Beatrice de Graaf over de drijfveren van terroristen

DOOR HANS AVERDIJK

Het is een vraag die velen zich stellen na een aanslag: wat drijft terroristen om dit gruwelijke geweld te plegen? In haar nieuwste boek Radicale verlossing presenteert historicus en terrorismedeskundige Beatrice de Graaf een raamwerk om de drijfveren van terroristen beter te begrijpen.

Voor haar onderzoek sprak ze met 23 terrorismeveroordeelden in de gevangenis, zowel Nederlandse Syriëgangers, rechts-extremisten als Indonesische jihadisten. Ze kwam erachter dat veel terroristen op zoek zijn naar verlossing voor een hoger doel. ‘Er is te weinig aandacht voor religie als een autonome factor.’

Louise Richardson schrijft in haar boek What Terrorists Want dat terroristen drie belangrijke motieven hebben: revenge, renown en reaction (wraak, roem en reactie). U voegt daar een vierde R van radical redemption, of radicale verlossing, aan toe. Wat bedoelt u hiermee?

‘Het gaat terroristen inderdaad om wraak, roem en het uitlokken van een reactie. Maar ook het willen verlossen van jezelf en de ander voor een hoger doel, voor een god of gemeenschap, is een sterke motiverende kracht. Dat gaat verder dan alleen maar wraak nemen. Veel van de jongens die ik sprak waren niet wraakzuchtig en niet alleen op zoek naar roem. Sommigen kwamen echt tot hun daden om hun zonden af te wassen. Dat betekent dat er een vierde motief is: radicale verlossing.’

Hoe kwam u tot dit begrip van radicale verlossing?

‘Ik ben mij in terrorisme gaan verdiepen in 2004, het jaar van mijn promotie. In dat jaar werd Theo van Gogh vermoord. Ik stoorde me al snel aan de manier waarop het debat over zijn dood verliep. Aan de ene kant waren er de populistische en conservatieve partijen die zeiden: het ligt allemaal aan de islam. Dat idee klopte niet, want dan zouden er veel meer terroristen moeten zijn. Aan de andere kant had je wetenschappers die de oorzaak zagen in uitbuiting, armoede, uitsluiting en vervreemdingsprocessen. Maar als wetenschapper moet je het object van je studie wel serieus nemen. En als je object van studie, in dit geval een terrorist, zegt dat hij zijn leven wil geven voor God of de volksgemeenschap, waarom zou je dat dan niet geloven?

‘Handelen naar overtuiging is echt een eigen factor in de geschiedenis.’

In de wetenschappelijke benaderingen vond ik dat er te weinig aandacht was voor religie als een autonome factor. Wetenschappers beweren vaak dat de islam niets te maken heeft met aanslagen. Ze stellen dat er gewoon een stickertje “religie” wordt geplakt op gewone criminaliteit. Ik denk dat dat niet klopt, het is meer dan dat. Zo kwam ik uiteindelijk bij het begrip verlossing terecht.’

Er is dus te weinig aandacht voor de kracht van geloofsopvattingen.

‘Ik denk dat wij in onze seculiere samenleving fenomenen snel reduceren tot geld en macht. We begrijpen niet dat voor veel mensen het hogere een autonome factor kan zijn. Zij worstelen met ideeën over zonde, schuld en moreel tekort. Mensen denken toch vaak dat terroristen aanslagen plegen omdat ze arm zijn of omdat ze worden gediscrimineerd. Ik denk dat het niet alleen maar over armoede en uitsluiting, geld of macht gaat. Overtuiging, en dus ook handelen naar overtuiging, is echt een eigen factor in de geschiedenis.

Het is natuurlijk moeilijk om dit te onderzoeken. Je kunt zien waar geld vandaan komt en je kunt zien welke partij er aan de macht is. Maar hoe kom je erachter of iemand worstelt met zijn morele tekort? Daarvoor moet je de daders spreken en hun uitlatingen serieuzer nemen. Mijn boek is dan ook een pleidooi voor meer onderzoek naar dit eerste persoonsperspectief.’

Voor dit boek heeft u zelf met een aantal terrorismeveroordeelden gesproken. Hoe heeft u hen uitgekozen?

‘Toen ik begon met het onderzoek zaten er 36 terrorismegedetineerden in de Nederlandse gevangenis. Ik dacht: ik vraag het Ministerie van Justitie toestemming en ga daarna kijken wie er met mij wil praten. Het ging er dus vooral om wie van de gevangenen mij wilde spreken. Uiteindelijk ben ik met 23 van de 36 in contact geweest.’

Hoe heeft u hun vertrouwen gewonnen?

‘Je weet nooit helemaal zeker of ze je vertrouwen, misschien willen ze jou wel gebruiken. Het belangrijkste is dat je de ruimte schept voor het gesprek. Je moet de tijd nemen, terug komen, soms ook iets van jezelf laten zien, bruggetjes slaan en de juiste gesprekstechnieken toepassen. Ook moet je ze laten zien waarom het voor hen van belang kan zijn om hun verhaal aan jou te vertellen. Het zijn allemaal methodes van oral history, die ik ook heb toegepast bij de terrorismegedetineerden. Dat werkte wonderbaarlijk genoeg heel goed. Sterker nog: toen ik op een gegeven moment vier of vijf van hen had gesproken, raakte dat binnen de gevangenis bekend. Toen hoorde ik via een advocaat en een andere gedetineerde: “Er zijn hier nog meer die willen dat je met hen gaat praten, en zij hebben nog een veel beter verhaal te vertellen.” Het leek wel een soort statussymbool voor de gevangen om met mij te praten.’

‘Het leek wel een soort statussymbool voor de gevangen om met mij te praten.’

Zijn er meer redenen dat ze graag met u wilden praten?

‘Bijna iedereen praat graag over zichzelf. Sommigen zoeken aandacht, willen hun daden rechtvaardigen of mensen van hun onschuld overtuigen. Als je in de gevangenis zit en weinig aanspraak hebt, is een interview bovendien een welkome onderbreking van je dagindeling.

Ik heb de gedetineerden gezegd dat ik eerlijk en open in de gesprekken stond. Ik heb ze laten zien hoe ik de interviews heb uitgeschreven en wat ik ervan heb gebruikt. Dat mochten ze vervolgens weer becommentariëren. Daar zitten wel haken en ogen aan, want eigenlijk geef je jouw gesprekspartner het recht om jouw schrijven over hem te beïnvloeden. Dat was soms lastig. Ik moest echt onderhandelen over wat er wel en niet in mocht. Toch heb ik het op deze manier gedaan, zodat de gedetineerden er vertrouwen in hadden dat wat ik over hen opschreef ook in overeenstemming was met wat zij wilden. En bij degenen die dat niet wilden, heb ik ofwel hun verhaal weggelaten, of het volledig opgeknipt en gepseudonimiseerd.’

Hoe hielp uw achtergrond als historicus bij deze interviews?

‘Historici weten dat oral history de meest onbetrouwbare vorm van geschiedschrijving is. Je kunt een bron nooit zomaar op zijn blauwe ogen geloven. Je moet daarom altijd aanpalend materiaal hebben. Ik wist bijna alles van de gedetineerden dankzij hun dossiers en kon hen daar ook op wijzen. Ze konden mij daardoor niets op de mouw spelden.

Voor een eerder onderzoek heb ik ook nazi-veteranen gesproken. En voor mijn proefschrift met Stasi-officieren. Zij beseften ook wel dat ze op hun hoede moesten zijn en probeerden me destijds dingen wijs te maken. Dat gold vooral voor de Stasi-officieren, die daarin waren getraind. Daardoor had ik al de nodige ervaring met mensen die deel uitmaakten van een gesloten, ideologisch systeem, en die daarna erg op hun hoede waren. Die je dus niet zomaar kunt geloven.’

Welk verhaal heeft de meeste indruk op u gemaakt?

‘Ieder verhaal maakte indruk. Als je diep ingaat op waarom iemand terrorist wordt of zich laat meeslepen in het plegen van een aanslag, kom je extreem heftige verhalen tegen. Het kostte me veel emotionele energie om die verhalen aan te horen en er daarna weer van los te komen. Wat ik ook indrukwekkend vond, is hoe logisch de verhalen soms klinken als je daders spreekt. Hun radicalisering gaat stapje voor stapje: het is een opeenstapeling van verkeerde keuzes waarbij iemand helemaal de weg kwijtraakt. Dat vond ik schokkend.

Ik vond het bijvoorbeeld dramatisch hoe een paar Marokkaanse jongens in Nederland werden meegesleept in het terrorisme. Ze waren een beetje aan het blowen, zaten in de kleine criminaliteit, hadden foute vrienden en werden plots op het internet gerekruteerd. Ze kregen geld in handen en vertrokken via Duisburg naar Syrië. Het kan heel makkelijk gaan.’

Bij dat laten meeslepen is ook de rol van sociale media belangrijk. Geven die een nieuwe dimensie aan het huidige terrorisme?

‘Als je kijkt naar de grote golven van terrorisme in de geschiedenis, dan vielen die stuk voor stuk  samen met nieuwe informatie- en communicatietechnologieën. De anarchisten maakten bijvoorbeeld gebruik van de opkomst van de goedkope pers, van dramatische kranten en snelle bootverbindingen. En de anti-koloniale terroristen maakten gebruik van de radio en automatische wapens. De huidige golf terroristen maakt onder meer gebruik van sociale media en van geïmproviseerde explosieven. Dus wat is er nieuw? Ik denk dat er wel degelijk een discontinuïteit is. De sociale media van nu voegen een nieuwe kwalitatieve dimensie aan terrorisme toe.

‘Ze zagen een meme of een filmpje van IS en radicaliseerden daarna heel snel.’

Het internet heeft ervoor gezorgd dat veel bredere demografische groepen zich aansluiten bij het terrorisme dan voorheen. Dat is nieuw. Daarnaast gaat radicalisering nu veel sneller. Vroeger moest je eerst teksten lezen en uitpuzzelen. Kijk maar naar de Hofstadgroep die eind jaren ’90 radicaliseerde. Zij lazen samen teksten en studeerden Arabisch. Dat kostte tijd. De generatie van nu en de mannen die ik heb geïnterviewd kenden – op een enkeling na – de Koran niet uit hun hoofd en spraken geen Arabisch. Ze zagen een meme of een filmpje van IS en radicaliseerden daarna heel snel.

Een van de jongens die ik sprak, zei: “Ik zat altijd een beetje te surfen op internet, en ik vond altijd heftige filmpjes leuk. Toen kwam ik bij de filmpjes van IS terecht en dat waren de beste filmpjes, dat was Hollywoodkwaliteit. En daar wilde ik wel bij horen.” Ze reageerden erop alsof het een computerspelletje was. Dat zijn een aantal indicaties dat sociale media echt een breuk vormt met het verleden. Die nieuwe mediapraktijken bestaan nog niet heel lang, dus de vraag is wat het nog meer gaat veroorzaken.’

U schrijft dat de ‘orthopraxis’, het zuivere handelen, de sleutel is tot het begrijpen van het geloof en het geweld van terroristen. Hoe verschilt orthopraxis van religie?

‘Je kan bij het bestuderen van religie kijken naar dogma’s, naar wat mensen inhoudelijk geloven. Maar je kunt religie ook bestuderen op een antropologische manier. Dan kijk je niet zozeer naar wat er tussen de oren zit van mensen, maar naar wat ze doen. In de terrorismewetenschap doen mensen vaak het eerste, als ze al iets doen met religie. Ze gaan er daarbij veelal vanuit dat de religie, bepaalde religieuze denkbeelden, geschriften en overtuigingen rechtstreeks tot geweld leiden. Dat vind ik historisch en empirisch niet overtuigend. Het heeft niet veel zin om naar de Koran of de theologie van moslims te kijken. De terroristen die ik sprak, hadden ook vrijwel geen uitgewerkte theologie. Dat wil niet zeggen dat ze niet gelovig zijn, maar geloof bestaat uit meer dan een aantal abstracte essentialistische dogma’s. Daarom kijk ik op een antropologische manier naar het handelen binnen het geloof: de praxis.

In die praxis openbaart zich wat mensen geloven. Ik keek voor mijn onderzoek naar de orthopraxis: het zuivere handelen. Religieuze terroristen, maar ook rechts-extremistische terroristen, nemen elkaar de maat over wat de meest zuivere handeling is. Hoe lang moet je baard zijn, wat voor gebeden moet je wanneer uitspreken? Wanneer moet je de wapens opnemen om je gemeenschap te verdedigen, en wie mag je dan aanvallen en wie niet? En op welke manier? Als je soms zo’n online discussie volgt, begint het met baarden en eindigt het met de meest radicale oproepen tot ‘zuiver handelen’. Als je kijkt naar de orthopraxis, kom je op een empirisch betrouwbaardere manier dichter en sneller bij wat terroristen drijft dan wanneer je kijkt naar de ideeën uit negende-eeuwse hadith.’

‘Terroristen nemen elkaar de maat over wat de meest zuivere handeling is.’

U schrijft dat terroristen vaak teleurgesteld zijn en inzien dat ze fout zaten zodra ze hun gehoopte verlossing niet bereiken. Biedt dit aanknopingspunten voor deradicalisering?

‘Ten eerste moeten we dat proces van radicale verlossing en van het uiteenrafelen van dat verhaal in een proces van bederf onderkennen. Er is namelijk nog veel onwetendheid en onbegrip over terroristen. Vaak denken mensen dat daders in de gevangenis nog steeds gevaarlijk zijn, terwijl de recidive onder terroristen heel laag is. Gemiddeld gaat 50 procent van de criminelen opnieuw de fout in, bij terroristen is dat slechts 4 tot 5 procent. Die laatste procent kan nog steeds heel gevaarlijk zijn, maar het betekent wel dat je dus een zeer zorgvuldig, en op maat gemaakt proces van deradicalisering en uittrede moet ontwerpen.

Hoe moeten we dan op deradicalisering sturen? Op basis van gesprekken met mensen kun je inventariseren of ze een gevoel van bitterheid en teleurstelling hebben. Dat wijst erop dat iemand niet snel bereid zal zijn om opnieuw geweld te plegen. Omgekeerd kan natuurlijk ook. Twee van de 23 terroristen die ik sprak, vertelden mij dat ze zó opnieuw een aanslag zouden plegen om meer punten te verdienen. Zij hadden duidelijk nog geen afstand genomen van hun daden en voelden geen verbittering. Ik kwam er al na een paar gesprekken achter dat dat zo was. Dat kan de reclassering natuurlijk ook.’

Zou u voor verder onderzoek meer aanslagplegers willen spreken?

‘Ik moet er nog even over nadenken wat ik nu ga doen. Ik volg het afgelopen decennium twee lijnen van onderzoek: ik houd me bezig met veiligheid en conflict in de vroege negentiende eeuw en met het terrorisme van nu. En ik vond dit een heftig boek om te schrijven. De gang naar de gevangenis vond ik op een gegeven moment best deprimerend. Ik heb daar nu natuurlijk nog contacten en lijnen uitstaan en ik zou Gökmen T. en ook Mohammed B. nog willen spreken. Ik denk ook wel dat ik dat ga proberen, maar voor nu ben ik er even klaar mee. Voorlopig ga ik weer lekker terug naar de negentiende eeuw.’

__

Beatrice de Graaf is historicus en faculteitshoogleraar Geesteswetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Ze onderzoekt de geschiedenis van terrorisme, oorlog en geweld en is vooral geïnteresseerd in de strijd daartegen. Ze treedt regelmatig op als terrorisme-expert in de media.

 

Radicale verlossing. Wat terroristen geloven. 

Beatrice de Graaf, Uitgeverij Prometheus, 384p, €29,99.

Bestel in onze webshop

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.