Domweg gelukkig in Lelystad

Door Vincent van Rossem

Na de oorlog werd in de polder geëxperimenteerd met moderne stedenbouw. Lelystad en Almere bestaan uit clusters woonwijken zonder centrum. Mislukt, was de conclusie: het is onmogelijk om een nieuwe stad te bouwen met de kwaliteiten van historisch gegroeide steden. Maar betaalbare huizen in de open ruimte zijn misschien wel dé oplossing in deze tijd van woningschaarste.

Uit Maarten! 4 – 2021. Bestel het nummer hier

Een merkwaardig hoofdstuk in de geschiedenis van de Nederlandse stedenbouw, dat is Lelystad. In vakkringen wordt altijd wat meewarig gelachen wanneer de stad ter sprake komt – vrijwel iedereen is van mening dat Lelystad een mislukking is. Dat oordeel berust echter niet zozeer op een analyse van de hedendaagse situatie, maar vooral op de ongelukkige gang van zaken tijdens de planvorming, lang voordat de eerste woningen in 1967 gereedkwamen. Lelystad telt nu 80.000 inwoners en het is een min of meer normale Nederlandse provinciestad geworden. Assen is echt niet zo heel veel aantrekkelijker, om te zwijgen van Ede. Alleen oude steden, met een historische kern van enige omvang, hebben stedenbouwkundig een aantoonbare meerwaarde.

Deze laatste constatering vormt de essentie van het probleem. In die zin markeert de mislukking van Lelystad de mislukking van de moderne stedenbouw in het algemeen. Het is onmogelijk om een geheel nieuwe stad te bouwen met de kwaliteiten van historisch gegroeide steden. Maar de pioniers in de moderne stedenbouw waren een geheel andere mening toegedaan. Zij maakten deel uit van de internationale avant-garde die in de jaren twintig van de vorige eeuw streefde naar een radicale vernieuwing in de beeldende kunst en in de architectuur.

Assen is echt niet zo heel veel aantrekkelijker dan Lelystad

De wereldberoemde Franse architect Le Corbusier tekende een toekomstige stad met alleen hoogbouw, parken en autowegen, die toonaangevend zou zijn voor het stedenbouwkundig denken in de komende halve eeuw. De Amsterdamse hoogbouwwijk Bijlmermeer, gebouwd na 1960 en inmiddels alweer afgebroken, was nog geheel op die leest geschoeid.

Unieke kans

De Nederlandse architect C. van Eesteren maakte in 1925 furore met een prijsvraagontwerp voor de Berlijnse winkelstraat Unter den Linden. Het was een spectaculaire compositie van hoogbouw tussen de Brandenburger Tor en het museumeiland. In 1929 werd hij in Amsterdam aangesteld als ontwerper voor een nieuw uitbreidingsplan en in 1930 werd hij voorzitter van de Internationale Congressen voor het Nieuwe Bouwen (CIAM).

Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam werd in 1934 voltooid en wordt beschouwd als de doorbraak van de moderne stedenbouw in Nederland. De Congressen voor het Nieuwe Bouwen maakten Van Eesteren ook internationaal tot een historische figuur. Kort na de oorlog werd hij benoemd tot professor in de stedenbouw aan de Technische Hogeschool in Delft.

Door zijn functie in Amsterdam raakte Van Eesteren betrokken bij de inrichting van de Zuidelijke IJsselmeerpolders. Daarbij ging het in eerste instantie vooral om een landschappelijke opgave die hem in hoge mate boeide. Maar zodoende kwam ten slotte ook het ontwerp voor Lelystad op zijn pad. Van Eesteren was de nestor van de Nederlandse stedenbouw, men kon dus moeilijk om hem heen. Het leek in 1959 de kroon op zijn werk te worden, een unieke kans om een geheel nieuwe stad te bouwen, om eindelijk het gedachtegoed van de moderne stedenbouw in volle glorie te realiseren. Toch waren de voortekenen niet gunstig.

Plaatsnaambord bij de aanleg van Lelystad, augustus 1961.

Chaos

De inpoldering van de Zuiderzee werd georganiseerd door twee ambtelijke diensten: de Directie van de Wieringermeer en de Dienst der Zuiderzeewerken. Laatstgenoemde dienst was verantwoordelijk voor de waterstaatkundige werken; de Directie Wieringermeer verzorgde de inrichting van de polders met hun nederzettingen. Zoals gebruikelijk bij ambtelijke diensten waren er wrijvingen over de taakverdeling. Zuiderzeewerken projecteerde in 1949 een polderhoofdstad in de zuidelijke polders, het latere Lelystad. Dit tot groot ongenoegen van de Directie Wieringermeer, die van mening was dat een dergelijk besluit niet tot de taken van Zuiderzeewerken behoorde.

Maar de diensten verschilden ook principieel van inzicht. De Directie koesterde namelijk een uitgesproken pastorale visie op de polders en wees elke stedelijke ontwikkeling van de hand, terwijl Zuiderzeewerken een centrum met stedelijke functies voor ogen stond, mogelijk zelfs een industriestad. Dit conflict resulteerde in een voortwoekerende competentiestrijd die fatale gevolgen zou hebben voor de planvorming.

Van Eesteren was zich uiteraard bewust van dit probleem, maar hij dacht dat het mogelijk was om de Directie van de Wieringermeer te overtuigen. Daarbij leek het alsof hij de wind in de zeilen kreeg door het landelijk beleid voor de Randstad dat in 1958 met de nota De ontwikkeling van het westen des lands gestalte begon te krijgen. Het idee was om het grote veenweidegebied tussen Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht ongerept te laten door de Randstad naar buiten toe uit te breiden. Zo zou een unieke metropool kunnen ontstaan met een ‘Groen Hart’.

Daarbij kwam ook Lelystad in beeld als een toekomstig onderdeel van de Randstad. Terwijl aanvankelijk nog werd gedacht aan 50.000 inwoners, adviseerde de Rijksdienst voor het Nationaal Plan in 1959 om uit te gaan van 100.000. Dit was natuurlijk koren op de molen van de ambitieuze ontwerper; Lelystad zou dan net zo groot worden als Eindhoven.

Snelweg

Van Eesteren heeft zich niet alleen verkeken op de verlammende strijd tussen de twee ambtelijke diensten, maar ook op de ontwikkeling van de stedenbouw in Nederland. Het gedachtegoed waarmee hij zijn ontwerp voor Lelystad verdedigde toen de kritiek scherper en scherper werd, dateerde geheel uit de jaren twintig. En het lijkt ook alsof hij nooit goed heeft beseft dat het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam in feite een heel pragmatische exercitie was in de bouw van een aantal nieuwe woonwijken.

Amsterdam had al een centrum, en juist dat was het probleem in Lelystad. Van Eesteren beschouwde de historische stad als een verwerpelijke chaos die op den duur vervangen moest worden door nieuwbouw. Dat was voor de avant-garde een essentiële gedachte. Ook in het debat over Lelystad herhaalde hij die zonder enige nuance. ‘De bestaande steden,’ aldus een toelichting uit 1962, ‘zijn karikaturen geworden van leefbare milieus. Men zal zich van de hiermede verbonden voorstelling moeten bevrijden, wil met vrucht een bijdrage kunnen worden geleverd aan de inrichting en vormgeving van een nieuwe stad.’

Door deze radicale visie was Van Eesteren blind voor de complexiteit van het stedelijk leven en de wijze waarop tal van functies in de historische stad met elkaar verweven zijn. Nadat hij zich had bevrijd van deze ‘karikatuur’ resteerde hem niets anders dan een wat onbenullig schema voor een theoretische stad. Dat schema dateerde ook uit de jaren twintig.

Nog afgezien van de vraag of zijn critici geheel te goeder trouw waren, is het niet zo verbazingwekkend dat ze niet overtuigd waren van het ontwerp voor Lelystad. Ze stelden bijvoorbeeld vragen over het wonderlijke gegeven dat er een auto(snel)weg dwars door de stad loopt, rakelings langs het centrum. De critici waren evenmin gecharmeerd van de verhoogde autowegen die de verbinding vormen tussen de woonwijken. Verkeerstechnisch is dat een heel veilige oplossing, maar die wegen vormen geen prettig gegeven in het stedelijk bouwwerk.

Het grootste probleem was echter het centrum. Van Eesteren wilde zeer kostbare reserveringen maken om te anticiperen op de toekomstige stad met 100.000 inwoners. Niemand wist echter wanneer dat inwonertal bereikt zou worden, zodat de bouw van het grootsteedse centrum dat Van Eesteren voor ogen stond nog lang op zich kon laten wachten.

Hij was in 1962 optimistisch en voorzag een snelle groei nadat Lelystad rond 1975 zou zijn opgenomen in het infrastructurele netwerk van de Randstad. Dan kon een aanvang gemaakt worden met de realisering van het centrum. Dit optimisme werd echter niet gedeeld door de adviseurs die zijn ontwerp moesten beoordelen. Daarna ontstond een patstelling in het overleg. Van Eesteren was niet bereid om grote concessies te doen en na vele vergaderingen werd in 1964 het dramatische besluit genomen om het ontwerp af te wijzen.

Satellietstad

Het is achteraf natuurlijk niet moeilijk om vast te stellen dat Van Eesteren de ontwikkeling van Lelystad veel te optimistisch heeft ingeschat. De A6 kwam pas in 1981 gereed en de spoorverbinding volgde in 1988. Maar ook met betere verbindingen was er geen sprake van dynamische groei. Integendeel, de stad leidde een zieltogend bestaan, met alle sociale problemen van dien. Die stagnatie werd met name veroorzaakt door de bouw van een concurrerende stad, Almere, die vanaf 1964 voortvarend ter hand werd genomen.

Het beleid in de polders was in die jaren nog een geheel ambtelijke zaak. Er bestond geen provinciebestuur en evenmin gemeenteraden, dus men kon Lelystad op de lange baan schuiven zonder enige politieke verantwoording af te leggen.

Het Randstadbeleid kreeg prioriteit, waarbij waarschijnlijk ook een hartig woordje gesproken is met de Directie Wieringermeer, die een doorstart maakte als Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Almere ligt
vlak bij Amsterdam en bovendien was alle grond in de polders eigendom van de overheid. Daar waren ideale mogelijkheden om op korte termijn woningbouw te realiseren voor een Amsterdamse satellietstad.

In vakkringen werd de ondergang van het ontwerp voor Lelystad stilgezwegen. De BNS, de Bond van Nederlandse Stedenbouwkundigen, had geen behoefte aan een openbaar debat over de merites van het stedenbouwkundig werk, dat mogelijk afbreuk zou kunnen doen, zo werd gevreesd, ‘aan het gezag van stedenbouwkundigen tegenover bestuursorganen en tegenover het publiek’. Ook in 1985, toen het 50 jarig bestaan van de Bond werd herdacht met een boek, kreeg Lelystad nauwelijks aandacht.

De vraag rijst wanneer de verdichting in de grote steden van de Randstad haar grenzen bereikt

Herwaardering

Toch had het eclatante succes van Almere Haven toen al duidelijk gemaakt dat er sprake was van een radicale koerswijziging in de Nederlandse stedenbouw. Het ideaal van de perfect functionerende stad dat Van Eesteren voor ogen stond, moest plaatsmaken voor een nuchtere aanpak die gericht was op een vertrouwd beeld van het stadsleven. Die ommekeer in het denken was al enige tijd gaande.

Almere Haven is ontworpen naar het voorbeeld van historische binnensteden.

De oprichting van de Amsterdamse Maatschappij tot Stadsherstel in 1956 vormde een teken aan de wand. De historische stadskernen in Nederland waren verwaarloosd en vervallen, de moderne stedenbouw had deze stadsdelen al afgeschreven, maar een voorhoede van kunstenaars en intellectuelen gaf vleugels aan de herwaardering van het stedenbouwkundig verleden. De ontwikkeling van Almere werd geheel anders aangepakt dan die van Lelystad. Men had uiteraard geleerd van de problemen die met het futuristische stadsontwerp van Van Eesteren aan het licht waren gekomen. Almere is in feite helemaal geen stad, maar een cluster suburbane woonwijken. Zo kon de valkuil van een centrum, die Van Eesteren fataal was geworden, verdwijnen uit het programma van eisen. Almere heeft geen centrum, zoals ook het Gooi geen centrum heeft. Pogingen in een recent verleden om alsnog een centrum te maken, hebben vooral aangetoond hoe moeilijk dat is.

Nog voordat de planvorming voor het geheel was afgerond, werd al in 1975 een aanvang gemaakt met de bouw van woningen in Almere Haven, dat tien jaar later gereedkwam, met ruim 20.000 inwoners. De bijna tastbare stilte waarmee het echec van Lelystad gepaard ging, staat in scherp contrast met de luide kritiek die Almere Haven te verduren kreeg.

Veel stedenbouwkundigen en architecten geloofden toen nog in de sprookjes van het modernisme. De nieuwe nederzetting aan het Gooimeer had al duidelijk postmoderne trekjes, en dat leidde tot consternatie. Vooral het grachtje, dat inderdaad wat knullig is, moest het ontgelden. Het was allemaal veel te knus en te gezellig.

Maar het winkelstraatje functioneert nog steeds goed, en dat kan van veel moderne winkelcentra niet gezegd worden. De architectuur is niet echt historiserend – dat konden architecten toen nog niet – maar wel behoedzaam traditioneel. De stedenbouwkundigen was vooral de suburbane opzet een doorn in het oog. Almere Haven, zo luidde het oordeel, had een anti-stedelijk karakter, met de parasitaire trekjes van een slaapstad en de kleinburgerlijke narigheid van een laagbouw-woonmilieu.

Persoonlijk drama

Toch werd Almere een succes, uiteraard, want bij elke enquête blijkt weer dat de eengezinswoning boven aan het prioriteitenlijstje staat van de gemiddelde Nederlander. Men heeft helemaal geen dringende behoefte aan een echt stedelijk centrum. In de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra uit 1992 werd dan ook geen enkele moeite meer gedaan om het vermeende parasitaire karakter van de uitgestrekte nieuwbouwwijken te verhullen. Maar het lukte toen nog wel om in tien jaar tijd een miljoen woningen te bouwen: kleinburgerlijke rijtjeshuizen in een traditionele verkaveling met voor- en achtertuintjes, auto voor de deur.

Mensen zijn daar heel gelukkig mee. Inmiddels is er weer een groot tekort aan woningen ontstaan. Dat heeft vele oorzaken. Een daarvan is het verbeten verzet van stedenbouwkundigen tegen antistedelijke parasitaire kleinburgerlijke laagbouwwijken. Die ouderwetse terminologie wordt niet meer gebruikt; nu is ‘bouwen in het weiland’ taboe verklaard omwille van het ‘behoud van open ruimte’. Er is echter genoeg open ruimte in Nederland, zonder enige landschappelijke kwaliteit, want daar heeft het boerenbedrijf alles uitgeroeid wat niet direct bijdraagt aan de productie.

Lelystad was voor Van Eesteren een persoonlijk drama. Maar niemand geloofde nog in de stad die hij wilde bouwen. Natuurlijk waren er bij de Dienst Wieringermeer van begin af aan bedenkingen geweest tegen een dergelijke grootsteedse visie, maar ook in eigen kring had Van Eesteren nog maar weinig echte medestanders.

Direct na de oorlog waren de Internationale Congressen voor het Nieuwe Bouwen in een crisis geraakt, waarbij hij als voorzitter terzijde werd geschoven. Jongere architecten stelden de strikt rationele beginselen ter discussie die voor de pioniers van het modernisme heilig waren. Er werd zelfs al voorzichtig opgemerkt dat het misschien geen kwaad kon om nog eens goed naar historische steden te kijken.

De Nederlandse architect Aldo van Eyck voerde daarbij het hoogste woord. Er werden nieuwe prioriteiten gesteld, met een sterke nadruk op aspecten van het stadsleven die tegenwoordig bon ton zijn, opvallende architectuur, cafés, restaurants, sociale contacten, cultuur. Dit vormde een scherp contrast met de spartaanse visie van de vooroorlogse avant-garde op de massawoningbouw.

De organisatie was ten dode opgeschreven en blies in 1959 de laatste adem uit. In hetzelfde jaar publiceerde Van Eyck met een aantal medestanders, onder wie Herman Hertzberger, in het Nederlandse tijdschrift Forum een manifest, Het verhaal van een andere gedachte, dat in feite een afrekening was met Van Eesteren.

De eengezinswoning staat bovenaan het prioriteitenlijstje van de Nederlander

Nadat het ontwerp voor Lelystad was afgewezen, werd toch al snel een aanvang gemaakt met de woningbouw. Het omstreden centrum verdween uiteraard van de plankaart, maar men nam niet de moeite om een geheel nieuw ontwerp te maken. Zodoende zijn de verschillen met Almere niet eens zo heel groot. Lelystad is ook een verzameling suburbane woonwijken zonder een centrum. Dat concept is voor Almere beter doordacht, maar in wezen zijn beide steden sterk verwant.

Betaalbaar

Ook in Lelystad worden nu pogingen ondernomen om alsnog wat grootsteedse allure te geven aan het bescheiden centrum dat in de loop der jaren is gebouwd. Dit zal de stad geen wereldfaam opleveren. De ware kwaliteit van Lelystad is natuurlijk gelegen in het woonmilieu: betaalbare huizen en veel ruimte.

Het gemeentebestuur van Utrecht is van plan om binnen de gemeentegrenzen extra woningen te bouwen voor 100.000 mensen. Kritische Utrechters vragen zich terecht af of de stad zo niet haar ziel verkoopt. In Amsterdam is het niet anders. De vraag rijst wanneer de verdichting in de grote steden van de Randstad haar grenzen bereikt en of die grenzen niet al bereikt zijn.

In Rotterdam wordt voortdurend geprotesteerd tegen de sloop van woningen. Ook landelijk wordt gedemonstreerd tegen het woonbeleid. Het ministerie van VROM is tien jaar geleden afgeschaft door Rutte 1, met rampzalige gevolgen. Nieuw ruimtelijk beleid is dringend gewenst en daarbij zou weleens kunnen blijken dat Lelystad geen mislukking is, maar juist de ideale oplossing voor de problemen in de Randstad.

Reis met Maarten van Rossem in Openluchtmuseum Nederland langs eeuwenoude kerken, kastelen, waterwegen en natuurgebieden.

Na de oorlog werd in de polder geëxperimenteerd met moderne stedenbouw. Lelystad en Almere bestaan uit clusters woonwijken zonder centrum. Mislukt, was de conclusie: het is onmogelijk om een nieuwe stad te bouwen met de kwaliteiten van historisch gegroeide steden. Maar betaalbare huizen in de open ruimte zijn misschien wel dé oplossing in deze tijd van woningschaarste.

Uit Maarten! 4 - 2021. Bestel het nummer hier

Welkom bij Maarten!

Maak eenmalig een gratis account aan en krijg toegang tot al onze artikelen. Lees gratis op onze site en ontvang elke twee weken nieuws, diepgravende artikelen, interviews, evenementen en acties van Maarten! in uw mailbox.

InloggenRegistreren

Reacties

Gerelateerde artikelen

Geef de stad de ruimte

Amsterdam: de eerste moderne hoofdstad

Maarten over Hier zijn de Van Rossems: ‘De draaidagen zijn voor ons een extra reünie’

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.