‘Jan was een praktische radicaal’

Door: Bas Kromhout, Alexander Pechtold en Maarten van Rossem

Foto: Sander Heezen

Jan Wolkers (1925-2007) was behalve schrijver en kunstenaar ook iemand met ongezouten politieke meningen. In 1967 deed hij op de radio een uitspraak die D66-voorman Hans van Mierlo een levenslang trauma bezorgde. Zijn echtgenote Karina Wolkers weet het nog goed. ‘Het was nooit Jans bedoeling om Van Mierlo zo te kwetsen.’

Uit Maarten! 2013-04.

‘Jan en Karina Wolkers zijn een twee-eenheid,’ zegt Alexander Pechtold aan het begin van het interview. Maarten beaamt dat: ‘Via Karina spreekt Jan tot ons.’ Ook het huis op Texel, waar ze 27 jaar met hem woonde, ademt Jan Wolkers. Alles is er nog: zijn atelier, zijn schilderijen, zijn verzameling etnologische sculpturen.

Zowel Pechtold als Van Rossem is hier vaak geweest. Beiden hebben Jan en Karina Wolkers begin jaren negentig leren kennen. Pechtold nadat hij als student op een veiling een litho van Jan Wolkers had gekocht en hem een brief had gestuurd om te vragen wat de letters A.C. (artist’s collection) onder aan het doek betekenden. Van Rossem tijdens een vakantie op Texel.

Sindsdien waren ze vrienden. Eens in de zoveel tijd brachten Pechtold en Van Rossem met hun gezinnen een avond door bij ‘Jan en Karina’ op Texel. Dan werd er geanimeerd gepraat over eten, kunst en politiek.

Pechtold: ‘Uit wat voor politiek milieu kwam Jan?’

Wolkers: ‘Zijn ouders in Oegstgeest waren streng gereformeerd, dus die stemden op de Antirevolutionaire Partij. Maar in de oorlog maakte hij kennis met buurman Sjaak Vink, een Spartacus-communist en vriend van Marinus van der Lubbe, die in 1933 de Duitse Rijksdag in brand stak. Altijd als Jan – die voor kunstenaar studeerde – met een schilderij de straat in liep, kwam Vink naar buiten, zette het doek tegen de muur en zei: “Dat heb je weer verdomd potig opgezet.”

Jan was een jaar of zeventien, en volop in ontwikkeling. Hij wist niet hoe het moest met seks. Vink zei tegen hem: “Weet je wat ze op alle treinwagons zouden moeten schrijven? Onaneert!” Voor een jongen uit een gereformeerd gezin, die niets mocht, was dat een bevrijding. Jan was door zijn vader het boekje Stomme zonden van Johanna Breevoort aangereikt, waarin stond dat je van onaneren ruggenmergtering kreeg.’

Van Rossem: ‘Is Jan politiek geradicaliseerd door die buurman?’

Wolkers: ‘Dat is overdreven. Jan was aan de ene kant radicaal, maar aan de andere kant zo praktisch als de hel. En hij was niet gek. Wel links. Hij zei dat als de leer van Christus gewoon was toegepast, het socialisme niet nodig was geweest.

Vlak na de oorlog heeft hij zich aangemeld als vrijwilliger om Indonesië van de Japanners te bevrijden. Iets wat veel linkse jongen deden. Er zat ook een stuk sensatie bij: ontsnappen uit Nederland, zucht naar avontuur. Net als bij degenen die in de jaren dertig in Spanje gingen vechten. En net als bij die jongens die heden ten dage naar Syrië gaan. Dat zijn geen godsdienstfanaten, maar die zien de ellende van de Syriërs op televisie en willen helpen. Je bent achttien en idealistisch, en je wilt iets doen.’

Pechtold: ‘Maar Jan is niet naar Indonesië gegaan.’

Wolkers: ‘Hij is afgekeurd wegens sensibiliteit. Het feit dat hij kunstenaar was, was in die tijd waarschijnlijk al voldoende. Bovendien was Jan gedreven en nerveus. Hij is toen naar de Koninklijke Academie in Den Haag gegaan, maar na twee jaar moest hij opkomen voor zijn nummer. Hij had er allang geen zin meer in, maar nu werd hij wel goedgekeurd.

Jan protesteerde en wilde naar de psychiater. Tot zijn grote geluk was dat dokter E.A.D.E. Carp, die Gerrit Achterberg heeft behandeld. Op de keuring vroeg Carp aan Jan waar hij van hield. Nou, zegt Jan, van poëzie. En hij begon Achterberg voor te dragen: “Want deze kamer is uw zuster, Haar geuren zijn de uwe. Ik zal mij met haar huwen…” – “Hou op, hou op,” riep Carp. “Je bent afgekeurd.” Zo is hij eronderuit gekomen.’

Van Rossem: ‘Wat stemde Jan?’

Wolkers: ‘Tijdens de politionele acties op de CPN. Want dat was de enige partij die daartegen was. Jan had een enorme hekel aan de Partij van de Arbeid, juist vanwege haar houding tijdens de politionele acties. Hij zat bij een klein clubje jongeren, dat het blaadje Socialistische Stemmen uitbracht.’

Pechtold: ‘Wat was jouw politieke achtergrond toen je hem leerde kennen?’

Wolkers: ‘Ik kwam uit een CPN-nest. Toen Jan dat hoorde, zei hij tegen me: “In Rusland zou ik meteen opgepakt worden.” Hij dacht dat de communisten nog voorschreven dat je als kunstenaar sociaal-realistisch werk moest maken. Maar het was al 1962. De CPN had zich, zeker cultureel, losgemaakt van Moskou.

In de jaren zestig raakte Jan weer enorm politiek geïnteresseerd. Niet door mij, maar door de oorlog in Vietnam. Ik probeer het aan ieder jonger mens uit te leggen: je weet niet wat een enorme invloed die oorlog heeft gehad. De beelden, elke avond, van in brand geschoten dorpen. Die foto van kinderen die vluchtten voor een napalmaanval is iconisch. Jan was dol op Amerika. Maar dit vond hij verschrikkelijk.

Jans politieke bewustzijn werd altijd op gang gebracht door zulke heftige gebeurtenissen als de onafhankelijkheidsoorlog van de Indonesiërs en Vietnam. Dan was hij verontwaardigd en emotioneel. Hij was niet voor geweldloosheid, zoals de PSP. Hij koos voor de CPN, want die nam een goed standpunt in en deed ook heel veel. De CPN heeft hem verscheidene malen gevraagd een affiche te maken.’

Pechtold: ‘Is Jan ooit lid geweest van een partij?

Wolkers: ‘Nooit. Dat heeft hij altijd geweigerd. Jan was anarchistisch van aard. Hij verdomde het om zich aan enige partijdiscipline te onderwerpen. Hij had ook vaak herrie met allerlei mensen.’

‘Jan verdomde het om zich aan enige partijdiscipline te onderwerpen’

Pechtold: ‘Was hij later geen lid van de Partij voor de Dieren?’

Wolkers: ‘Nee, daar was hij alleen maar lijstduwer van. Ze hadden hem gebeld, of hij wilde duwen. Jan heeft ook nooit op de Partij voor de Dieren gestemd, want hij stemde niet op een one-issuepartij.

Ik kan me herinneren dat we één keer op de PvdA hebben gestemd. Ik heb nog nooit zo’n spijt ergens van gehad. Dat was na het eerste paarse kabinet. Vooral ik vond het namelijk ontzettend leuk dat het CDA even buiten de macht werd gehouden. En het eerste kabinet-Kok was erg interessant, want daar zaten grote mannen en vrouwen in. Van Mierlo was minister van Buitenlandse Zaken. Hij had natuurlijk Desi Bouterse moeten oppakken toen hij de kans kreeg, maar daar hebben we het nu niet over. Jan had bovendien grote bewondering voor Els Borst.

Dus wij dachten in 1998: we stemmen PvdA, want dan gaat Kok door. O wee, o wee, wat gebeurde er? Alle grote namen gingen weg en dat tweede paarse kabinet had geen enkele inspiratie meer.

Vanaf 2000 kreeg je een heel diffuse tijd. Waar moest je in godsnaam op stemmen? Hier op het eiland stemden we weleens GroenLinks, omdat de wethouder van die partij goede dingen deed. Ook weleens op de SP.

Jan en ik stemden altijd op partijen links van de Partij van de Arbeid, om die een beetje progressief te houden. Bovendien was Jan in zijn politieke keuze gericht op personen en zeker niet op partijprogramma’s. Hij keek nooit iemand aan op zijn politieke overtuiging. Onder linkse mensen heb je enorme klootzakken. Zelfs mijn communistische vader zei altijd: “Rechtse mensen zijn veel aardiger.”’

‘Onder linkse mensen heb je enorme klootzakken’

Van Rossem: ‘Wat vond Jan destijds van de oprichting van D66?’

Wolkers: ‘Dat vond hij helemaal niets. Dat kwam vooral door het campagnefilmpje van Leen Timp. Het gerucht ging dat Aad Nuis daarvoor het scenario geschreven had. Jan had een hekel aan Nuis, die volgens hem een oerdomme literatuurcriticus was. Nuis behoorde tot de categorie “falsarissen”, zoals Jan dat noemde. Er waren er een paar in zijn leven, met wie hij nooit vrede heeft gesloten.

In 1967 heeft Henk van Dorp in het Veronica-radioprogramma Help, er zit een olifant in de tram een uur lang met Jan gesproken. Dat was ontzettend leuk, want Jan had net bij de Bastogne-koekjes een plastic blokfluitje gekregen en elke keer als er een itempje was afgelopen, zei hij: “Ik ben Jan Wolkers en ik ben een grote vriend van Winnie de Poeh en Knorretje, en ik ga nu een concertje voor ze geven” – en dan blies hij op die fluit.

D66 was net opgericht en Van Dorp zei tegen Jan: “Ze zeggen dat Van Mierlo de Nederlandse Kennedy is.” Waarop Jan zei: “Nou, dan moeten we ook eens uitkijken naar de Nederlandse Oswald. Dat boekenmagazijn heb ik wel tot mijn beschikking.”’

Pechtold: ‘Waarom zei hij dat?’

Wolkers: ‘Als Jan geïnspireerd raakte, dan kwam hij soms tot zulke boude uitspraken. En als iemand iets aangaf, zoals Van Dorp deed, dan wilde hij er nog wel eentje bovenop gooien.’

Pechtold: ‘Dit heeft nog een dikke staart gekregen, toch?’

Wolkers: ‘Het zou allemaal niet zo heel verschrikkelijk zijn geweest als Renate Rubinstein niet drie jaar later een kaartje aan Jan had geschreven. Zij was Van Mierlo op straat tegengekomen en die had haar – “niet in woede, maar met een soort van droefheid” – verteld over Jans uitlatingen op de radio. De uitspraak over Kennedy en Oswald droeg Van Mierlo volgens Rubinstein met zich mee “als een vloek die op hem rust”.

Rubinstein schreef verder: “Ik kan mij niet voorstellen dat je hem persoonlijk niet zou mogen […] Bovendien heeft hij een jonge vrouw en twee kleine kinderen, zodat het nog ellendiger lijkt als hem zo’n ramp overkomt. Zou je hem niet willen laten weten dat je het weer intrekt?”

De reactie van Jan was: “Hoe verzint iemand het? Wie denkt nou dat er ooit een Nederlandse politicus zo’n gevaar zou lopen als Kennedy? Dat is volstrekt ondenkbaar en volslagen overdreven.” Dat was ruim dertig jaar voor de moord op Pim Fortuyn.’

Van Rossem: ‘Aan mij heeft Van Mierlo het Oswald-verhaal ook verteld, na afloop van Jans crematie. Hij keek me aan en vroeg: “Wat vindt u daar nu van?”’

Wolkers: ‘Maar toen hadden Jan en Van Mierlo elkaar al ontmoet. In 2005, vlak voor de opening van het Boekenbal, aten wij met Harry Mulisch en Robbert Ammerlaan bij de Oesterbar. Daar verschenen Connie Palmen en Hans van Mierlo. Jan stond op, ging naar hem toe en stond een tijdje hartelijk met hem te praten. Dat was wat veel mensen doen: het goedmaken aan het eind van je leven. Er blijven altijd falsarissen, maar daar hoorde Van Mierlo niet bij.’

Van Rossem: ‘Ik begrijp dat jullie toch één keer op D66 hebben gestemd. Nu moet je me toch uitleggen waarom.’

Wolkers: ‘Het was de laatste keer dat Jan gestemd heeft. Vlak voordat hij stierf, in november 2006, waren er Kamerverkiezingen. D66 dreigde in te krimpen tot de groep-Pechtold. Bovendien was Alexander de enige die zich teweerstelde tegen Wilders op de manier waarop het moest. De rest heeft zich buitengewoon laf gedragen. Alexander was bij ons geweest met de kinderen en die hadden een houten krokodil laten liggen. Vlak voor de verkiezingen heb ik die in een mooi doosje gedaan en aan Alexander gestuurd met een kaartje erbij: “We duwen de dieren, maar we stemmen D66.”’

Pechtold: ‘Toen lag ik echt op mijn gat. Als je dan zo’n kaartje krijgt, is dat een prettige opsteker.’

Pechtold: ‘Toen Jan in 1961 debuteerde met zijn roman Serpentina’s petticoat, was hij al beeldhouwer, tekenaar en schilder. Waarom is hij ook nog gaan schrijven?’

Wolkers: ‘Dat had met zijn persoonlijke omstandigheden te maken. Hij heeft tien jaar een zeer ongelukkig huwelijk gehad, waarin een kindje is omgekomen. Jan heeft altijd gezegd: “Ik ben een schrijver die een Lebak nodig had.” Hiermee verwees hij naar Multatuli, die volgens Jan nooit was gaan schrijven als hij geen moeilijkheden had gehad als assistent-resident van Lebak in Indonesië.

Ik las laatst een interview met Dirk van Weelden over Martin Bril, waarin hij vertelt hoe zij vanaf hun zeventiende bezig waren met literatuur en een positie veroveren in de literaire wereld. Dat heeft Jan nooit gedaan. Hij is altijd een einzelgänger geweest. Hij had een enorme hekel aan dat geleuter in het café over literatuur en wat goed is en wat niet. Daar heeft hij zich altijd verre van gehouden.

Hij wist eerst ook helemaal niet dat hij goed kon schrijven. Hij had op een strenge gereformeerde school gezeten, waar origineel schrijven absoluut niet werd aangemoedigd. En Jan heeft nooit een middelbareschoolopleiding gehad. Hij wilde naar de hbs om bioloog te worden, maar werd door zijn ouders op advies van het schoolhoofd naar de mulo gestuurd. Hij was daar zo woedend over dat hij op de mulo niets heeft uitgevoerd en met Kerstmis van school is gehaald. Vandaar zijn aarzeling om te gaan schrijven.’

‘Jan had een enorme hekel aan dat geleuter in het café over literatuur en wat goed is en wat niet’

Van Rossem: ‘Waarom schreef Jan op het eind van zijn leven geen romans meer?’

Wolkers: ‘Voor schrijven heb je een enorme concentratie nodig. Zijn grootste werk schreef hij tussen 1960 en 1980, toen wij samenwoonden in Amsterdam. Het was de ideale omgeving om te schrijven. Zijn eerste vrouw en kinderen waren weg, zijn tweede vrouw was ook niet meer daar. Hij liet mij alles lezen zodra het uit de schrijfmachine kwam, en tijdens wandelingen door het Amsterdamse Bos spraken we erover.

In 1980 zijn we op Texel komen wonen. Iedereen die een tweeling heeft gehad, weet dat de eerste jaren hels en moordend zijn. Jan heeft nog wel een paar romans geschreven, maar die waren gewoon minder goed. Toen is hij zich op het schrijven van essays gaan richten. Dat vond hij trouwens ook veel leuker. Daarin kon hij zijn enorme eruditie kwijt, die hij altijd een beetje had ingehouden. Hij had de hele kunstgeschiedenis en literatuur in zijn zak.’

Pechtold: ‘Jan had toch ook chef-kok kunnen zijn?’

Wolkers: ‘Zijn dag begon altijd met: “Wat zullen we vandaag eten?” Dat was ook een facet dat wel degelijk met kunst te maken had. Hij was iemand die van alles wat maakte, zonder een opzettelijk streven naar esthetiek.’

Pechtold: ‘In 1960 ging Jan abstract werken. Had hij daar een intellectuele overweging bij?’

Wolkers: ‘Jan had nooit enige intellectuele overweging bij wat dan ook. Hij riep altijd: “Kunstenaars die theoretische stukken schrijven, zijn meestal tweederangskunstenaars.” Bij Jan gebeurde alles op instinct.’

‘Jan had nooit enige intellectuele overweging bij wat dan ook’

Van Rossem: ‘Hij was toch ook heel gespannen? Had je daar nooit moeite mee?’

Wolkers: ‘Natuurlijk wel. Maar ik had mijn eigen dingen; ik heb al die jaren gestudeerd. Ik liep niet zenuwachtig om hem heen te keutelen om te vragen of vader wel content was. Natuurlijk was hij dat vaak niet.

Jans gespannenheid had te maken met de zenuwen die veel kunstenaars hebben. De angst om te vroeg te overlijden, voordat je alles eruit hebt gehaald wat erin zit. Jan werkte met de dood op de hielen. Als een vulkaan. Die gedrevenheid, daar kwam stress uit voort.

Het ergst was het toen hij eenentwintig was en nog niet de vorm had gevonden waarin hij zijn energie moest gieten. Dat gaf aanleiding tot frustratie, somberheid. Bovendien had hij een ongelukkig huwelijk en een paar kleine kinderen, voor wie hij zich enorm verantwoordelijk voelde.

Want Jan was geen egoïstische kunstenaar zoals Hugo Claus, die gewoon van de ene op de andere dag zijn koffer pakte. Als Jan uit de academie kwam, ging hij naar de Albert Cuyp om andijvie te kopen en die ook nog zelf te koken. Hij ging niet met zijn vrienden naar het café. Jan zei altijd: “Als je in het café gaat zitten, ben je als kunstenaar verloren.” Overigens werd hij in de loop van zijn leven wel steeds kalmer.’

‘Jan was doodsbang voor de hemel. Dan zou hij voor eeuwig braaf tussen enge ouderlingen op een stoel moeten zitten’

Van Rossem: ‘We mogen van geluk spreken dat Jan via jou vanuit de hemel tot ons spreekt.’

Wolkers: ‘Jan was doodsbang voor de hemel. Dan zou hij voor eeuwig braaf tussen enge ouderlingen op een stoel moeten zitten. Zijn enige troost zou zijn als hij daarbij een kat op schoot mocht hebben. Maar Jans vader had gezegd dat katten geen ziel hebben en niet in de hemel komen. Daarom zag Jan wel aardigheid in de islam, want die leert dat dieren perfect zijn. Het liefst wilde Jan naar de kattenhemel, de hele dag blikjes tonijn opendraaien.’

Gerelateerde artikelen

De keuken van Jan Wolkers

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.