‘We spelen terroristen in de kaart door buitenproportioneel te reageren’

Sinds de aanslagen op 11 september 2001 treden westerse landen hard op tegen jihadistisch terrorisme, waarbij overheden zelfs de vrijheden van hun eigen burgers inperken. Politicoloog en historicus Willemijn Verkoren legt de problemen van het huidige anti-terreurbeleid bloot in haar boek Uit de terreurspiraal. Een nieuw perspectief op terrorisme. ‘Geen enkele politicus wil achteraf het verwijt krijgen dat hij te weinig heeft gedaan om een aanslag te voorkomen.’

Door Erik van Klinken

U analyseert het anti-terreurbeleid van westerse landen sinds 9/11. Hoe heeft dit beleid bijgedragen aan de ‘terreurspiraal’?
‘De terreurspiraal houdt in dat landen met geweld op terrorisme reageren en daardoor juist nieuw geweld door terroristen uitlokken. Het meest opvallende onderdeel van het westerse beleid na 9/11 is oorlogvoering. De Amerikaanse regering koos er onder president George W. Bush voor om die aanslag als een oorlogsdaad op te vatten, en in reactie daarop een wereldwijde ‘war on terror‘ af te kondigen. Eerst in Afghanistan, maar later ook in Irak en andere landen in het Midden-Oosten. Met drone-bombardementen jagen ze nog altijd op terroristen.

Die militaire acties hebben het terrorismeprobleem niet verkleind. Het geweld maakt zo veel slachtoffers en zet zo veel kwaad bloed dat de voedingsbodem voor terrorisme juist groeit. Voor iedere leider die de westerse landen wegbombarderen, staan er een of twee nieuwe leiders op. Na het verzwakken van de ene organisatie, ontstaat er alweer een nieuwe groepering.’

Een aanslag van de omvang van 9/11 is sindsdien niet meer voorgekomen. Dat is toch een succes van het anti-terreurbeleid?
‘In mijn boek ben ik kritisch, maar ik ben het niet oneens met alle anti-terreurmaatregelen van de afgelopen twintig jaar. Het voorkomen van een nieuwe aanslag van dit formaat is een belangrijke prestatie, hoewel je nooit zeker weet of het aan de maatregelen ligt. Door de enorme uitbreiding van inlichtingen- en politiediensten weten potentiële terroristen dat ze meer in de gaten worden gehouden dan vroeger. Het is voor hen veel moeilijker om grootschalige, complexe aanslagen te organiseren, omdat daar veel contacten en middelen voor nodig zijn. Dat is een belangrijk resultaat dat we niet mogen uitvlakken.

Aan de andere kant is het aantal terrorismeslachtoffers wereldwijd toegenomen. Omdat de voedingsbodem voor terreur nog steeds bestaat, krijgt die terreur vooral andere uitingsvormen. Er heeft een beweging plaatsgevonden van massale naar kleinere, low-tech aanslagen door individuen. Die vergen weinig organisatie. Iemand die met een busje op een menigte inrijdt of om zich heen schiet, is vaak niet tegen te houden.’

Wat moet volgens u de doelstelling zijn van een effectieve bestrijding van terrorisme?
‘Omdat de westerse angst voor terreur na 9/11 zo groot werd, zetten landen de afgelopen twintig jaar alles op alles om ieder risico uit te sluiten. Dat kostte veel middelen, mensenlevens en burgerlijke vrijheden. Dat is het eigenlijk niet waard, want ons anti-terreurbeleid staat niet in verhouding tot het aantal terrorismeslachtoffers dat wereldwijd valt. Het is beter om te accepteren dat er een beperkte mate van risico bestaat. We moeten een beleid voeren dat de burgerrechten niet buitenproportioneel inperkt.’

Maar hoe verkoop je die terughoudendheid ten opzichte van terrorisme aan de kiezer?
‘Dat is een terechte vraag. Dat is moeilijk, maar ik denk dat het vooral belangrijk is om daarbij te benadrukken dat we terroristen in de kaart spelen door hard en buitenproportioneel te reageren. Terroristen zijn in militair opzicht de zwakkere partij. Door aanslagen te plegen willen ze zich als een geduchte vijand voordoen. Ze hopen een harde reactie uit te lokken zodat ze kunnen zeggen: “zie je wel, de tegenstander is de onderdrukker”. Dat helpt hen om mensen in het gematigde midden naar zich toe te trekken en nieuwe rekruten te werven. Als je terughoudender reageert, geef je ze niet de kans om zo veel angst te zaaien als ze nu doen.

‘Iemand die met een busje op een menigte inrijdt of om zich heen schiet, is vaak niet tegen te houden’

Je mag hopen dat politici bij willen dragen aan de oplossing van het probleem, maar  zij denken vooral aan de korte termijn. De gedachte is soms: “als ik maar krachtig overkom, dan levert mij dat stemmen op”. Politici kijken dan niet naar de toekomstige negatieve gevolgen van hard beleid. Geen enkele politicus wil het verwijt krijgen dat hij te weinig heeft gedaan om een aanslag te voorkomen. Maar als je het terrorismeprobleem op lange termijn vergroot, ben je ook geen goede leider.’

Voor de inlichtingendiensten is het een perverse prikkel om de terroristische dreiging aan te dikken en zo hun bevoegdheden te behouden. Wat is daartegen te doen?
‘Voor de overheid is het belangrijk om het publiek te informeren over de werkelijke grootte van de dreiging. Als wetenschappers hebben we daarin ook een verantwoordelijkheid: we moeten een beeld schetsen dat onderbouwd is door statistieken. Investeren in meer mankracht voor de inlichtingendiensten was een goede maatregel, maar er is niet veel bewijs dat de uitbreiding van mogelijkheden om mensen in de gaten te houden veel oplevert.

Het lijkt erop dat traditioneel inlichtingen- en politiewerk het beste werkt in de bestrijding van terreur. Denk daarbij aan wijkagenten die goede banden hebben in hun buurt, waardoor bewoners naar ze toe durven te komen om hun zorgen over bepaalde personen te uiten. Diensten verdrinken daarentegen eerder in de grote hoeveelheden gegevens die ze verzamelen, dan dat ze met die data aanslagen voorkomen – voor zover dat bekend is. Het kost ons onze privacy, maar levert weinig op.’

U noemt extreemrechtse aanslagen de nieuwe terroristische golf. Toch lijkt dit geweld niet universeel geïnterpreteerd te worden als terrorisme. Hoe komt dat?
‘Dat is eigenlijk heel gek. In de afgelopen jaren vallen er in westerse landen meer slachtoffers door extreemrechts terrorisme dan door jihadistisch terrorisme. Maar weinig mensen weten dat, doordat het beeld van jihadisme als grootste dreiging nog heel sterk is. Extreemrechtse aanslagen worden sneller als incidenten gezien. Als hate crime bijvoorbeeld, of simpelweg als schietpartij.

Het heeft misschien ook te maken met het gevoel dat het om geweld uit onze eigen cultuur gaat – want bij jihadistisch terrorisme overheerst het beeld dat het uit het Midden-Oosten komt. Dat klopt overigens niet: terroristen die aanslagen plegen in het Westen, zijn hier bijna altijd opgegroeid.

‘Terroristen die aanslagen plegen in het Westen, zijn hier bijna altijd opgegroeid’

Ten slotte is populistisch rechts in veel landen invloedrijk en mainstream geworden, waardoor extreemrechts gedachtegoed minder snel als gevaar wordt aangemerkt. Het extreemrechtse gevaar begint nu pas langzaam door te dringen bij inlichtingendiensten en overheden. Ik denk dat we ons hier nog op aan moeten passen.’

U geeft aan dat er veel misgaat bij deradicaliseringspogingen van de overheid.
‘De bedoeling achter deze programma’s is goed: de overheid probeert instabiele jongeren te helpen die zich aangetrokken voelen door extremistisch gedachtegoed; of dat nu extreemrechts of moslimextremistisch is. Vaak voelen deze radicaliserende jongeren zich buitengesloten of doelloos. De staat wil hen helpen om werk en een plek in de samenleving te vinden.

Het probleem met veel van deze programma’s is het grote aantal verschillende aanbieders, die een wisselende kwaliteit hebben. Hulpverleners proberen van alles en nog wat, vaak zonder wetenschappelijke basis.

Een fundamenteler probleem is dat jongeren vaak in zo’n programma belanden op basis van hun overtuigingen, die als radicaal worden gezien. Iemand kan heel religieus zijn, of zeer kritisch op het Midden-Oostenbeleid, en dat kunnen indicatoren zijn die docenten of maatschappelijk werkers ertoe bewegen iemand aan te melden voor een deradicaliseringstraject. Maar mensen met die overtuigingen hebben niet per se geweld in de zin. Deze gang van zaken is kwalijk, want zo worden radicale overtuigingen op zichzelf problematisch. Als je op die manier gestigmatiseerd wordt, radicaliseer je juist sneller.’

Als voorbeeld van een alternatieve aanpak van terreur noemt u het Nederlands beleid in de jaren ’70. ‘De-escalatie’ was daarbij het toverwoord. Is dat beleid met de huidige media-aandacht nog wel haalbaar?
Ik kan niet ontkennen dat het nu veel moeilijker is om dit beleid te voeren. Naast de mediahype rond terrorisme is er nu ook social media, waar we moeilijk controle op kunnen uitoefenen.

Omdat terrorisme een gewelddadige vorm van communicatie is, is de rol van de media enorm belangrijk. Terroristen zijn handig in het gebruik van social media. IS verwijst bijvoorbeeld naar de populaire gangster- en hiphop-cultuur en hun filmpjes zijn professioneel van aard. Dat is voor mogelijke rekruten erg aantrekkelijk. Gevestigde media moeten zich ervan weerhouden om duizenden keren dezelfde beelden te herhalen. Door die herhaling wordt het bereik van deze groeperingen namelijk enorm vergroot.

De overheid kan een beroep doen op de media om zelf verantwoordelijkheid te nemen. Op sommige andere vlakken doen ze dat al, zoals bij de mediarichtlijnen over zelfdoding. De media stelde die richtlijnen op eigen iniatief op, met minder zelfmoorden tot gevolg. Dat was met name gericht op copycat-gedrag: het fenomeen dat mensen iets kopiëren waarover ze lezen. Zelfmoord is een minder politieke kwestie dan terrorisme, dus daarmee zal dat misschien niet zo makkelijk gaan.

‘Gevestigde media moeten zich ervan weerhouden om duizenden keren dezelfde beelden te herhalen’

Op het terrein van social media is het maar de vraag wat ertegen te doen is. YouTube, Facebook en Twitter halen filmpjes van hun platform af, maar er zijn altijd weer andere platformen om video’s te verspreiden. Dat is niet tegen te houden. Daarom is het ook nodig dat we ons op de voedingsbodem voor terroristen richten: waarom worden mensen überhaupt gewelddadig?’

In uw onderzoek gebruikt u ongetwijfeld zoektermen en websites die u verdacht maken voor inlichtingendiensten.
‘Ik heb daar zelf nog nooit last van gehad, maar ik weet van andere terrorisme-onderzoekers dat het wel degelijk voorkomt. Ik heb collega’s die veel naar landen als Afghanistan en Somalië reizen. Zij hebben daardoor de grootste moeite om de VS nog binnen te komen. Ze worden apart gezet en uitgebreid ondervraagd voordat ze het land in mogen.’

Veel landen maken gebruik van terroristenlijsten, waar mensen soms onterecht op terechtkomen. Zijn die lijsten nuttig?
‘Ik vind niet dat we per se van die lijsten af moeten. Het is goed om mensen in de gaten te houden van wie bekend is dat ze gevaarlijk zijn. Maar op dit moment is er een wildgroei aan lijsten, die per land en organisatie verschillen en die met computeralgoritmes worden samengesteld op basis van ondoorzichtige criteria. Het gaat meestal niet om bewezen terroristen, maar om mensen die op basis van zacht bewijs op een lijst belanden.

Iemand die op zo’n lijst staat, kan zelf niet achterhalen waarom. Soms heeft iemand bijvoorbeeld dezelfde naam als iemand die mogelijk gevaarlijk is. Niet het bestaan van de lijsten zelf, maar het gebrek aan transparantie is het probleem.’

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.