiviteit, ordening, zedigheid en democratie. Meestal wordt in deze discussie de nadruk gelegd op de elitaire kunsten en wetenschap. Maar het is belangrijk te beseffen dat dit ‘oriëntalistische’ wereldbeeld ook diep is doorgedrongen tot de meer populaire westerse cultuur.

Neem Wipperoen het duinkonijn, wiens avonturen in de jaren zestig en zeventig in stripvorm in het toenmalige Handelsblad verschenen. Wipperoen woonde in een knus holletje in de Rustige Duinen: een wat kneuterige, in zichzelf gekeerde biotoop waarin we waarschijnlijk terecht het naoorlogse Nederland herkennen. In het avontuur Wipperoen in het land van zand maakt onze held een grote reis naar een heel ander duinlandschap: de woestijnstaat van een zekere sultan Boefoe, die met harde hand regeert over zijn getulbande en behoofddoekte onderdanen, de ‘Snakkers’.

Die Snakkers zijn meelijwekkende sukkels. Ze werken zich de godganse dag het apezuur voor sultan Boefoe zonder zich ook maar een moment af te vragen of het misschien ook anders kan. In wat we de sleutelscène kunnen noemen zien we Wipperoen en zijn maatje Snipper de Flapoormuis de Snakkers bijstaan in hun zware dagtaak: het hakken van enorme stenen, die vervolgens over een bochtig pad de berg af moeten worden gedragen.

De Snakkers doen dit gedachteloos en zonder morren. Zo niet Wipperoen en Snipper: zij bedenken al snel dat je de steen ook gewoon van de berg af kunt rollen. De Snakkers zijn geschokt: ‘“Waarom doen jullie dat, vreemde Snakkertjes!” kreet een van hen verdrietig. “Lange, lange jaren sjouwen wij onze ondraaglijke stenenlast over dit Pad… over het Platgetreden Pad… en nu doen jullie het ánders! Ach, ach waarom tóch...”’

Discussiëren heeft geen zin, blijkt al snel. De lamlendige Snakkers zijn met geen rationeel argument te overtuigen: ze willen koste wat kost gebruik blijven maken van hun ‘Platgetreden Oude Snakkerpad’. Als Wipperoen en Snipper de Snakkers willen bevrijden van de wrede sultan, zullen ze enkel en alleen op zichzelf kunnen vertrouwen, zoveel is wel duidelijk.

Neocons

Het is onbekend of en, zo ja, welke invloed Wipperoen en het land van zand heeft gehad op de neoconservatieve kring rond Bush junior in de aanloop naar de laatste oorlog in Irak. (Ook sultan Boefoe werd – door toedoen van Wipperoen en Snipper – verjaagd, met als gevolg een opmerkelijke geestelijke wederopstanding van de dankbare Snakkers). Maar het mag duidelijk zijn dat de visie van de neocons op de bevolking van het Midden-Oosten veel overeenkomsten vertoont met die van de scheppers van Wipperoen. Het is ook bekend wie daar in belangrijke mate voor verantwoordelijk was: de beroemde – en in eigen vakkringen verguisde – Amerikaanse ‘Midden- Oosten-deskundige’ Bernard Lewis.

De inmiddels hoogbejaarde Lewis is een van de laatste, en tegelijk invloedrijkste vertegenwoordigers van de inmiddels onder specialisten zwaar in diskrediet geraakte oriëntalistische visie op het ‘statische’ Midden-Oosten. Volgens Lewis en zijn Nederlandse epigoon Hans Jansen wordt de moslimwereld al eeuwen gekenmerkt door stilstand, despotisme, slaafse volgzaamheid en een mysterieuze weerstand tegen westerse rationaliteit.

Daarenboven zijn moslims vooral bezig met het verleden, meent Lewis. Ze dromen liever van de oude glorietijden van de moslimwereld dan dat ze zich actief inzetten om hun huidige lot te verbeteren. En intussen geven ze – vanwege hun onvermogen tot introspectie en reflectie – anderen de schuld van hun armzalige Snakkerlot: het Westen en de Joden. Hoofdverantwoordelijk voor deze weinig constructieve houding, vinden Lewis en de zijnen, is de islam: een religie die al lange tijd geleden ‘de poort van het zelfstandig denken’ hermetisch heeft afgesloten.

De denkbeelden van de politieke islam staan ver af van de praktijk en theorieën van de traditionele, middeleeuwse islam

De enige manier om dit patroon te doorbreken – en hiermee maakte Lewis zich geliefd bij de neocons met hun heilige geloof in de Manifest Destiny van de Amerikanen – is een actieve voorbeeldrol van de westerling, die de moslim bij de hand neemt om hem vanuit de duisternis van de islam in de richting van de moderniteit te leiden. En gaat dit niet goedschiks, dan moet het maar kwaadschiks. Het doel heiligt immers de middelen. Vandaar dat zowel Lewis als Hans Jansen rond 2002 met zekerheid wist te vertellen dat Saddam Hoessein en Bin Laden onder één hoedje speelden tegen het Westen: zo kon de militaire straf- annex beschavingsmissie in Afghanistan worden doorgetrokken naar de rest van de ‘moslimwereld’, te beginnen met Irak.

De ‘wipperoense’ visie op de westerse rol in de moslimwereld van Lewis en de zijnen had echter al ruim vóór 11 september en de daaropvolgende Oorlog tegen het Terrorisme school gemaakt in onze Rustige Duinen. Lewis’ ideeën sluiten immers naadloos aan bij een specifiek Nederlandse beeldvorming van moslims die generaties teruggaat.

Zo is Nederland het land van de beroemde arabist Snouck Hurgronje, die aan het begin van de twintigste eeuw een eigen opvoedprogramma voor weerspannige moslims had opgesteld voor de koloniale regering in Nederlands-Indië. Met behulp van Snoucks ‘associatiepolitiek’, gebaseerd op wortel (beperkte godsdienstvrijheid) en stok (‘een zeer gevoelig slaan’), zouden de Indische moslims ‘de middeleeuwschen rommel, die de Islam reeds al te lang achter zich aansleept’ ras achter zich laten – meende de arabist in koloniale staatsdienst.

Dat de ideeën van Lewis juist in de jaren negentig en het begin van het nieuwe millennium aansloegen, laat zich gemakkelijk verklaren. Na de ineenstorting van het Oost-Europese communisme in 1989 was de grootste ideologische vijand van het Westen weggevallen. Zoals gewoonlijk na het verdwijnen van een externe vijand, worden de interne geschillen binnen een groep duidelijker zichtbaar: de te lang genegeerde tekortkomingen van de ‘multiculturele samenleving’ konden nu vrijuit opborrelen naar de oppervlakte van het Nederlandse publieke debat. Uiteraard was de Nederlandse migratieproblematiek niet fictief, maar het was hoogst opvallend dat de maatschappelijke problemen in toenemende mate op het conto werden geschreven van één specifieke ‘bevolkingsgroep’: de Nederlandse moslims.


Dit zie je eigenlijk meteen al gebeuren bij Frits Bolkestein, die in de jaren negentig als eerste het stilzwijgen over de multiculturele problematiek binnen de Nederlandse elite doorbrak. Met een beroep op Lewis’ en Jansens sterk ideologisch gekleurde visie op de islam hebben Bolkestein en geestverwanten als Paul Cliteur, Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali, Bart-Jan Spruyt en Paul Scheffer het Nederlandse immigratiedebat verengd tot een alarmistische antimoslimagenda.

Zo waarschuwde Bolkestein in 2004 in de volgende bewoordingen voor verdere moslimimmigratie: ‘De Amerikaanse islamkenner Bernard Lewis zei onlangs tegen Die Welt dat Europa aan het eind van deze eeuw in meerderheid islamitisch zal zijn. Hij stelde: “Europa zal een deel van het Arabische Westen zijn, van de Magreb. Migratie en demografie wijzen in die richting.”’ Diverse demografen hebben dit idee inmiddels ontkracht (zie kader), maar het opzetje voor Wilders retoriek over een ‘moslimtsunami’ was gegeven.

Salafisme

Hoogst tekenend voor het huidige islamdebat is Paul Scheffers Het land van aankomst uit 2008. Het boek werd gepresenteerd en ontvangen als een gematigde, waardevolle bijdrage aan de discussie over de multiculturele samenleving. Maar wie het leest komt er al snel achter dat het niet zozeer over migranten in het algemeen gaat als wel zich al snel toespitst op de bekende probleemgroep van moslimmigranten.

Daarbij passeren alle hierboven genoemde clichés over een starre, geïsoleerde islamcultuur de revue. Dat is niet zo vreemd: Scheffer blijkt zich inzake de islamitische geschiedenis bijna uitsluitend op de analyses van Lewis te baseren. En de enige arabist die hij in zijn nawoord bedankt is Hans Jansen.

In een onbedoeld hilarische passage haalt Scheffer zelfs Snouck Hurgronjes koloniale verheffingsmethodieken van stal, als lichtend voorbeeld voor een nieuwe Nederlandse assimilatiepolitiek. Instemmend Snouck citerend zet hij uiteen hoe de huidige ‘Mohammedanen’ tot ‘maatschappelijke evolutie’ kunnen worden gebracht, ‘ook boven het stelsel van hunnen godsdienst uit’. ‘De meeste moslims hebben het daar buitengewoon moeilijk mee,’ voegt Scheffer eraan toe.

De populariteit van ‘de islam’ en ‘de sharia’ in de huidige moslimwereld is boven alles een roep om rechtvaardigheid

Dat onze islamcritici eeuwenoude vooroordelen en anti-islamsentimenten onder de bevolking aanwakkeren en uitbuiten, betekent uiteraard niet dat alle Nederlandse zorgen over ‘moslims’ en ‘de islam’ volkomen ongegrond zijn. Zo is de wereldwijde populariteit van de politieke islam bijzonder verontrustend.

Maar het is een fundamentele misvatting om de politieke islam, in navolging van Lewis, Hirsi Ali, Scheffer enzovoort, te zien als enkel een striktere toepassing van de islamitische dogma’s. Bij een dergelijke interpretatie van de politieke islam is het immers nog maar een kleine stap om álle Nederlandse moslims, ongeacht hun culturele achtergrond en persoonlijke opvattingen, als een levensgevaarlijke vijfde colonne te beschouwen.

De politieke islam, ook wel neofundamentalisme, islamisme of salafisme genoemd, was het resultaat van een intellectuele revolutie in de islamitische wereld die werd ingezet in de negentiende eeuw en vergelijkbaar is met onze Reformatie. Zij is dus vóór alles het resultaat van veranderingen in de islamitische wereld – en niet van een star vasthouden aan de tradities van een Platgetreden Snakkerpad.

De denkbeelden van de politieke islam staan ver af van de praktijk en theorieën van de traditionele, middeleeuwse islam. Het is in essentie een protest tegen de gevestigde orde: de sinds de negentiende eeuw sterk verwesterde, corrupte bovenlaag van de huidige moslimsamenlevingen. Slechts in tweede instantie richt de haat van de politieke islam zich op de veronderstelde steunpilaren van die inheemse machtselite: het Joodse Israël en de westerse democratieën.

Zo moeten we ook de toenemende roep om ‘de sharia’ onder moslims beschouwen als een roep om verandering: ze is niet gebaseerd op enige kennis van de traditionele islamitische wet, die in slechts weinig lijkt op de ‘sharia’ die de rancuneuze populisten van de politieke islam willen invoeren. De populariteit van ‘de islam’ en ‘de sharia’ in de huidige moslimwereld is boven alles een roep om rechtvaardigheid, die moslims niet terugvinden in de moslimsamenlevingen die wereldwijd – ja, ook in Saudi-Arabië en Iran – zijn ingericht op basis van westerse modellen van rechtspraak en staatsmacht.

Maar omdat men in het Westen nu eenmaal besloten heeft dat het Oosten niet zelfstandig tot intellectuele verandering in staat is, kan men de grote politieke, ideologische en theologische verschuivingen in de moslimwereld niet op waarde schatten. De politieke islam kán in westerse ogen niet anders zijn dan het resultaat van nog starder vasthouden aan een religie die in zichzelf al statisch en intolerant is.

En dus zijn alle Nederlandse moslims potentiële vijanden van het ‘vrije Westen’. Tenminste, zolang zij niet, aan de goedgunstige hand van hun westerse verheffers, ‘boven het stelsel van hunnen godsdienst’ weten uit te stijgen. Zo creëer je inderdaad, om Scheffers eigen woorden aan te halen, ‘een wereld zonder nooduitgang’.

Commentaar Maarten van Rossem

‘Ik ben enorm overtuigd van de wervende kracht van de westerse cultuur. Iedereen wil een i-pod, een Volkswagen en een breedbeeldtelevisie. Alleen al daarom geloof ik dat het met de islamisering wel los zal lopen. De moord op Theo van Gogh, die ik goed kende, was het werk van een individuele gek. Het idee dat er een vijfde colonne van moslims klaarstaat om in Nederland de macht over te nemen, is op niets gebaseerd.’ 

Uit Maarten! 2009 winter

 

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.