Maarten en Sis van Rossem over één van hun ergernissen: de Nederlandse taal

Maarten en Sis van Rossem over één van hun ergernissen: de Nederlandse taal

DOOR ERWIN BUTER

woensdag 21 maart 2018
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Wijntje, mannetje, tentje – ‘gezellige’ verkleinwoorden zijn de Van Rossems een gruwel, net als Engelse leenwoorden als chillen en loungen. In de reeks ergernissen van Maarten, Sis en Vincent van Rossem daarom dit keer: de Nederlandse taal. Vincent was afwezig.

Uit Maarten! 2010-2

Nog voordat de koffie op tafel staat, vist Sis een briefje uit haar tas en steekt van wal. Ze heeft haar huiswerk gedaan, zegt ze, en toont een indrukwekkende lijst met uitdrukkingen waar ze zich vreselijk aan kan ergeren.

Toppie

S: ‘Het gaat al fout bij de entree. “Alles goed?” – dat hoor je tegenwoordig overal. Laatst was ik in de supermarkt, zegt de vrouw achter de kassa die ik niet ken “Alles goed?” Ik zei: “Moet ik je nu zeggen dat niet alles goed gaat?” Ze stortte bijna in.’

M: ‘Waarom vragen mensen niet gewoon: “Hoe gaat het met je?” Het blijft een merkwaardige conventie dat het dan niet de bedoeling is dat je zegt: “Ik was gisteren bij de huisarts en die zei dat ik nog maar drie maanden te leven heb.”’

S: ‘Maar wel dat je dan antwoordt dat het “lekker” gaat, of “toppie”.’

M: ‘En wat te denken van het kussen bij de begroeting? Vroeger gaf je alleen een hand. Toen werd het één keer kussen – dat is erg –, toen twee keer kussen – dat is dubbel zo erg –, en nu is het al drie keer – drie keer zo erg. Bovendien levert het vaak verwarring op. Wil je een derde kus geven, is de ander al gestopt bij twee. Ik heb hele strategieën ontwikkeld om niet te hoeven kussen.’

S: ‘Het is vreselijk. Bij het afscheid gaat het weer mis: “Doei doei.” Dan heb je als afsluiting ook het riante “prettige dag verder”. Ik hoef helemaal geen prettige dag, dat bepaal ik zelf wel. Voor sommige mensen is het heel naar om het te horen en dat zijn er meer dan wij denken. Je zult godbetert net te horen hebben gekregen dat je kanker hebt, of je hebt thuis een vreselijk zieke man of een demente ouder, en je bent blij dat je even de deur uit bent. Ik zou gaan schieten.’

M: ‘Als ik in een slecht humeur ben, denk ik: waar bemoei je je mee? Misschien ga ik het hele weekend wel met de gordijnen dicht zitten tobben dat ik geen minister-president ben geworden. Bij wijze van spreken dan. Het is niet zo dat ik die ambitie ooit heb gehad. Ik zeg altijd bij alles “sterkte”; dat kun je altijd wel gebruiken.’

Champagneontbijtje

S: ‘Ik ga door. “Mijn fávoriete jurkje”, met de klemtoon verkeerd. En dat jurkje – sowieso zijn alle verkleinwoorden verschrikkelijk. Een “restaurantje” of “leuk eettentje”.’

M: ‘En daar hebben we een “mannetje” voor, “echt een mannetje uit duizenden”. ‘En heb je dit wijntje al geproefd, gevonden in een keldertje in Frankrijk?”’

S: ‘Wat dacht je van een biertje in een barretje bestellen?’

M: ‘Een uitnodiging voor een bijeenkomst met daarop als afsluiting “een hapje en een drankje”. Dan heb ik liever dat ze eronder zetten dat we eindigen met vreten en zuipen. Het is van een intense kleinburgerlijkheid.’

S: ‘En dan heb ik hier het “champagneontbijtje”. Een champagneontbijt alleen al is verschrikkelijk.’

M: ‘Dat verdomde gezeik met die champagne. Dan loop je ergens binnen en krijg je meteen zo’n akelig dun hoog glas met bubbeltjeswijn in je handen gedrukt.’

S: ‘Je zult als ontbijt een glas champagne moeten drinken. Ik zou spontaan gaan braken.’

M: ‘Ook champagne hoort…’

S: ‘… bij de grote truttigheid.’

M: ‘Bij het burgermansidee van een luxueus leven hoort een limousine, een limo – nog zo’n woord – van 38 meter.’

S: ‘Daar gaan we dan lekker met een glas champagne in zitten.’

M: ‘Heb je zo’n limousine ooit vanbinnen gezien, met van die “blingbling”? Weer zo’n fout woord.’

S: ‘Dat had ik niet op mijn lijstje.’

M: ‘Het wordt allemaal geassocieerd met luxe, terwijl het daar niets mee te maken heeft. In feite gaat het om patserigheid. Je zou je huwelijk in een limo moeten vieren.’

Lekker in je vel

M: Daarmee komen we op chillen – dat is ontspannen, geloof ik.’

S: ‘Loungen ook.’

M: ‘We moeten stoppen met die overbodige Engelse woorden. Als iemand zegt dat hij laatst in een trendy restaurant is geweest, dan weet je dat je daar nóóit moet komen.’

S: Never ever ooit.’

M: ‘Loungen, dan denk ik aan een strandpaviljoen. Met vrouwen die hun haar blonderen en een zonnebril in het haar steken. Wat heeft dat met taal te maken? Dat zijn mensen die bij voorbaat taalkundig niet deugen. Heel grote zonnebrillen, die ze ook in de loop der avond, als de zon allang weg is, toch nog in hun haar hebben. In een noordelijk gelegen land als Nederland ben ik principieel tegen een zonnebril. Ja, in Italië, als je honderden kilometers op een snelweg moet rijden, dan kan het.’

S: ‘Een zonnebril heeft ook te maken met “lekker in je vel zitten”. Als iemand dat zegt, krijg ik spontaan uitslag. Dat is echt een uitdrukking van de laatste tijd.’

Als iemand zegt dat hij laatst in een trendy restaurant is geweest, dan weet je dat je daar nóóit moet komen

M: ‘Nee, die bestaat al langer.’

S: ‘Echt waar? In onze tijd zou je spontaan in lachen zijn uitgebarsten.’

M: ‘Veel van onze weerzin heeft te maken met leeftijd, want taal verandert voortdurend. Je taal ontwikkelt zich tussen wanneer je begint te praten en je vijfentwintigste. Nieuwe woorden zijn dan later al snel aanstellerij. Ik begon overigens vrij laat met praten, ik was vier.’

S: ‘Ik wou niet lopen.’

M: ‘Mijn moeder dacht dat ik debiel was.’

S: ‘Dat komt allebei we hyperintelligent waren.’

M: ‘Dat zal het zijn. Ik begon meteen in volzinnen te praten. Ik was een wijsneuzig pratertje als kleutertje.’

Vrouwtje

S: ‘Mensen leggen tegenwoordig het accent volledig verkeerd. Ze weten gewoon niet wat ze zeggen.’

M: ‘Neem een pakje Marlboro. De klemtoon ligt in het Nederlands op de tweede lettergreep maar in het Engels op de derde. Dan denk ik: tja, als je niet beter weet…’

S: ‘Cornedbeef is er nog zo een: sta je bij de slager en spreek je het op z’n Engels uit en dan hoor je: “Wat zeg je? Het is ‘kornét’, mevrouw.”’

M: ‘Is het je opgevallen dat de ei-klank steeds vaker “ai” wordt? Een eitje eten wordt een aitje eten.’

S: ‘Hai zai geef mai maar een ai. Ik heb hem op mijn lijst. Je hoort het steeds vaker op tv.’

M: ‘Zeker, de televisie speelt een rol bij taalveranderingen, al moet de wetenschap maar eens uitzoeken waar die klinkerverandering in dertig jaar precies vandaan is gekomen.’

S: ‘Het is ook het Engels. Luister naar de BBC, die hebben die rare ai.’

M: ‘Voor de ouder wordende Nederlander klinkt het intens ordinair.’

S: ‘Ik zou die mensen niet aannemen. Ga eerst maar eens naar de logopediste.’

M: ‘Of naar de nonnen.’

S: ‘Ik heb er meer op mijn lijst: voor een winkel stond bij een bak vol wcpapier: “Pak mee”, dus ik dacht: ik ga naar binnen en zeg dat ik een paar rollen meeneem en niet afreken. “Wat zegt u?” vraagt de vrouw achter de kassa. Dus ik leg het nog een keer uit, nu wat rustiger.’

M: ‘Het is popiejopie taalgebruik. Je ziet de mannen die het verzinnen voor je: tussen de dertig en vijftig jaar, met van die deftige schoenen.’

S: ‘Verkéérde deftige schoenen en een verkeerd pak.’

M: ‘Die graag een terrasje pakken om te chillen en te loungen. Dat brengt mij meteen op de verschrikkelijke wereld van auto’s: “een lekkere bak”, “lekker gassen”, “brede sloffen”. Als je die uitdrukkingen niet kent, moet je eens een autoblad in de kiosk kopen. Het staat er vol mee.’

S: ‘Die mannen praten over “het vrouwtje”!’

Effe checken

S: ‘Ik ga door met: “Daar gaan we eens lekker mee stoeien.”’

M: ‘Of: “Dat leg ik even bij je neer.”’

S: ‘Dan pak ik mijn verantwoordelijkheid. Het is allemaal ambtenarenjargon.’

M: ‘Het hangt ook weer tegen het popiejopie aan. Mensen die bekende dingen van tv nadoen.’

S: ‘Als iemand “effe checken” zegt, denk ik: jou hoef ik al helemaal niet meer.’

M: ‘Je gaat dus niet een mop herhalen die je op de televisie hebt gehoord. Overigens dient iedereen die moppen vertelt in kleine gezelschappen tot elke prijs vermeden te worden. Bij ons wordt hij nimmer meer uitgenodigd. Het allerergst zijn mannen die schuine moppen vertellen en dan heel hard lachen voor ze aan de clou toe zijn.’

S: ‘Alles heeft te maken met het feit dat ze geen conversatie kunnen voeren. Al heel snel valt het gesprek bij hen dood, en dan gaan ze knetterend lachend reclames nadoen.’

M: ‘Je doet nóóit geestige tv na, ook geen Jiskefet.’

S: ‘“Goejesmorgens” – mijn god, die willen we niet kennen.’

M: ‘Heb je nog meer?’

S: ‘“De bieb”, ik kan het niet uit mijn strot krijgen, voor mij is het gewoon “bibliotheek”. “Doordat” in plaats van “omdat”, dat doet ook bijna iedereen. “Hippetheek”, “polletiek” – het is allemaal Brabants.’

Je doet nóóit geestige tv na, ook geen Jiskefet

M: ‘We spreken slordig en articuleren niet goed. Ik maak me er zelf ook schuldig aan.’

Oet moan

S: ‘Dan heb ik hier onder het kopje “weer”: “een drup of spat regen.” Dat kan dus niet.’

M: ‘De presentatie van het weer dient neutraal, objectiverend en analytisch plaats te vinden en niet zo van: “U ziet het, ik bezorg u een schitterende week van zon.” Hoezo? Donder toch op!’

S: ‘Dan komt “de zon erbij” – “dan gaat de zon schijnen” in gewoon Nederlands. “Een klap onweer”, dan gaat het dus onweren. “Een sneeuwdek”, er ligt een pak sneeuw. Weet je waar het allemaal vandaan komt? Het is de absoluut desastreuze invloed van Piet Paulusma. Als ik meteoroloog was, was ik opgestapt en bij de vuilnisophaaldienst gaan werken.’

M: ‘Hij schijnt tonnen te verdienen met die poppenkast.’

S: ‘Het is schandalig. Sinds Paulusma kan niemand meer normaal het weer presenteren.’

M: ‘Erwin Kroll is in die vijfentwintig jaar ook een stuk wilder geworden. Dan zegt hij: “En dat is echt lente!” Kroll, dat maken we zelf wel uit!’

S: ‘En die weervrouwen met een rollende rrr. Het zijn net kleuterleidsters.’

M: ‘Is het je niet opgevallen dat alle vrouwen die gaan werken bij het weer meteen zwanger worden en dat jaren blijven?’

S: ‘Die worden allemaal bezwangerd door die Peter Timofeeff, zeggen wij thuis. Die man maakt zo’n indruk op zijn vrouwelijke collega’s, dat kan niet anders.’

M: ‘Piet Paulusma zie ik eigenlijk nooit. Ja, één keer, toen had hij een Marker kostuum aan.’

S: ‘Hij zegt op het einde geen “houdoe”, maar “oet moan”. Maarten, misschien kunnen we een keer als komisch duo iedereen gaan nadoen.’

M: ‘Dat lijkt me niet verstandig.’

Uit Maarten! 2010-2
 

woensdag 21 maart 2018

Gerelateerde artikelen

Sis over modern geluk en het keukeneiland

donderdag 19 april 2018

Maarten, Vincent en Sis van Rossem over één van hun ergernissen: het Nederlandse onderwijs

donderdag 8 maart 2018

Spreek toch Nederlands! Pleidooi tegen steenkolenengels aan de universiteit

dinsdag 23 januari 2018

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.