BV Nederland is nu een rampgebied

Door Vincent van Rossem

Ooit telde Nederland heggen en houtwallen, en leefden er vele insecten en vogels. Maar het milieu vormde steeds vaker een hinderpaal voor de economische groeiambities. Inmiddels is de schoonheid verdwenen en staat het landschap alleen nog ten dienste van de economie. Hoe kon het zover komen?

Uit Maarten! 2022-3. Bestel hier losse nummers

Nog geen zestig jaar geleden maakte ons land internationaal furore met de Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening in Nederland (1966). Het leek zo mooi. De nota was ondertekend door het voltallige kabinet-Cals. Dat suggereerde grote consensus over het te voeren beleid. Zo moeilijk was dat ook niet, want de nota had een zeer hoog abstractieniveau. Het was meer een intentieverklaring; bestuurlijke middelen om daadwerkelijk in te grijpen in de ruimtelijke ontwikkeling waren beperkt. De Wet op de ruimtelijke ordening uit 1965 kende nauwelijks middelen om de planvorming op lokaal niveau te beïnvloeden, laat staan dwingend te sturen. Het gemeentelijke bestemmingsplan bleef het enige juridische middel dat werkelijk hout snijdt.

De kaart van de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening uit 1966 toont stadskernen en het ingepolderde Markermeer.

Echt dramatische problemen deden zich nog niet voor in 1966. Men maakte zich vooral zorgen over ‘ongebreidelde suburbanisatie’ – de wildgroei van uitbreidingswijkjes en villabouw. Vandaar dat de nota wilde sturen op een restrictief stedenbouwkundig beleid, aangeduid met het fameuze begrip ‘gebundelde deconcentratie’. Men was namelijk ook van mening dat de stadskernen in de Randstad groot genoeg waren. Het ideale toekomstige woonmilieu zou de voordelen van stad en land in zich moeten verenigen. De spelbreker in deze volkshuisvestelijke logica was de auto. En daarbij bleek dat het ministerie van Verkeer en Waterstaat toch geheel eigen opvattingen had over de ruimtelijke ordening in Nederland.

De suggestie dat de wegenbouw ondergeschikt gemaakt moest aan een ruimtelijk concept was natuurlijk anathema voor dit ministerie. Dat werd al in een eerder stadium duidelijk, toen het idee van het zogenoemde Groene Hart in de Randstad populair werd in stedenbouwkundige kring. Verkeer en Waterstaat gaf al in 1958 te kennen dat dergelijke wereldvreemde opvattingen geen rol konden spelen bij de planning van het toekomstige wegennet.

Het Groene Hart was een paradijs voor weidevogels

Het Groene Hart was een uitgestrekt en vrijwel ontoegankelijk veenweidegebied, een paradijs voor weidevogels. Verkeer ging over water en polderdijken, en zo had het moeten blijven volgens de meest radicale visie op de Randstad. De aanleg van moderne wegen bracht echter met zich mee dat er nieuwe vestigingsmogelijkheden ontstonden, op goedkope grond niet ver van de grote steden. Wie de topografische kaart van 1850-1864 vergelijkt met de huidige editie, kan alleen maar concluderen dat het Groene Hart niet meer bestaat. De natuur bij Zoetermeer heeft plaatsgemaakt voor industrie en verkeersaders.

 

Heilige koe

Het is gebruikelijk om Verkeer en Waterstaat te beschouwen als de boosdoener die systematisch heeft tegengewerkt in de ruimtelijke ordening. De waterstaat was echter van oudsher essentieel voor de veiligheid van onze delta. Bij de discussie over de dijkverzwaringen in het rivierengebied bleek weer eens hoe moeilijk het is om met ingenieurs tot een vergelijk te komen. Voor de wegenbouw geldt in feite hetzelfde. De realiteit van het moderne autoverkeer kan moeilijk ontkend worden.

Het Jaarboek voor het democratisch socialisme van 1997 was geheel gewijd aan het kwaad van de moderne infrastructuur. Na een lange periode van bezuinigingen kon het tweede kabinet-Kok weer geld besteden aan grote projecten zoals de Maas-vlakte en de Betuwe-lijn. Daarbij ging het vooral om werkgelegenheid – Nederland distributieland, een aspect dat in de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening (1988) zwaar was aangezet. Schiphol is ook een economische heilige koe.

Voor de PvdA waren werkgelegenheid en de bijbehorende materiële welvaart van primair belang. Niet alleen bij Verkeer en Waterstaat, maar bij alle ministeries – uitgezonderd Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) – beschouwde men ongebreidelde economische groei als een goede zaak. Hoge ambtenaren, zoals Ad Geelhoed (PvdA), secretaris-generaal bij Economische Zaken, maakten binnenskamers ongenuanceerde opmerkingen over het milieubeleid; dat was weggegooid geld.

Later zou Geelhoed dezelfde functie krijgen bij Algemene Zaken, waar hij een fijn duo vormde met Wim Kok. Ook Kok was bepaald geen natuurliefhebber. De positie van VROM is in feite altijd zwak geweest in het politieke debat. De volkshuisvesting werd al in 1993 afgeschaft, met een kamerbrede meerderheid, en in 2010 werd het gehele ministerie opgedoekt. Achteraf is het niet overdreven om te constateren dat de ruimtelijke ordening in Nederland nooit iets anders is geweest dan een papieren tijger.

 

Herverkaveling

De Tweede Nota was in 1966 ook ondertekend door de minister van Landbouw en Visserij. Maar dat ministerie werkte toen al twee decennia aan de grootste verbouwing die Nederland ooit gekend heeft, namelijk de totale herstructurering van het agrarisch gebied. Het landschap dat wij nu zien is in feite geheel nieuw. Sicco Mansholt (PvdA) was na de oorlog tot 1958 minister van Landbouw en onder zijn bezielende leiding werd de basis gelegd voor de industrialisering van het boerenbedrijf.

Het belangrijkste middel daarbij waren de herverkavelingen, waarbij het kleinschalige historische cultuurlandschap geheel van de kaart werd geveegd. Het toverwoord was ‘mechanisering’, en schaalvergroting speelde daarbij een essentiële rol. Duizenden kilometers heggen en houtwallen moesten wijken voor het nieuwe landbouwbeleid. Maar dat niet alleen; ook het grondwaterpeil moest verlaagd worden, zodat overal de natuurlijke waterlopen in het landschap een kunstmatig karakter kregen. Meanderende beken maakten plaats voor kaarsrechte afvoerkanalen, soms zelfs met betonnen oevers. Tegelijkertijd nam het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen een hoge vlucht.

In die verre jaren maakte niemand zich zorgen over de effecten van deze ondoordachte operatie op het natuurleven in Nederland. Voor de natuur waren er natuurmonumenten. Alleen een kleine groep biologen protesteerde tegen de verschraling van het agrarisch gebied; ‘ecologie’ was toen nog een nieuw woord. Door het verdwijnen van landschapselementen verdwenen ook natuurlijke vijanden van insecten, zoals vogels, met als gevolg nog meer bestrijdingsmiddelen. Maar de argumenten van deze biologen werden weggehoond als nostalgische kletskoek.

Natuurlandschap moest wijken voor landbouwgrond om de schaalvergroting van de boerenindustrie te verwezenlijken.

Ook de Bond Heemschut had kritiek op de verwoesting van het historische landschap en klaagde dat agrarische bedrijfsgebouwen steeds meer op fabrieken gingen lijken. Eind jaren vijftig kwam de Bond tot het inzicht dat verzet tegen de herverkavelingen zinloos was. Men had bovendien de handen vol aan de strijd om de historische binnensteden. Ton Koot, de secretaris van 1946 tot 1971, publiceerde in 1973 zijn herinneringen aan deze periode onder de veelzeggende titel ‘Help ze verpesten ons land’.

In de jaren zestig kwam de intensieve veehouderij tot bloei, eerst met varkens en kippen op de zandgronden, later ook in de melkveehouderij. Al in een vroeg stadium was duidelijk dat op termijn een mestprobleem moest ontstaan. Wanneer dieren gevoerd worden met voer dat niet afkomstig is van de boerderij, kan de mest niet gebruikt worden om op traditionele wijze het land te bemesten. Er ontstaat een overschot. Het ministerie van Landbouw heeft dit probleem decennialang ontkend. Na een vernietigend rapport van de Algemene Rekenkamer moest Gerrit Braks (CDA) in 1990 als verantwoordelijk minister aftreden. Maar vreemd genoeg heeft geen enkele regering zich daarna geroepen gevoeld om een einde te maken aan deze ernstige vorm van milieuvervuiling en dierenleed.

Koeien in een melkcarrousel

Marktdenken

Zelfs twintig jaar later, toen het stikstofprobleem al een nationale ramp was geworden, bedacht staatssecretaris Henk Bleker (CDA) het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dat was een schertsoplossing, die – ondanks tal van negatieve adviezen – in 2014 door staatssecretaris Sharon Dijksma (PvdA) door de Tweede Kamer werd geloodst. In 2019 maakte de Raad van State een einde aan dit bestuurlijke monstrum.

Bleker behoorde tot het eerste kabinet-Rutte, dat ook het ministerie van VROM heeft afgeschaft. Met als argument dat Nederland af was. Dat leek misschien zo, hoewel er ongetwijfeld andere motieven waren. In Den Haag werd het ministerie beschouwd als een hindermacht.

Rond 2010 is de laatste grote woningbouwoperatie in Nederland afgerond, met een miljoen nieuwe woningen in de Vinex-wijken. Ondanks grote problemen bij de uitvoering door het nieuwe marktdenken in de volkshuisvesting, zijn de Vinex-wijken een toonbeeld van goede ruimtelijke ordening. Maar dankzij het marktdenken is de woningbouw sindsdien geheel in het slop geraakt, en het is nog maar de vraag wie dit probleem gaat oplossen nu VROM niet meer bestaat.

De bouw van Vinex-wijken leverde een miljoen nieuwe huizen op. Inmiddels loopt de woningbouw op veel plaatsen in Nederland vast.

Een land is nooit af. Nederland is een bouwwerk dat voortdurend onderhoud vergt, met zo nu en dan groot onderhoud of zelfs een flinke renovatie. Iedere eigenaar van vastgoed weet dit. Gebouwen die zeer intensief gebruikt worden, raken uitgewoond. Ons land is zeer dicht bevolkt, zodat elke vorm van verwaarlozing al snel grote gevolgen heeft. Het is eigenlijk verbijsterend dat geen enkele regering dit de afgelopen zestig jaar onder ogen heeft willen zien. De Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening was een aanzet om voortaan meer planmatig te werken aan het onderhoud van stad en land. Problemen en knelpunten inventariseren, een doordacht programma van eisen formuleren en vervolgens werken aan een oplossing. Klaarblijkelijk wil het politieke bedrijf niet belemmerd worden door een dergelijke rationele en systematische aanpak. Met name het landbouwbeleid laat zien dat politici niet bereid zijn om verder te kijken dan hun neus lang is. Dat geldt niet alleen voor het CDA, alle politieke partijen zijn verantwoordelijk voor de huidige chaos, met name de PvdA. De Rabobank, de veevoederbedrijven en Campina zijn natuurlijk medeplichtig, maar niet direct echt verantwoordelijk. Een onderneming moet nu eenmaal winst maken. Vooral de boeren zelf zijn welbeschouwd het slachtoffer van politiek wanbeleid.

Het is de taak van politieke partijen om afwegingen te maken tussen tal van maatschappelijke belangen, als het kan met wat idealen

Het is de taak van politieke partijen om afwegingen te maken tussen tal van maatschappelijke belangen, als het kan met wat idealen. Na de oorlog was er de wederopbouw, en voor de PvdA nog altijd de emancipatie van de arbeider. Ook de boeren hadden recht op enige vooruitgang. Maar ergens heeft in de politiek het vreemde idee postgevat dat Nederland een bedrijf is, de BV Nederland, dat net als andere bedrijven zo veel mogelijk geld moet verdienen. De arbeider werd uiteindelijk afgescheept met een auto en wat commerciële tv-zenders. Ten slotte kon het volk zelfs met het vliegtuig op vakantie naar warme landen – via Schiphol, ook zo’n schoolvoorbeeld van wanbeleid. Zo raakte het politieke bedrijf besmet met een zekere hufterigheid, een onaangename lacherige desinteresse voor alles wat geen geld opbrengt.

 

Zwanenzang

Rond 1950 verscheen een reeks fotoboeken getiteld ‘De schoonheid van ons land’. Er bestonden al tal van vergelijkbare publicaties; de vierdelige reeks met de weemoedig stemmende titel ‘Ons eigen land’ uit 1908 had de toon gezet. Maar ‘De schoonheid van ons land’ bleek een zwanenzang, want het is niet meer mogelijk om zulke foto’s te maken. Nederland is een biologisch rampgebied, met hier en daar wat restanten die herinneren aan wat eens ons eigen land was. Eigenlijk weet niemand hoe het nu verder moet. Het zou leerzaam zijn om nog eens goed na te denken over de vraag of de BV Nederland wel zo’n goed idee was. Men heeft de kritiek van de Bond Heemschut altijd achteloos terzijde geschoven, maar inmiddels is wel duidelijk dat het erfgoed een waarde heeft die maatschappelijk hoog gewaardeerd wordt.

Fotoboeken uit de reeks ‘De schoonheid van ons land’ staan vol natuurbeelden.

Met name het behoud van de historische binnensteden, waarvoor de Bond altijd en uiteindelijk ook met succes gestreden heeft, werpt nu zijn vruchten af. Niet alleen Amsterdam, ook steden als Zutphen en Deventer bewijzen dat openbare ruimte met een menselijke schaal en aantrekkelijke architectuur van groot belang is voor het functioneren van de samenleving. De schoonheid van ons land was niet alleen een hobby van kunstliefhebbers, maar een wezenlijk onderdeel van onze beschaving. Hetzelfde geldt voor de landgoederen die na de oorlog verkommerden als relicten uit een afgeschreven verleden. De meeste zijn inmiddels opengesteld voor publiek; het zijn oases geworden in een wereld die wordt gekenmerkt door culturele armoede.

Ongerepte waterstromen zijn vervangen door rechte kanalen.

De biologen die destijds tevergeefs waarschuwden voor de gevaren van de moderne industriële landbouw hebben op een afschuwelijke manier gelijk gekregen. En hoewel De Europese Unie erkent dat landbouwdieren wezens met gevoel zijn, in staat om pijn, angst en plezier te ervaren, leiden er dagelijks miljarden dieren in de landbouwindustrie een triest leven in donkere megastallen. De prioriteit ligt daar bij de productie van zoveel mogelijk vlees, melk en eieren: zo snel en zo goedkoop mogelijk.

Kijken we naar de insecten, een zeer taaie soort. Zelfs die worden nu ernstig bedreigd. In hun voetsporen kwamen de pioniers van het onbespoten voedsel. Ook zij werden aanvankelijk hartelijk uitgelachen. Maar inmiddels is de biologische winkel een bloeiend bedrijf, omdat verstandige consumenten graag hun steentje bijdragen aan een onbespoten Nederland. Dankzij wanbeleid is milieu-en diervriendelijker voedsel van de toekomst aanmerkelijk duurder dan de rommel van de agro-industrie.

Zo heeft de BV Nederland een roemloos einde gevonden. Duurzaam is nu het nieuwe devies, maar zonder ruimtelijke ordening blijft het aanrommelen, geleid door de waan van de dag. Er zit niets anders op dan een nota schrijven die de roofbouw in beeld brengt, met een planning voor het herstel van de ravage.

Ooit telde Nederland heggen en houtwallen, en leefden er vele insecten en vogels. Maar het milieu vormde steeds vaker een hinderpaal voor de economische groeiambities. Inmiddels is de schoonheid verdwenen en staat het landschap alleen nog ten dienste van de economie. Hoe kon het zover komen?

Uit Maarten! 2022-3. Bestel hier losse nummers Nog geen zestig jaar geleden maakte ons land internationaal furore met de Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening in Nederland (1966). Het leek zo mooi. De nota was ondertekend door het voltallige kabinet-Cals. Dat suggereerde grote consensus over het te voeren beleid. Zo moeilijk was dat ook niet, want de nota had een zeer hoog abstractieniveau. Het was meer een intentieverklaring; bestuurlijke middelen om daadwerkelijk in te grijpen in de ruimtelijke ontwikkeling waren beperkt. De Wet op de ruimtelijke ordening uit 1965 kende nauwelijks middelen om de planvorming op lokaal niveau te beïnvloeden, laat staan dwingend te sturen. Het gemeentelijke bestemmingsplan bleef het enige juridische middel dat werkelijk hout snijdt.

De kaart van de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening uit 1966 toont stadskernen en het ingepolderde Markermeer.

Echt dramatische problemen deden zich nog niet voor in 1966. Men maakte zich vooral zorgen over ‘ongebreidelde suburbanisatie’ – de wildgroei van uitbreidingswijkjes en villabouw. Vandaar dat de nota wilde sturen op een restrictief stedenbouwkundig beleid, aangeduid met het fameuze begrip ‘gebundelde deconcentratie’. Men was namelijk ook van mening dat de stadskernen in de Randstad groot genoeg waren. Het ideale toekomstige woonmilieu zou de voordelen van stad en land in zich moeten verenigen. De spelbreker in deze volkshuisvestelijke logica was de auto. En daarbij bleek dat het ministerie van Verkeer en Waterstaat toch geheel eigen opvattingen had over de ruimtelijke ordening in Nederland. De suggestie dat de wegenbouw ondergeschikt gemaakt moest aan een ruimtelijk concept was natuurlijk anathema voor dit ministerie. Dat werd al in een eerder stadium duidelijk, toen het idee van het zogenoemde Groene Hart in de Randstad populair werd in stedenbouwkundige kring. Verkeer en Waterstaat gaf al in 1958 te kennen dat dergelijke wereldvreemde opvattingen geen rol konden spelen bij de planning van het toekomstige wegennet.
Het Groene Hart was een paradijs voor weidevogels
Het Groene Hart was een uitgestrekt en vrijwel ontoegankelijk veenweidegebied, een paradijs voor weidevogels. Verkeer ging over water en polderdijken, en zo had het moeten blijven volgens de meest radicale visie op de Randstad. De aanleg van moderne wegen bracht echter met zich mee dat er nieuwe vestigingsmogelijkheden ontstonden, op goedkope grond niet ver van de grote steden. Wie de topografische kaart van 1850-1864 vergelijkt met de huidige editie, kan alleen maar concluderen dat het Groene Hart niet meer bestaat. De natuur bij Zoetermeer heeft plaatsgemaakt voor industrie en verkeersaders.  

Heilige koe

Het is gebruikelijk om Verkeer en Waterstaat te beschouwen als de boosdoener die systematisch heeft tegengewerkt in de ruimtelijke ordening. De waterstaat was echter van oudsher essentieel voor de veiligheid van onze delta. Bij de discussie over de dijkverzwaringen in het rivierengebied bleek weer eens hoe moeilijk het is om met ingenieurs tot een vergelijk te komen. Voor de wegenbouw geldt in feite hetzelfde. De realiteit van het moderne autoverkeer kan moeilijk ontkend worden. Het Jaarboek voor het democratisch socialisme van 1997 was geheel gewijd aan het kwaad van de moderne infrastructuur. Na een lange periode van bezuinigingen kon het tweede kabinet-Kok weer geld besteden aan grote projecten zoals de Maas-vlakte en de Betuwe-lijn. Daarbij ging het vooral om werkgelegenheid - Nederland distributieland, een aspect dat in de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening (1988) zwaar was aangezet. Schiphol is ook een economische heilige koe. Voor de PvdA waren werkgelegenheid en de bijbehorende materiële welvaart van primair belang. Niet alleen bij Verkeer en Waterstaat, maar bij alle ministeries – uitgezonderd Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) – beschouwde men ongebreidelde economische groei als een goede zaak. Hoge ambtenaren, zoals Ad Geelhoed (PvdA), secretaris-generaal bij Economische Zaken, maakten binnenskamers ongenuanceerde opmerkingen over het milieubeleid; dat was weggegooid geld. Later zou Geelhoed dezelfde functie krijgen bij Algemene Zaken, waar hij een fijn duo vormde met Wim Kok. Ook Kok was bepaald geen natuurliefhebber. De positie van VROM is in feite altijd zwak geweest in het politieke debat. De volkshuisvesting werd al in 1993 afgeschaft, met een kamerbrede meerderheid, en in 2010 werd het gehele ministerie opgedoekt. Achteraf is het niet overdreven om te constateren dat de ruimtelijke ordening in Nederland nooit iets anders is geweest dan een papieren tijger.  

Herverkaveling

De Tweede Nota was in 1966 ook ondertekend door de minister van Landbouw en Visserij. Maar dat ministerie werkte toen al twee decennia aan de grootste verbouwing die Nederland ooit gekend heeft, namelijk de totale herstructurering van het agrarisch gebied. Het landschap dat wij nu zien is in feite geheel nieuw. Sicco Mansholt (PvdA) was na de oorlog tot 1958 minister van Landbouw en onder zijn bezielende leiding werd de basis gelegd voor de industrialisering van het boerenbedrijf. Het belangrijkste middel daarbij waren de herverkavelingen, waarbij het kleinschalige historische cultuurlandschap geheel van de kaart werd geveegd. Het toverwoord was ‘mechanisering’, en schaalvergroting speelde daarbij een essentiële rol. Duizenden kilometers heggen en houtwallen moesten wijken voor het nieuwe landbouwbeleid. Maar dat niet alleen; ook het grondwaterpeil moest verlaagd worden, zodat overal de natuurlijke waterlopen in het landschap een kunstmatig karakter kregen. Meanderende beken maakten plaats voor kaarsrechte afvoerkanalen, soms zelfs met betonnen oevers. Tegelijkertijd nam het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen een hoge vlucht. In die verre jaren maakte niemand zich zorgen over de effecten van deze ondoordachte operatie op het natuurleven in Nederland. Voor de natuur waren er natuurmonumenten. Alleen een kleine groep biologen protesteerde tegen de verschraling van het agrarisch gebied; ‘ecologie’ was toen nog een nieuw woord. Door het verdwijnen van landschapselementen verdwenen ook natuurlijke vijanden van insecten, zoals vogels, met als gevolg nog meer bestrijdingsmiddelen. Maar de argumenten van deze biologen werden weggehoond als nostalgische kletskoek.

Natuurlandschap moest wijken voor landbouwgrond om de schaalvergroting van de boerenindustrie te verwezenlijken.

Ook de Bond Heemschut had kritiek op de verwoesting van het historische landschap en klaagde dat agrarische bedrijfsgebouwen steeds meer op fabrieken gingen lijken. Eind jaren vijftig kwam de Bond tot het inzicht dat verzet tegen de herverkavelingen zinloos was. Men had bovendien de handen vol aan de strijd om de historische binnensteden. Ton Koot, de secretaris van 1946 tot 1971, publiceerde in 1973 zijn herinneringen aan deze periode onder de veelzeggende titel ‘Help ze verpesten ons land’. In de jaren zestig kwam de intensieve veehouderij tot bloei, eerst met varkens en kippen op de zandgronden, later ook in de melkveehouderij. Al in een vroeg stadium was duidelijk dat op termijn een mestprobleem moest ontstaan. Wanneer dieren gevoerd worden met voer dat niet afkomstig is van de boerderij, kan de mest niet gebruikt worden om op traditionele wijze het land te bemesten. Er ontstaat een overschot. Het ministerie van Landbouw heeft dit probleem decennialang ontkend. Na een vernietigend rapport van de Algemene Rekenkamer moest Gerrit Braks (CDA) in 1990 als verantwoordelijk minister aftreden. Maar vreemd genoeg heeft geen enkele regering zich daarna geroepen gevoeld om een einde te maken aan deze ernstige vorm van milieuvervuiling en dierenleed.

Koeien in een melkcarrousel

Marktdenken

Zelfs twintig jaar later, toen het stikstofprobleem al een nationale ramp was geworden, bedacht staatssecretaris Henk Bleker (CDA) het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dat was een schertsoplossing, die – ondanks tal van negatieve adviezen – in 2014 door staatssecretaris Sharon Dijksma (PvdA) door de Tweede Kamer werd geloodst. In 2019 maakte de Raad van State een einde aan dit bestuurlijke monstrum. Bleker behoorde tot het eerste kabinet-Rutte, dat ook het ministerie van VROM heeft afgeschaft. Met als argument dat Nederland af was. Dat leek misschien zo, hoewel er ongetwijfeld andere motieven waren. In Den Haag werd het ministerie beschouwd als een hindermacht. Rond 2010 is de laatste grote woningbouwoperatie in Nederland afgerond, met een miljoen nieuwe woningen in de Vinex-wijken. Ondanks grote problemen bij de uitvoering door het nieuwe marktdenken in de volkshuisvesting, zijn de Vinex-wijken een toonbeeld van goede ruimtelijke ordening. Maar dankzij het marktdenken is de woningbouw sindsdien geheel in het slop geraakt, en het is nog maar de vraag wie dit probleem gaat oplossen nu VROM niet meer bestaat.

De bouw van Vinex-wijken leverde een miljoen nieuwe huizen op. Inmiddels loopt de woningbouw op veel plaatsen in Nederland vast.

Een land is nooit af. Nederland is een bouwwerk dat voortdurend onderhoud vergt, met zo nu en dan groot onderhoud of zelfs een flinke renovatie. Iedere eigenaar van vastgoed weet dit. Gebouwen die zeer intensief gebruikt worden, raken uitgewoond. Ons land is zeer dicht bevolkt, zodat elke vorm van verwaarlozing al snel grote gevolgen heeft. Het is eigenlijk verbijsterend dat geen enkele regering dit de afgelopen zestig jaar onder ogen heeft willen zien. De Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening was een aanzet om voortaan meer planmatig te werken aan het onderhoud van stad en land. Problemen en knelpunten inventariseren, een doordacht programma van eisen formuleren en vervolgens werken aan een oplossing. Klaarblijkelijk wil het politieke bedrijf niet belemmerd worden door een dergelijke rationele en systematische aanpak. Met name het landbouwbeleid laat zien dat politici niet bereid zijn om verder te kijken dan hun neus lang is. Dat geldt niet alleen voor het CDA, alle politieke partijen zijn verantwoordelijk voor de huidige chaos, met name de PvdA. De Rabobank, de veevoederbedrijven en Campina zijn natuurlijk medeplichtig, maar niet direct echt verantwoordelijk. Een onderneming moet nu eenmaal winst maken. Vooral de boeren zelf zijn welbeschouwd het slachtoffer van politiek wanbeleid.
Het is de taak van politieke partijen om afwegingen te maken tussen tal van maatschappelijke belangen, als het kan met wat idealen
Het is de taak van politieke partijen om afwegingen te maken tussen tal van maatschappelijke belangen, als het kan met wat idealen. Na de oorlog was er de wederopbouw, en voor de PvdA nog altijd de emancipatie van de arbeider. Ook de boeren hadden recht op enige vooruitgang. Maar ergens heeft in de politiek het vreemde idee postgevat dat Nederland een bedrijf is, de BV Nederland, dat net als andere bedrijven zo veel mogelijk geld moet verdienen. De arbeider werd uiteindelijk afgescheept met een auto en wat commerciële tv-zenders. Ten slotte kon het volk zelfs met het vliegtuig op vakantie naar warme landen - via Schiphol, ook zo’n schoolvoorbeeld van wanbeleid. Zo raakte het politieke bedrijf besmet met een zekere hufterigheid, een onaangename lacherige desinteresse voor alles wat geen geld opbrengt.  

Zwanenzang

Rond 1950 verscheen een reeks fotoboeken getiteld ‘De schoonheid van ons land’. Er bestonden al tal van vergelijkbare publicaties; de vierdelige reeks met de weemoedig stemmende titel ‘Ons eigen land’ uit 1908 had de toon gezet. Maar ‘De schoonheid van ons land’ bleek een zwanenzang, want het is niet meer mogelijk om zulke foto’s te maken. Nederland is een biologisch rampgebied, met hier en daar wat restanten die herinneren aan wat eens ons eigen land was. Eigenlijk weet niemand hoe het nu verder moet. Het zou leerzaam zijn om nog eens goed na te denken over de vraag of de BV Nederland wel zo’n goed idee was. Men heeft de kritiek van de Bond Heemschut altijd achteloos terzijde geschoven, maar inmiddels is wel duidelijk dat het erfgoed een waarde heeft die maatschappelijk hoog gewaardeerd wordt.

Fotoboeken uit de reeks ‘De schoonheid van ons land’ staan vol natuurbeelden.

Met name het behoud van de historische binnensteden, waarvoor de Bond altijd en uiteindelijk ook met succes gestreden heeft, werpt nu zijn vruchten af. Niet alleen Amsterdam, ook steden als Zutphen en Deventer bewijzen dat openbare ruimte met een menselijke schaal en aantrekkelijke architectuur van groot belang is voor het functioneren van de samenleving. De schoonheid van ons land was niet alleen een hobby van kunstliefhebbers, maar een wezenlijk onderdeel van onze beschaving. Hetzelfde geldt voor de landgoederen die na de oorlog verkommerden als relicten uit een afgeschreven verleden. De meeste zijn inmiddels opengesteld voor publiek; het zijn oases geworden in een wereld die wordt gekenmerkt door culturele armoede.

Ongerepte waterstromen zijn vervangen door rechte kanalen.

De biologen die destijds tevergeefs waarschuwden voor de gevaren van de moderne industriële landbouw hebben op een afschuwelijke manier gelijk gekregen. En hoewel De Europese Unie erkent dat landbouwdieren wezens met gevoel zijn, in staat om pijn, angst en plezier te ervaren, leiden er dagelijks miljarden dieren in de landbouwindustrie een triest leven in donkere megastallen. De prioriteit ligt daar bij de productie van zoveel mogelijk vlees, melk en eieren: zo snel en zo goedkoop mogelijk. Kijken we naar de insecten, een zeer taaie soort. Zelfs die worden nu ernstig bedreigd. In hun voetsporen kwamen de pioniers van het onbespoten voedsel. Ook zij werden aanvankelijk hartelijk uitgelachen. Maar inmiddels is de biologische winkel een bloeiend bedrijf, omdat verstandige consumenten graag hun steentje bijdragen aan een onbespoten Nederland. Dankzij wanbeleid is milieu-en diervriendelijker voedsel van de toekomst aanmerkelijk duurder dan de rommel van de agro-industrie. Zo heeft de BV Nederland een roemloos einde gevonden. Duurzaam is nu het nieuwe devies, maar zonder ruimtelijke ordening blijft het aanrommelen, geleid door de waan van de dag. Er zit niets anders op dan een nota schrijven die de roofbouw in beeld brengt, met een planning voor het herstel van de ravage.

Welkom bij Maarten!

Maak eenmalig een gratis account aan en krijg toegang tot al onze artikelen. Lees gratis op onze site en ontvang elke twee weken nieuws, diepgravende artikelen, interviews, evenementen en acties van Maarten! in uw mailbox.

InloggenRegistreren

Reacties

Geef een reactie

Gerelateerde artikelen

Vincent van Rossem: ‘Stop de boerenlobby!’

‘We zijn vergeten hoe de natuur er vroeger uitzag’

Afhankelijk van China

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.