‘De mens heeft niets te zoeken in de ruimte’
Gepubliceerd op:
Door Maarten van Rossem en Teun Willemse • Foto’s Sander Heezen
De toekomst van de mensheid ligt niet op Mars of een nog onontdekte planeet, zegt sterrenkundige Vincent Icke. Daarvoor zijn we te veel verbonden met de aarde. ‘Een boom zit niet alleen met zijn wortels in de grond, al zijn moleculen zitten aan de hele planeet vast. Datzelfde geldt voor ons.’
Uit Maarten! 2025-4. Bestel losse nummers hier of word abonnee
In het thuisatelier van Vincent Icke, die naast natuur- en sterrenkundige ook beeldend kunstenaar is, complimenteert Maarten hem met zijn geordende boeken kasten. Dan valt zijn oog op een notitie blok waarin allerlei wiskundige formules onder elkaar zijn gekrabbeld.
Maarten: Vond jij wiskunde altijd al leuk?
Icke: ‘O ja. Genieten.’
Ik vond er niks aan.
‘Als je wiskunde niet leuk vindt, moet je eens proberen de formules in het Nederlands uit te spreken. Iedere wiskundige stelling is in feite een stenoweergave van een volzin. Het is een taal met een heel strikte grammatica en ijzeren regels, waarin niets ooit tweeduidig is.
Mijn liefde voor algebra begon tijdens mijn studie in Utrecht. Toen ik tijdens een hoor college iets niet snapte en mijn hand opstak, beantwoordde de professor mijn vraag met: “Dat weet ik zo niet, maar ik kom erop terug.” Ik weet nog wat ik toen dacht: lul, natuurlijk doe je dat niet. Ik had op een streng gymnasium gezeten, en was daar gewend geraakt aan dit soort kluitjes-in-het-riet-antwoorden.
‘Alles om ons heen verandert, maar de sterrenhemel niet’
Maar de week erop legde de professor zijn spullen neer, zocht hij mijn gezicht in de zaal en gaf hij me het antwoord. Man, ik had tranen in mijn ogen. Hier werd ik serieus genomen door iemand die duizend keer meer wist dan ik. Die had de tijd genomen om iets voor mij op te zoeken. Het was mijn epifanie: hier ga ik nooit meer weg. Uiteindelijk ben ik theoretische natuurkunde en sterrenkunde gaan studeren. Dat ik in de astrofysica belandde, kwam doordat ik in Leiden een promotieplaats aangeboden kreeg.’
Kijk je zelf nog graag naar de sterrenhemel?
‘Jazeker. Een van de leukste instrumenten om naar de sterren te kijken is het blote oog. Als ik naar de hemel tuur, stel ik me voor hoe fantastisch het zesduizend jaar geleden moet zijn geweest voor iemand die naar boven keek. Alles om ons heen verandert, maar de sterrenhemel niet.’
Ik kijk op Texel graag naar de sterren. Is er een plek die je mijn lezers zou aanraden?
‘In Nederland zijn de Waddeneilanden inderdaad de beste plek, vooral Schiermonnikoog. Wat je ook kunt doen is een plaatje zoeken van de aarde bij nacht, en dan naar de donkerste plekken gaan.’

Ik herinner me hoe ik na lang sparen op 14-jarige leeftijd een telescoop kon kopen. Was de interesse voor het heelal er bij jou ook al vroeg?
‘Jazeker. Hier in de kast staat nog een boek uit mijn jeugd: Maak je eigen sterrenkijker. Uiteindelijk heb ik er twee gebouwd. Hoe de schaduwen in de kraters van de maan in één nacht veranderen, dat vond ik schitterend. Je kon er ook de ringen van Saturnus mee zien. Dat het ringen zijn, heeft Christiaan Huygens ooit ontdekt.’
Is Huygens een voorbeeld voor je?
‘Hij is een van mijn grote helden. Huygens was de eerste die de wetenschappelijke aanpak goed beschreef in zijn Traité de la lumière. Hij stelt daarin dat het in de wetenschap om twee dingen gaat. In de eerste plaats om opmerkzaamheid. Dat moet je niet verwarren met nieuwsgierigheid, want dat heeft iedereen. Het draait om “ik zie, ik zie, wat jij ook ziet”, maar ik zie het anders. Ik zie het beter. Ik zie het in relatie tot andere dingen die ik weet.’
Punt twee is dat een wetenschapper een hypothese moet formuleren. Die veronderstelling is net zo goed een creatie of schepping als een symfonie, een beeldhouwwerk of een schilderij. Op grond van die veronderstelling, en nu citeer ik Huygens, moet je een voorspelling doen, die je daarna toetst aan een nieuwe waarneming of experiment. Als de uitkomst klopt met jouw hypothese heb je geen gelijk, maar mag jouw veronderstelling nog even blijven.
Ik vind Huygens’ boek nog steeds ontroerend om te lezen, want je voelt zijn enthousiasme. In een tijd dat iedereen dacht dat wetenschap een kwestie was van het opstapelen van gegevens tot de waarheid je aanstaart, kwam hij met dit fantastische inzicht: je moet het zelf creëren.’
Dat vind ik ook knap aan de gedachte-experimenten van Albert Einstein, die op het eerste gezicht betrekkelijk simpel lijken. Had kunstmatige intelligentie daar ooit op kunnen komen?
‘Nee. Een van de redenen dat Artificial Intelligence op dit moment wetenschappelijk niets voorstelt, is dat het werkt op gegevens die het van mensen kopieert. Als wij de zon onder zien gaan, kunnen we op basis daarvan een hypothese bedenken: zou het kunnen dat wij op een draaiende bol zitten? Kunstmatige intelligentie zou zeggen: je bent volkomen geschift, je ziet toch dat die zon ondergaat?’
Als sterrenkundige had jij de tijd mee: na de Tweede Wereldoorlog was er een enorme uitbreiding van het instrumentarium. Toch snappen we nog steeds weinig van het heelal.
‘Nou, dat valt wel mee. Het ontstaan en de evolutie van sterren, planeten en sterrenstelsels hebben we behoorlijk goed door.’
Maar we zijn nog niet veel verder gekomen dan Einstein, toch?
‘Nee, zijn algemene relativiteitstheorie van 1915 staat nog steeds als een huis.’
En we weten ook weinig van de zogenoemde ‘donkere materie’.
‘Daar lopen we tegen een experimenteel en een theoretisch probleem aan. Ons experimentele probleem draait om waarneming. Wat wij van het heelal kunnen zien in de vorm van fotonen, waterstofatomen en andere spulletjes waar jij en ik uit gebouwd zijn, is maar 5 procent van het totaal. De andere 95 procent bestaat uit donkere materie of donkere energie – die je eigenlijk niet eens “materie” mag noemen, want we hebben geen flauw idee wat het is.
‘Ik kan je bewijzen dat wij niet klein en nietig zijn’
Er wordt nu druk aan dat probleem gewerkt met de Euclid-telescoop, een verpletterend instrument dat beelden aan de hemel terug probeert te rekenen naar de structuur en kromming van de ruimte. Die kromming moet namelijk veroorzaakt zijn door “iets”, en dat is waarschijnlijk dat donkere spul. Ik denk dat we er binnen vijf tot twintig jaar wel achter komen hoe dat zit.
Maar dan blijft er nog een theoretisch probleem bestaan: Einsteins relativiteitstheorie valt namelijk niet te rijmen met de kwantummechanica. In de algemene relativiteitstheorie heeft een gegeven oorzaak een exact bepaald gevolg, net als met biljarten. Maar in de kwantummechanica is het gevolg van een oorzaak onbepaald. In dat geval kun je alleen zeggen wat de waarschijnlijkheid is dat een waargenomen gevolg voortkomt uit die oorzaak. Niemand weet hoe je die twee stukken natuurkunde kunt samenvoegen. Toch moet dat, want aan het begin van het heelal zijn beide met elkaar verbonden.’
Zit er een grens aan ons weten?
‘Het ligt niet voor de hand dat we ooit alles zullen begrijpen wat er te begrijpen valt in het heelal. We zijn in feite maar een soort aap, dus het is een godswonder dat we al zo ver zijn gekomen.’
Kun jij troost vinden in de wetenschap?
‘Troost niet, wel schoonheid en emotie. Dat je een verschijnsel kunt vatten in een formule die op de achterkant van een postzegel past, vind ik ontroerend.’
Geeft de grootsheid van de ruimte je ook wel eens een klein en nietig gevoel?
‘Ik kan je bewijzen dat wij niet klein en nietig zijn. We bestaan weliswaar uit de goedkoopste meuk die er in het heelal voor het oprapen ligt: waterstof, stikstof, koolstof, zuurstof, fosfor en zwavel. Maar we bestaan uit zo godsliederlijk veel van die atomen en moleculen, dat het een wiskundige zekerheid is dat zowel jij als ik uniek zijn in het heelal. Om jezelf dan nietig te verklaren, vind ik niet logisch.
Voor mij geldt eigenlijk het omgekeerde. Het feit dat ik door die gewone atomen, moleculen, zonnestraling en energie Vincent Icke ben, met mijn omgeving, mijn vrienden en mijn geliefden, dat vind ik fantastisch. Dat ik uit hetzelfde spul besta als wat we aan de hemel zien – prachtig.’
De kans is vrij groot dat er ook elders in de ruimte levende wezens bestaan.
‘Nog niet zo lang geleden, in het midden van de twintigste eeuw, moest je verdomd goede redenen aanvoeren als je beweerde dat er buitenaards leven bestond. Tegenwoordig is het andersom. Planeten van het type aarde, daar zijn er in onze Melkweg alleen al honderd miljard van.’
Hier steekt het christendom zijn venijnige staart op. Wij zijn speciaal gecreëerd op deze aarde.
‘Nou ja, wetenschappelijk gezien kun je dat niet uitsluiten. Want er is geen toets voor. Maar als wij mensen echt speciaal zijn geschapen en er verder niets bestaat wat op de aarde lijkt, zou ik dat treurnis vinden.
Het verschil tussen religie en wetenschap is dat we allebei vragen stellen, maar dat de wetenschap geïnteresseerd is in het antwoord, en religie niet. Het geloof weet het antwoord al en zoekt naar bevestiging, terwijl de wetenschap als hoofdtaak heeft om aan haar eigen stoelpoten te zagen.’

Gaan we ooit bewijs vinden van buitenaards leven?
‘Dat is de enige tegenwerping die nog overeind staat: waar zijn die buitenaardsen dan? En hoe kunnen wij hun bestaan constateren? Intelligent leven zou absoluut onze signalen kunnen opvangen, want de landingsradar van Schiphol kun je door de hele Melkweg zien. Andersom zouden we gecodeerde signalen binnen 75 licht jaar van de aarde ook zeker opgemerkt hebben.
Maar het is niet alleen een kwestie van afstand. Wat veel mensen zich niet realiseren, is dat wij qua massa helemaal niet maatgevend zijn op onze planeet. De grootste biomassa op aarde is groen snot: algen, wieren en schimmels. Bewijs dat er intelligent leven bestaat zoals wij zal lastig te vinden zijn, maar aanwijzingen dat er leven is zoals de grootste biomassa op aarde, dat gaat lukken.
Stel je voor dat we over tien jaar een goed werkende kwantumcomputer hebben. Dan kunnen we de waarschijnlijkheid van buitenaards leven misschien wel berekenen. Dat zal eerder gebeuren dan bewijs door astronomische waarneming, vermoed ik.’
Wat zou het bewijs van buitenaards leven voor impact hebben?
‘Astronomisch gezien zullen we blij zijn. Het is hartstikke leuk om er een Nobelprijs voor te krijgen. Maar we hebben dit altijd wel gedacht, dus we hoeven onze bakens niet te verzetten.’
Misschien zijn wij voor die buitenaardsen helemaal niet interessant. Hoe denk jij eigenlijk over de rol van de mens in de ruimte?
‘De mens heeft in de ruimte niets te zoeken. Wel in instrumentele zin: dankzij ruimte telescopen en satellieten hebben we de meest briljante dingen ontdekt. En Poetin had de Oekraïners allang onder de voet gelopen als die geen satellieten boven hun hoofd hadden gehad om op het slagveld te kunnen communiceren. Dat je jouw plaats op aarde kunt bepalen met een precisie van tien centimeter is allemaal te danken aan de toegepaste sterrenkunde.
Maar om een mens de ruimte in te sturen, is onzin. Er is geen enkele plek op aarde die zo onherbergzaam is als de beste plek op Mars. Het is in principe mogelijk om er een plastic bubbel te maken waarin mensen enkele tientallen jaren kunnen overleven. Maar vergeleken met die plek zou de Gobiwoestijn nog fantastisch zijn.
Bovendien zijn wij als mensen ontzettend verbonden met de aarde door 3,4 miljard jaar evolutie. Een boom zit niet alleen met zijn wortels in de grond, maar ieder molecuul in die boom zit aan de hele planeet vast. Datzelfde geldt voor ons. Wij zijn een uitdrukkingsvorm van onze planeet.’
Zou jij zelf wel de ruimte in willen? Ik zou dat op mijn leeftijd niet meer aandurven.
‘Er wordt vaak gedacht dat je in absolute topconditie moet zijn om een ruimtevlucht te maken, maar dat is helemaal niet waar. Mensen die meegaan worden niet geselecteerd op hun spierkracht, maar op hun mentale instelling. Raak jij in paniek als er iets gebeurt wat je niet voorzien hebt? Kun jij opgesloten zitten in een ruimte die zo groot is als een halve telefooncel? Als ik geen familie had, zou ik het wel willen.’
Ik kijk op het internet graag naar de spectaculaire foto’s van de Hubbletelescoop. Geniet jij daar ook van?
‘Een van mijn ergernissen is dat ik die prachtige plaatjes niet genoeg vind. Bij iedere foto van de James Webb Space Telescope of de Hubble Space Telescope zou je ook moeten vermelden wat we er tot nu toe van begrepen hebben. Nu dat niet gebeurt, werken die beelden vermoeiend. Met mooie plaatjes van sterren en nevels is het net als met vakantiefoto’s: na de derde foto van een rij palmbomen komen die je ook de strot uit. Tot nu toe hebben die telescopen ons ook nog geen inzichten opgeleverd die we niet langs de theoretische weg konden leren.’
Wat hebben we de laatste jaren wel geleerd over het heelal?
‘Dat bij het ontstaan van sterren en planeten de aanwezigheid van stof heel belangrijk is.’
Dan is er nog hoop voor mijn studeerkamer.
‘Het gaat om heel kleine korrels, veel kleiner dan het soort stof dat je op aarde hebt. Dat is bijzonder omdat het maar één procent van de massa in het heelal beslaat. Dus slechts één procent van alle rotzooi die er in het heelal aan wezig is, bepaalt mede of er al dan niet planeten en sterren ontstaan.’
Loopt Nederland eigenlijk voorop op het gebied van sterrenkunde?
‘Dat is altijd zo geweest. Nederland is per hoofd van de bevolking het beste, grootste, meest productieve sterrenkundeland ter wereld. In het buitenland wordt dat meer erkend dan hier.’

Ik verbaas me wel eens over de grootse plannen voor de militarisering van de ruimte.
‘Satellieten hebben zich voor militair gebruik bewezen. Ze zijn geschikt voor communicatie of om erachter te komen waar de vijand zich ophoudt. Maar om vanuit een satelliet de aarde te beschieten, is militair gesproken een van de stomste dingen die je kunt doen.
Je vuurt dan vanaf drie- of vierhonderd kilometer hoogte, dat zie je heel lang van tevoren aankomen. Voor de vijand ben je gevaarlijker als je achter de bosjes zit met een kalasjnikov. Als je de vijand echt voor zijn raap wil schieten, heb je ook veel meer aan een drone van duizend euro dan aan een satelliet van 40 of 50 miljoen.’
De satelliet-internetservice van Elon Musk vind ik ook indrukwekkend. Je moet er maar opkomen.
‘Het idee van Starlink was helemaal niet nieuw. Anderen hebben dit niet eerder gedaan omdat het storend en gevaarlijk is. Astronomen en andere gebruikers van de ruimte hebben er veel last van. Als deze satellieten tegen elkaar botsen – en dat gaat een keer gebeuren – ontstaat er een schrootwolk rondom de aarde.’
Kun je een systeem maken om dat ruimtevuil op te ruimen?
‘Nee. Je moet wachten tot het naar beneden komt.’
Misschien kunnen we een net bouwen.
‘Dat fijnmazige net zou 50 bij 100 kilometer moeten zijn, en zou gevaarlijker zijn dan het schroot zelf. Een systeem als Starlink hebben we niet eerder gelanceerd om onszelf te beschermen, maar Musk doet het nu wel, omdat hij schijt heeft aan ieder ander dan Elon Musk. Dat gaat straks leiden tot ruimtevervuiling op grote schaal.’
Vincent Icke (1946) is hoogleraar theoretische sterrenkunde aan de Universiteit Leiden en beeldend kunstenaar. Hij was columnist bij NRC en schuift geregeld aan bij talkshows. Icke schreef verschillende boeken over sterrenkunde en wetenschap. Zijn meest recente boek, Reisbureau Einstein, over buitenaardse buren, is nog met korting verkrijgbaar via icke-lemmens@kpnmail.nl. Hij werkt nu aan een bundeling van zijn publicaties over Christiaan Huygens, die in 2029 moet verschijnen.
De toekomst van de mensheid ligt niet op Mars of een nog onontdekte planeet, zegt sterrenkundige Vincent Icke. Daarvoor zijn we te veel verbonden met de aarde. ‘Een boom zit niet alleen met zijn wortels in de grond, al zijn moleculen zitten aan de hele planeet vast. Datzelfde geldt voor ons.’
Uit Maarten! 2025-4. Bestel losse nummers hier of word abonnee
In het thuisatelier van Vincent Icke, die naast natuur- en sterrenkundige ook beeldend kunstenaar is, complimenteert Maarten hem met zijn geordende boeken kasten. Dan valt zijn oog op een notitie blok waarin allerlei wiskundige formules onder elkaar zijn gekrabbeld.
Maarten: Vond jij wiskunde altijd al leuk?
Icke: ‘O ja. Genieten.’
Ik vond er niks aan.
‘Als je wiskunde niet leuk vindt, moet je eens proberen de formules in het Nederlands uit te spreken. Iedere wiskundige stelling is in feite een stenoweergave van een volzin. Het is een taal met een heel strikte grammatica en ijzeren regels, waarin niets ooit tweeduidig is.
Mijn liefde voor algebra begon tijdens mijn studie in Utrecht. Toen ik tijdens een hoor college iets niet snapte en mijn hand opstak, beantwoordde de professor mijn vraag met: “Dat weet ik zo niet, maar ik kom erop terug.” Ik weet nog wat ik toen dacht: lul, natuurlijk doe je dat niet. Ik had op een streng gymnasium gezeten, en was daar gewend geraakt aan dit soort kluitjes-in-het-riet-antwoorden.
‘Alles om ons heen verandert, maar de sterrenhemel niet’
Maar de week erop legde de professor zijn spullen neer, zocht hij mijn gezicht in de zaal en gaf hij me het antwoord. Man, ik had tranen in mijn ogen. Hier werd ik serieus genomen door iemand die duizend keer meer wist dan ik. Die had de tijd genomen om iets voor mij op te zoeken. Het was mijn epifanie: hier ga ik nooit meer weg. Uiteindelijk ben ik theoretische natuurkunde en sterrenkunde gaan studeren. Dat ik in de astrofysica belandde, kwam doordat ik in Leiden een promotieplaats aangeboden kreeg.’
Kijk je zelf nog graag naar de sterrenhemel?
‘Jazeker. Een van de leukste instrumenten om naar de sterren te kijken is het blote oog. Als ik naar de hemel tuur, stel ik me voor hoe fantastisch het zesduizend jaar geleden moet zijn geweest voor iemand die naar boven keek. Alles om ons heen verandert, maar de sterrenhemel niet.’
Ik kijk op Texel graag naar de sterren. Is er een plek die je mijn lezers zou aanraden?
‘In Nederland zijn de Waddeneilanden inderdaad de beste plek, vooral Schiermonnikoog. Wat je ook kunt doen is een plaatje zoeken van de aarde bij nacht, en dan naar de donkerste plekken gaan.’

Ik herinner me hoe ik na lang sparen op 14-jarige leeftijd een telescoop kon kopen. Was de interesse voor het heelal er bij jou ook al vroeg?
‘Jazeker. Hier in de kast staat nog een boek uit mijn jeugd: Maak je eigen sterrenkijker. Uiteindelijk heb ik er twee gebouwd. Hoe de schaduwen in de kraters van de maan in één nacht veranderen, dat vond ik schitterend. Je kon er ook de ringen van Saturnus mee zien. Dat het ringen zijn, heeft Christiaan Huygens ooit ontdekt.’
Welkom bij Maarten!
Maak eenmalig een gratis account aan en krijg toegang tot al onze artikelen. Lees gratis op onze site en ontvang elke twee weken nieuws, diepgravende artikelen, interviews, evenementen en acties van Maarten! in je mailbox.
InloggenRegistreren