Een droomwereld van trapgevels

Meer kantelen? Een toren of een trapgevel extra? In de negentiende eeuw draaiden architecten hun hand er niet voor om. Als ze een oud gebouw restaureerden probeerden ze het niet te herstellen, maar te verbeteren. Daarbij gingen ze uit van een geïdealiseerd verleden.

Door: Vincent van Rossem

Uit: Maarten! #2-2020. Bestel het nummer hier

Liefhebbers van Prinsjesdag realiseren zich waarschijnlijk niet dat de imposante middeleeuwse houten kap van de Ridderzaal dateert uit 1905. De originele kap uit de dertiende eeuw was in 1861 vervangen door een moderne gietijzeren constructie. Dit leidde tot een hoogoplopende discussie over de waarde van de Ridderzaal als nationaal monument, met als resultaat dat we nu een replica van de houten kap zien. Daarbij speelde Joseph Alberdingk Thijm (1820-1889) een toonaangevende rol. Hij was de drijvende kracht achter het ontstaan van de Nederlandse monumentenzorg, later bijgestaan door Victor de Stuers (1843-1916), die de zorg voor het erfgoed institutionaliseerde.

Thijm bediende zich van ideeën over de bouwkunst en in het bijzonder de gotiek die aan het begin van de negentiende eeuw een stormachtige ontwikkeling kenden, niet alleen in Nederland maar ook in Engeland, Frankrijk en Duitsland. Daarbij werd de gotiek gezien als de ‘ware’ bouwkunst, die na de Middeleeuwen was verdrongen door de vreemde vormentaal van de klassieke bouwkunst, afkomstig uit Zuid-Europa. In Duitsland resulteerde dit in de voltooiing van de Dom in Keulen als symbool van een nieuw Duits nationaal bewustzijn.

Door Scotts restauraties worden historische kerkgebouwen gotischer dan ze ooit waren

In Engeland speelden ook religieuze motieven een rol, mede als reactie op de vaak wel heel basale architectuur van de Industriële Revolutie. De gotiek was ‘ware’ christelijke architectuur. De Franse architect Eugène Viollet-le-Duc (1814-1879) formuleerde een meer architectuurtheoretische visie op de gotiek, maar ook hij koesterde een ideaalbeeld van de middeleeuwse bouwkunst.

Nieuwbouw en restauratie gingen bij die koortsachtige belangstelling voor de gotiek hand in hand. Architecten maakten eigenlijk geen onderscheid. Sir George Gilbert Scott (1811-1878) bouwde in Engeland niet alleen neogotische kerken, maar bij zijn vele restauraties werden ook historische kerkgebouwen gotischer dan ze ooit geweest waren. Daarbij schroomde hij niet om grote delen van het gebouw die niet ‘stijlzuiver’ waren af te breken. Viollet-le-Duc ging niet anders te werk. Het interieur van de nu door brand verwoeste Notre-Dame in Parijs was in feite door hem ontworpen, net als het sprookjespaleis Pierrefonds.

In Nederland zien we dezelfde ontwikkeling. Thijm vond in P.J.H. Cuypers (1827-1921) de ideale architect om zijn visie op de herleving van de gotiek gestalte te geven. Cuypers was een groot bewonderaar van Viollet-le-Duc en een uitzonderlijk getalenteerde ontwerper. Ook hij was van mening dat alleen herstelwerk bij een restauratie niet voldoet. Het gebouw moest herbouwd worden zoals het idealiter in de Middeleeuwen had kunnen zijn.

 

‘Stijlzuiver’

Cuypers en Thijm waren beiden erg katholiek, net als De Stuers. Dit is misschien niet de essentie van de neogotiek en de toenmalige monumentenzorg – bakstenen zijn immers niet katholiek –, maar het speelde wel een belangrijke rol in hun visie op de maatschappelijke betekenis van de bouwkunst. Na de nieuwe grondwet van 1848 en het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 kon het katholicisme in Nederland in volle glorie herleven. Dit kwam tot uitdrukking in de bouw van talloze – vrijwel altijd neogotische – kerken.

Cuypers streefde bij zijn restauraties naar een beeld dat de geheel katholieke wereld van de Middeleeuwen moest evoceren. Bij de restauratie van de Munsterkerk in Roermond leverde hij in feite een nieuw kerkgebouw op; het was een visioen van het ware geloof. Ook de Sint-Servaaskerk in Maastricht werd hardhandig ‘stijlzuiver’ gemaakt. Bij restauraties van Cuypers verdwenen altijd waardevolle interieuronderdelen. Met name barokke toevoegingen en wijzigingen uit de achttiende eeuw waren in zijn ogen verwerpelijk.

Cuypers wil de katholieke wereld van de Middeleeuwen evoceren

In de negentiende eeuw werden vooral kerken gerestaureerd. Die waren eeuwenoud en verkeerden doorgaans in zeer slechte staat. Behalve voor enkele raadhuizen, zoals in Franeker en Bolsward, was er weinig belangstelling voor burgerlijke architectuur. Maar voor middeleeuwse vestingwerken en kastelen had men wel belangstelling.

Het Nederlandse Muiderslot werd in 1825 voor afbraak te koop aangeboden. Daarover ontstond in letterkundige kring verontwaardiging, omdat onze nationale dichter P.C. Hooft met zijn Muiderkring bijeenkomsten hield in het kasteel. Het bouwwerk was echter veel ouder en was via graaf Floris V gerelateerd aan de oertijd van de vaderlandse geschiedenis. De vervallen, maar niet ruïneuze burcht bleef behouden en werd later door Cuypers omgetoverd tot een monument van middeleeuwse glorie als hommage aan Floris V. Als letterkundig monument voor de Muiderkring ontwierp hij een geheel fictieve ridderzaal.

Nog veel spectaculairder was zijn restauratie van kasteel De Haar bij het Utrechtse dorp Haarzuilens. Hier resteerde niets anders dan een echte ruïne, maar de eigenaar, die getrouwd was met Hélène de Rothschild, beschikte over zoveel geld dat Cuypers een dolle fantasie kon realiseren. Dergelijke architectuur wordt niet serieus genomen door architectuurhistorici, maar kasteel De Haar is een groot meesterwerk van een geniale fantast.

 

Historiserende ingreep

Cuypers, Thijm en De Stuers hebben in de negentiende eeuw het fundament gelegd voor de Nederlandse monumentenzorg. Net als hun tijdgenoten hadden zij geen echte belangstelling voor oude gebouwen. Het ging om een ideaalbeeld van de geschiedenis; restaureren was niet herstellen, maar verbeteren. Het is nooit gelukt om die constructiefout in het denken over monumenten onder controle te krijgen.

De Nederlandse Oudheidkundige Bond (nu KNOB), opgericht in 1899, stond kritisch tegenover de restauratiepraktijk van Cuypers. Veel jongere architecten hadden bezwaren tegen zijn historiserende vernieuwingen en wilden een eigentijdse vormentaal hanteren. Dit resulteerde na uitvoerige beraadslagingen in de Grondbeginselen van 1917. De essentie van deze handleiding voor de omgang met oude gebouwen is duidelijk genoeg: de restaurerende architect mag alleen lekkages verhelpen, rotte kozijnen herstellen en scheuren in het metselwerk aanhelen. Maar voor alle zekerheid was er ook een ontsnappingsclausule opgenomen.

Kasteel De Haar is een meesterwerk van een geniale fantast

Omdat men de ‘kunstwaarde’ van het monument, de ‘schoonheid’, belangrijker achtte dan de oudheidkundige waarde en de herinneringswaarde, was het altijd mogelijk om latere wijzigingen ongedaan te maken, omdat die ‘het aanzien van het gebouw schaden’. Het zou verstandiger zijn geweest om de oudheidkundige waarde voorop te stellen. Een ander heikel punt was het herbouwen van verdwenen onderdelen; dat werd verboden, want het zou ‘een leugen tegen de geschiedenis’ zijn. Daarmee doelde de richtlijn natuurlijk op de fantasievolle restauraties van Cuypers.

Maar ook hier bleek er weer ruimte te zijn voor discussie: ‘Herstel in een vroegeren vorm is alleen oorbaar, in de zeldzame gevallen, waarin het op volkomen zekere wijze en volledig mogelijk is.’ Er moet dus bewijsmateriaal zijn, maar er is altijd wel een oude prent te vinden waarop min of meer te zien is dat er ooit een toren met kantelen stond. En dan is er ook nog de zogenaamde wetenschappelijke kennis: dergelijke gevels hadden ‘altijd’ een trapgevel.

Al met al waren de Grondbeginselen zo geformuleerd dat architecten bij restauraties nog altijd konden doen wat zij goed achtten.

Er is altijd wel een oude prent te vinden waarop te zien is dat er ooit een toren met kantelen heeft gestaan

Een voorbeeld zijn de kruiskozijnen in het oude stadhuis van Amsterdam. Die had Lodewijk Napoleon laten vervangen door empire-vensters met een 4- of 6-ruitsverdeling. Bij de restauratie in de jaren 1935-1939 werd in de kelder een oud kruiskozijn teruggevonden en daarmee was natuurlijk het bewijs geleverd om conform de regels de empire-vensters te verwijderen. De nieuwe kruiskozijnen maakten het gebouw weer helemaal zeventiende-eeuws, want het is een zeer beeldbepalend detail. Maar uiteindelijk heeft de architect de kozijnen niet echt consequent gereconstrueerd; dat bleek niet erg praktisch te zijn. Bovendien stond deze historiserende ingreep haaks op de algehele modernisering van het gebouw voor de koninklijke familie. Het was bij uitstek ‘een leugen tegen de geschiedenis’ en ook een bijzonder slecht voorbeeld. Bij de vele restauraties van grachtenhuizen die na de oorlog werden gerealiseerd, zijn steevast de empire-vensters van de negentiende eeuw vervangen door een gefantaseerde roedeverdeling.

 

Verwarring

De Grondbeginselen hebben vooral duidelijk gemaakt dat restaureren geen academisch bedrijf is. Het wordt gedaan door architecten, een beroepsgroep die meer oog heeft voor de mode dan voor wetenschap. Het meest paradoxale effect van de Grondbeginselen is misschien wel dat vrijwel alle restauraties van Cuypers in de loop der tijd weer vernield zijn, met subsidie van de monumentenzorg. Architecten gingen aan de slag om de ‘fouten’ die hij gemaakt had te verbeteren – uiteraard met nieuwe fouten. Zo werd de ridderzaal die hij had ontworpen voor het Muiderslot in de jaren vijftig vervangen door een versie die zogenaamd meer ‘historisch correct’ was. Klaarblijkelijk begreep niemand dat het werk van Cuypers inmiddels ook onvervangbaar erfgoed was geworden. Ook het neogotische interieur van de Sint-Servaaskerk in Maastricht moest plaatsmaken voor een meer ‘wetenschappelijke’ visie op het middeleeuwse bouwwerk.

Monumentenzorg is geen wetenschap, maar een onderdeel van de architectuurgeschiedenis, een maatschappelijk proces, met alle verwarring van dien. Het was in eerste instantie een reactie op de Industriële Revolutie, een soort contrarevolutie. In zijn beroemde boek Contrasts uit 1836 liet de Engelse architect A.N.W. Pugin met twee tekeningen het verschil zien tussen een stad in 1440 en in 1840. De moderne stad is een lugubere strafkolonie, terwijl de middeleeuwse stad wordt gekenmerkt door kerktorens en een stadsmuur. Daarmee heeft hij in feite ook de essentie van de monumentenzorg verbeeld. Het verleden is een droomwereld en het behoud van oude gebouwen staat in dienst van die droom. Zij vormen een vertrouwd decor dat in een snel veranderende wereld nog enig houvast biedt.

 

Pierre Cuypers

 

Hollandse renaissance

Tijdens de naoorlogse gloriejaren van de monumentenzorg werd uiteindelijk elk historisch bouwwerk in Nederland gerestaureerd. De Monumentenwet van 1962 had de grens bij 1850 gelegd en men was bijzonder ruimhartig geweest bij het opstellen van de nationale monumentenlijst. Met name oude stadshuizen in de vervallen historische binnensteden kregen veel aandacht, maar ook boerderijen en de laatste resterende windmolens werden gekoesterd. In de restauratiepraktijk veranderde weinig.

Hoewel de Nederlandse Grondbeginselen in 1964 een internationaal vervolg kregen met het ‘Charter van Venetië’, dat met name historiserend vernieuwen in de ban deed, schroomden architecten niet om hun fantasie te gebruiken. Daarbij ging ook het ideaalbeeld van de Hollandse stad een belangrijke rol spelen, met als bijbehorende bouwstijl de Hollandse renaissance. Lange tijd hadden bestuurders openlijk over ‘oude rommel’ gesproken wanneer verkeersdoorbraken en saneringsplannen op de agenda stonden, maar na de oorlog werden zij geconfronteerd met een opmerkelijke herwaardering voor het stedenbouwkundig erfgoed. De oprichting van de NV Stadsherstel Amsterdam in 1956 was een teken aan de wand.

Het probleem bij de restauratie van woonhuizen in de oude binnensteden was dat ze vaak niet alleen bouwvallig waren, maar ook ernstig verminkt. Vele verbouwingen eisten hun tol en door gebrek aan middelen hadden opeenvolgende eigenaren hun toevlucht gezocht tot verwijdering van alle onderdelen die nutteloos waren, maar wel duur onderhoud vergden, zoals trapgevels en decoratieve onderpuien.

Stadsherstel kocht vaak huizen aan waar eigenlijk niets van over was. De restaurerende architect stond vervolgens voor het probleem om toch weer een aardig geveltje op te leveren, passend in het stadsbeeld. Het streven naar een compleet en ‘stijlzuiver’ resultaat bleef gebruikelijk in de restauratiepraktijk. Dit kan geïllustreerd worden met twee karakteristieke voorbeelden van de Hollandse renaissance. De Latijnse school in Vollenhove werd gerestaureerd in 1919, in feite nog geheel op de wijze van Cuypers. De verdwenen trapgevel herrees en de kruiskozijnen keerden terug, waardoor het negentiende-eeuws ogende gebouw ineens weer heel oud leek. In 1954 ging het nog net zo. Hoogstraat 14 en 16 in Woudrichem werden grondig aangepakt, waarna de bewogen geschiedenis van beide gevels geheel was uitgewist. Alleen de kruiskozijnen ontbreken; dat deed men niet meer na de oorlog.

Architecten hebben meer oog voor mode dan voor wetenschap

Het debat over restaureren verstomde uiteindelijk, omdat alle gebouwen van voor 1850 grondig gerestaureerd waren. Het werk was klaar, de musealisering van Oud-Holland was voltooid. Wij zijn inmiddels gewend aan dat beeld, maar het heeft weinig te maken met de historische werkelijkheid op enig moment. Het levende stadsbeeld was natuurlijk altijd al een rommeltje van oud en nieuw, slecht onderhoud en verval. Ons beeld is een fictie, die bovendien door ongekende welvaart permanent in perfecte staat van onderhoud verkeert. Maar het is de enige herinnering die we hebben aan de gebouwde omgeving van voor 1850.

 

Mysterieuze ouderdom

Vanaf 1980 is er gewerkt aan de bescherming van de zogenoemde ‘jongere bouwkunst’, gebouwen uit de periode 1850-1940. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een meer zakelijke benadering van de restauratieopgave, mede omdat hedendaagse architecten tijdens hun opleiding niet meer geleerd hebben om historiserend te ontwerpen. Wat geheel ontbreekt bij het erfgoed uit deze periode is ‘de sfeer van een mysterieuze ouderdom’. Zo hebben ook de altijd wat schimmige begrippen als ‘kunstwaarde’ en ‘schoonheid’ hun betekenis verloren. Het Rijksmuseum in Amsterdam is architectuurhistorisch van belang, net als de Beurs van Berlage, maar men hoeft deze gebouwen niet mooi te vinden. Het Rijksmuseum is min of meer ‘wetenschappelijk’ gerestaureerd, maar het is tegelijkertijd ingrijpend gemoderniseerd, niet in de stijl van Cuypers.

De ‘jongere bouwkunst’ was blijkbaar nog net jong genoeg voor een samengaan met hedendaagse architectuur. Soms is dit een schril contrast, maar juist dan blijkt vaak dat negentiende-eeuwse architectuur veel dichter bij onze tijd staat dan bij vroeger eeuwen. Die confrontatie kan resulteren in restauraties van hoog niveau. Met name industrieel erfgoed, dat doorgaans een nieuwe functie krijgt, kan zo tot nieuw leven worden gewekt. Daarmee is een einde gekomen aan een tijdperk in de monumentenzorg.

De ‘jongere bouwkunst’ heeft geen betekenis als herinnering aan een ideale wereld, de Middeleeuwen, of een groots verleden als de Gouden Eeuw. Het moderne erfgoed kan als eigentijds fenomeen geïnterpreteerd worden, waardoor de grens tussen restaureren en renoveren meer en meer vervaagt. Restaureren betekent dan vooral goed ontwerpen, zonder al te veel hooggestemde opvattingen over monumenten.

Grote Geschiedenis Doeboek

Reacties

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.