Spreek toch Nederlands! Pleidooi tegen steenkolenengels aan de universiteit

Spreek toch Nederlands! Pleidooi tegen steenkolenengels aan de universiteit

DOOR BART DE KONING

dinsdag 23 januari 2018
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Nederlandse universiteiten voeren het Engels in hoog tempo in als standaardtaal - van de bordjes op de gangen tot de voertaal op colleges. Bestuurders zeggen dat het nodig is om mee te kunnen in een globale economie. Maar wetenschappers, schrijvers en filosofen maken zich grote zorgen: de Nederlandse taal verkommert, terwijl we ons in onbeholpen globish verstaanbaar moeten zien te maken.

Uit Maarten! 2015-4

Vroeger moest je als Nederlander naar België als je met eigen ogen een taalstrijd wilde zien. Staan de plaatsnamen in één, twee of drie talen (in het Duitse deel in de Ardennen) op de borden? Waar wordt Brussel Bruxelles en Duinkerke Dunkerque? Welke taal mag boven? Is een van de bordjes met een spuitbus onleesbaar gemaakt? Het zijn allemaal aanwijzingen die duidelijk maken wie het op welke plek voor het zeggen heeft. Nederlanders hebben er altijd met een mengeling van meewarigheid en verbazing naar gekeken. Voor veel Belgen – zeker Vlamingen – zijn het kwesties van levensbelang.

Wie vandaag de dag de subtiele machtsverhoudingen tussen talen wil zien, hoeft het land niet meer uit. We hebben nu onze eigen taalstrijd: die tussen het Nederlands en het Engels in de academische wereld. Zo startte filosoof Ad Verbrugge in juni een offensief tegen de opmars van het Engels in het hoger onderwijs. Hij is niet de eerste; de afgelopen jaren gingen schrijvers als René Appel en Daniël Rovers hem al voor. Oktober vorig jaar publiceerden de universitair docenten Lucinda Dirven, Emilie van Opstall, Mieke Koenen en Piet Gerbrandy Een manifest tot behoud van het Nederlands. Hun bezwaren zijn in grote lijnen hetzelfde als die van Verbrugge.
 

Tenenkrommend


Verbrugge begon zijn opinieartikel in NRC Handelsblad met het voorbeeld van Tilburg University, waar niet alleen de naam van de universiteit Engels is geworden, maar ook alle gebouwen (zoals Dante Building) én de bordjes (You are at Ground Floor). Deze bordjes zijn volgens Verbrugge een statement dat duidelijk moet maken dat de bezoeker zich op internationaal terrein bevindt, waar nationale taal en cultuur er niet meer toe doen. Ook de paneldiscussie, waarvoor Verbrugge in Tilburg moest zijn, was in het Engels. ‘Gezien de achtergrond van de deelnemers was Nederengels het hoogst haalbare – ook voor mezelf trouwens.’

Het is voor veel studenten én docenten een herkenbare en tenenkrommende ergernis: een zaal vol met Nederlanders die zich gedwongen zien in steenkolenengels met elkaar te communiceren. En dat is alleen nog maar het zicht- en hoorbare leed: de studenten moeten hun papers ook nog in het Engels schrijven; de docenten moeten zich erdoorheen worstelen.

Verbrugge, die als voorzitter van Beter Onderwijs Nederland al jaren strijdt tegen de verloedering van het onderwijs, maakt zich ernstige zorgen over die verengelsing. Hij is op zich niet tegen het gebruik van Engels – dat zou voor een wetenschapper in de eenentwintigste eeuw uiteraard een onhoudbaar standpunt zijn –, maar wel tegen de manier waarop universiteiten het nu doen: ondoordacht, massaal, modieus, met commerciële bedoelingen en met verwaarlozing van het Nederlands. ‘Door de sterke technisch-economische horizon van ons hoger onderwijs en de afwezigheid van een duidelijk vormingsideaal is de universiteit uit het oog verloren dat haar maatschappelijke taak mede bestaat uit het bewaren van cultuur en het revitaliseren en doorgeven daarvan,’ zo schrijft Verbrugge. ‘De cultivering van taal en de kunst van het vertalen maken daar van oudsher een integraal deel van uit.’

Veel studenten, vooral van allochtone afkomst, beheersen het Nederlands al niet eens behoorlijk als ze aan hun studie beginnen. De universiteit besteedt daar verder ook geen serieuze aandacht aan. In plaats daarvan moeten de studenten voortdurend Engels gebruiken. Omdat de universiteiten het klassieke vormingsideaal allang verlaten hebben, gebruiken ze geen gecultiveerd Engels maar globish, ‘een uitgekleed Engels’, in de woorden van Verbrugge, ‘dat bestaat uit zo’n vijftienhonderd woorden met een simpele grammatica. Dit globish is geen cultuurtaal, maar de lingua franca van de globalisering die zich bij uitstek leent voor het internationale handelsverkeer en voor de informatie-uitwisseling in wetenschap en techniek waarin talige rijkdom, eigen stijl, gelaagdheid en nuances geen rol van betekenis spelen.’

Met het argument dat Engels nodig is omdat de wetenschap internationaler wordt, veegt Verbrugge de vloer aan: de meeste studenten komen helemaal niet in de wetenschap terecht, maar in het bedrijfsleven, onderwijs of bij de overheid. Een week na zijn eerste stuk in de NRC publiceerde hij met een grote groep academische medestanders Het groot manifest der Nederlandse taal met tien actiepunten om onze taal te redden.
 

Hoeders van de moedertaal


Verbrugge kreeg veel bijval, maar ook kritiek, bijvoorbeeld vanuit Tilburg. Wie eind juni de site van de universiteit – pardon, university – bezocht, kwam midden in die taalstrijd terecht. Alsof je precies op een taalgrens staat, maar dan online. Zijn we hier in Nederland of virtueel in het buitenland? Boven aan de homepage staat naast ‘Tilburg University’ het motto ‘Understanding Society’. De rest van de pagina heeft Nederlands als voertaal, maar is zo doorspekt met Engelse termen dat het ook voor buitenlanders die geen woord Nederlands spreken heel aardig te volgen is. Zo gaat het Tilburg Research Magazine over Big Data en is er een Zorgsalon eHealth. Twee links gaan over taal: ‘Duitse taal stimuleert duurzaam ondernemen meer dan het Engels,’ zo meldt een persbericht over een promotie. En er staat een reactie van Willem B. Drees op het opiniestuk van Verbrugge: ‘Engels en Nederlands voertaal bij Humanities.’

Willem Drees (zoon en kleinzoon van) is hoogleraar ‘filosofie van de humanities’ en dean van de Tilburg School of Humanities, en hij geeft Verbrugge flink van katoen: ‘Wij zijn ook hoeders van de moedertaal. In Tilburg leiden we leraren Nederlands op, en juristen die in de Nederlandse praktijk gaan werken. Maar vorming (of “Bildung” bij Ad Verbrugge – hoezo Nederlands?) is wel vorming voor de wereld van vandaag en de komende decennia. Een misverstand, ook bij Verbrugge, is dat het Engels vooral bevorderd wordt omdat de wetenschap zelf internationaler wordt. Dat is zo, maar het belang van het Engels heeft iets met de wereld te maken. Veel studenten zullen gaan werken bij bedrijven, overheden en organisaties waar Engels minstens even belangrijk is als het Nederlands.’

Dat het belang van andere talen, zoals Nederlands, Frans en Duits, afneemt is nu eenmaal een gegeven, stelt Drees. ‘De prominente rol van het Engels geeft een voorsprong aan Engelsen en Amerikanen, en aan universiteiten en bedrijven die daar gevestigd zijn. Dat is niet eerlijk, zei Calimero. De wereld is niet rechtvaardig. […] De dominantie is zelf niet wenselijk, maar het is wel een gegeven.’ Daarom kiest Drees vaak voor Engels: ‘Door mijn rede in Tilburg in het Engels te houden, was die toegankelijk voor de niet-Nederlandse studenten, promovendi en medewerkers die er zijn. […] Ik deed het ook in het Engels omdat mijn rede zo een bescheiden bijdrage kon zijn aan een internationale discussie over de aard en relevantie van de humanities.’
 

Meetellen


Daar heeft Drees een paar sterke punten te pakken. Engels is natuurlijk niet alleen in de wetenschap, maar ook in de politiek, economie, media, film en in games dominant. Dat gaat inmiddels heel ver. China is bijvoorbeeld al jaren gefrustreerd over de macht die westerse landen – vooral de Verenigde Staten – uitoefenen bij het IMF en de Wereldbank. China heeft daarom zelf onlangs zijn eigen Asian Infrastructure Investment Bank opgericht, waar veel westerse landen, waaronder Nederland, sinds april lid van zijn. Hoewel de Chinezen de Investment Bank bedacht hebben, zelf het meeste geld inbrengen en er ook de baas zijn, hebben ze als voertaal Engels gekozen. Zelfs het land met de snelst groeiende economie en de grootste bevolking ter wereld moet zich erbij neerleggen dat Engels nu eenmaal de internationale voertaal is. Ook als je machtige Angelsaksische instituties wilt beconcurreren, zit je nóg aan het Engels vast.

13 universiteiten geven Engelstalig onderwijs, en 39 hbo-instellingen

Wie internationaal nog wil meetellen, kan dus niet om het Engels heen – en dat geldt ook voor de tegenstanders van het dominante Angelsaksische denken in economie en wetenschap. Als Willem Drees in zijn oratie in het Nederlands een lans zou breken voor de humaniora, door de waarde van filosofie en letteren ten opzichte van economie en techniek te verdedigen, dan heeft hij hoogstens een paar honderd toehoorders in de zaal plus nog een handjevol dat zijn rede downloadt. Onder de titel ‘Naked Ape or Techno Sapiens? The Relevance of Human Humanities’ kan in principe de hele wereld het lezen.

Dit is geen triviaal probleem. Een van de ondertekenaars van Het groot manifest der Nederlandse taal is hoogleraar immunologie Frank Miedema van het Universitair Medisch Centrum Utrecht, die tevens voorman is van Science in Transition. Deze beweging verzet zich tegen het doorgeschoten rendementsdenken op de universiteiten en is daarmee een natuurlijke bondgenoot van Verbrugge en zijn Beter Onderwijs Nederland. Ook zij ontkomen er niet aan hun beweging een Engelse naam te geven en een Engelse vertaling van hun eigen doelstellingen op hun site te zetten, ondertekend met Frank Miedema van het University Medical Center Utrecht. Dat is niet bedoeld als flauwe jij-bak, maar eenvoudigweg een weergave van de werkelijkheid. Het doet er niet zo veel toe of je nu voor of tegen globalisering of rendementsdenken bent, als je invloed op die ontwikkelingen wilt uitoefenen, zal dat internationaal moeten. En dus in het Engels.
 

Underdog


Het maakt tegelijk duidelijk hoe complex de taalstrijd is. Het gaat niet alleen om bordjes of colleges in het Engels – net zo goed als dat het een Vlaming ook niet alleen om de zichtbare taaluitingen te doen is. Het gaat om bescherming van een eigen cultuur, een eigen identiteit, een Weltanschauung. En net als in de Belgische taalstrijd zijn het de underdogs die zich opwinden: de Vlamingen die de taalgrens zagen oprukken, die Luik in Liège en Atrecht in Arras zagen veranderen, die gekleineerd werden door de Franstalige elite.

En zoals flaminganten vaak niet helemaal serieus genomen worden, zo lopen ook de verdedigers van het Nederlands op de universiteiten het risico bespot te worden. ‘“Dat is niet eerlijk,” zei Calimero’, zoals Drees sneerde over Verbrugge. Universitair docent Rudi van Etteger (Wageningen) maakte de voorkeur voor Nederlandstalig onderwijs belachelijk in een ingezonden brief in de NRC: ‘Persoonlijk ga ik liever naar een dokter die zijn wetenschappelijke literatuur op orde heeft dan naar een die mij in sprankelend Nederlands kan uitleggen dat hij niet weet wat er met me aan de hand is en hoe hij me moet genezen. Wetenschappelijke literatuur wordt nu eenmaal niet alleen in Nederland gepubliceerd, en niet alle goede artikelen worden in het Nederlands vertaald.’

Dat is een karikatuur: wie zich verdiept in het gedachtegoed van Verbrugge en zijn geestverwanten ziet dat ze er veel genuanceerder tegenaan kijken. Ze hebben niets tegen het gebruik van Engels als het functioneel is. Het mag alleen niet klakkeloos gebeuren, onder gemakzuchtige verwijzingen naar globalisering, internationalisering of het scoren op een ranking.
 

Globish


De discussie gaat ten diepste niet over taal, maar over de kwaliteit van het onderwijs. De kwaliteit van het talenonderwijs en de beheersing van het Nederlands en andere talen zijn de laatste decennia flink achteruitgekacheld. Frans en Duits zijn dramatisch weggezakt. Nu beheersen veel studenten in feite geen enkele taal echt goed. Ze redden zich soepeltjes in globish en babbelen vlot in het Nederlands, maar dat is nog iets anders dan die talen ook echt beheersen. Docenten klagen massaal over de gebrekkige taalvaardigheid van scholieren en studenten – mede veroorzaakt door de vele multiplechoice-examens – daarvan leren ze niet om goed te schrijven en te spreken of goed onderbouwd te argumenteren. Het probleem zit dieper dan alleen slechte beheersing van de taal. Er moet dus behalve voor taalbeheersing meer aandacht komen voor algemene ontwikkeling, Bildung, kritisch zoeken en lezen, argumenteren, het opbouwen van een logisch betoog, het houden van een inhoudelijk sterke en overtuigende presentatie.

Op of naast die brede, taalkundige basis komt dus het Engels – althans voor verreweg de meeste scholieren en studenten, want Frans en Duits zijn naar de marge gedreven. Daarmee blijft overigens een groot deel van de Europese cultuur buiten bereik van Nederlanders: denk aan films, filosofie en literatuur. Hoewel Duitsland onze belangrijkste handelspartner is en de grootste en sterkste economie van Europa, zul je in de boekwinkels tevergeefs zoeken naar Duitse boeken over economie of management. Alsof er ten oosten van Lobith niet één econoom, ondernemer of consultant is die ons iets kan leren. Dat is zeker te betreuren, maar er is weinig aan te doen. De internationale dominantie van het Engels is een gegeven, ook voor Nederlandse wetenschappers.
 

De cruciale vraag is dan natuurlijk hoe groot de rol van het Engels moet zijn. Het uitgangspunt moet zijn dat universiteiten zich gewoon houden aan de Wet op het Hoger Onderwijs, artikel 7.2: ‘Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands.’ Verreweg de meeste studenten en docenten zijn gewoon Nederlands. Ze horen dus ook in die taal met elkaar te praten en niet geforceerd in het Engels, omdat dat nu eenmaal moet van het College van Bestuur. Van het Nederlands mag alleen afgeweken worden als er een goede reden voor is. Dat is zeker niet alleen een defensieve, angstige strategie. De Nederlandse taal en cultuur zijn sterk en vitaal, en zeker ook interessant voor buitenlanders. Inmiddels is zo’n 9 procent van de studenten aan Nederlandse universiteiten van buitenlandse afkomst. De top-drie bestaat uit Duitsers, Chinezen en Belgen – die Engels dus ook niet als moedertaal hebben.

De buitenlandse studenten kosten de Nederlandse schatkist tijdens hun studie geld. Het Centraal Planbureau becijferde in 2012 al dat als zo’n 20 procent na hun studie in Nederland blijft, dat de staat jaarlijks 740 miljoen euro oplevert, omdat hoogopgeleide en getalenteerde academici nu eenmaal flink bijdragen aan de economie. Uit cijfers van de Nuffic, de Nederlandse organisatie voor internationalisering in het hoger onderwijs, blijkt dat inderdaad zo’n 20 procent hier blijft hangen.

Het merkwaardige is dat sinds Pim Fortuyn het beleid er sterk op gericht is om allochtonen Nederlands te laten spreken. Voor hoogopgeleide expats en studenten doen we het precies andersom. Zij klagen er vaak over dat ze hier de kans niet eens krijgen om onze taal te leren, omdat Nederlanders direct op Engels overschakelen. Dat betekent niet dat we buitenlandse studenten moeten dwingen om Nederlands te spreken, maar we zouden ze minstens de kans moeten bieden om kennis te maken met onze taal en cultuur – bijvoorbeeld door colleges in het Nederlands aan te bieden.
 

Retoriek


Hoe goed Nederlandse studenten en wetenschappers Engels moeten spreken verschilt van geval tot geval. Het hoeft niet perfect te zijn naar de standaard van Oxford en Cambridge, maar goed genoeg om je in de wereld verstaanbaar te maken, schrijft Willem Drees, ‘en de lat voor goed genoeg ligt hoger naarmate je meer kansen hebt gekregen, dus van universitair opgeleiden mogen we meer vragen’.

Native speakers zijn per definitie in het voordeel, omdat ze de taal moeiteloos beheersen. Wie met hen in de wereldtop wil meedraaien – zeker in talige vakken, zoals filosofie of geschiedenis – heeft niet genoeg aan Nederengels en zal intensieve taallessen moeten volgen. Ambitieuze leerlingen beginnen daar al mee op de middelbare school. Voor anderen is een redelijke beheersing genoeg. Een promovendus natuurkunde die zo nu en dan een presentatie moet houden met veel vergelijkingen en grafieken, zal zich met Nederengels kunnen redden.

Wie door de retoriek van de taalstrijd heen kijkt, ziet dat Verbrugge en Drees uiteindelijk niet zo ver uit elkaar liggen. ‘Het Nederlands is voor mij ook belangrijk en de taal is mij dierbaar,’ schrijft Drees. Hij memoreert dat Tilburgse collega’s het afgelopen jaar in het Nederlands mooie boeken over Harry Mulisch en Piet Mondriaan hebben geschreven. ‘We moeten niet kiezen, maar beide doen, want de wereld is een lappendeken; onze studenten hebben verschillende wensen en perspectieven. We zijn geen eiland; er is geen homogeniteit. Daarom: Engels én Nederlands in de humanities, al naar de aard van de opleiding.’

Maarten: ‘Ik hang erg aan de Nederlandse taal en de laatste jaren dat ik aan de universiteit werkte, heb ik me kapotgeërgerd aan de verengelsing. Ik moest werkstukken nakijken in een kreupel Swahili dat voor Engels moest doorgaan. Waarom laten we die studenten niet gewoon in het Nederlands schrijven? Het grootste deel wordt later chef Plantsoenendienst in Roermond, of iets dergelijks. Het is nergens goed voor als zij onderling en met hun Nederlandse docenten steenkolenengels praten.’

Uit Maarten! 2015-4
 
dinsdag 23 januari 2018

Gerelateerde artikelen

Nederland, een heel normaal land

woensdag 17 januari 2018

Maarten van Rossem toetst het onderwijs

donderdag 4 januari 2018

‘Nieuws bevuilt je wereldbeeld’

woensdag 6 december 2017