Generaties bestaan niet

Door Alies Pegtel

Babyboomers hebben de morele plicht jongeren te vergoeden voor de lockdown. Millennials zijn lui en verwend. Waarom denken we eigenlijk in generatiesjablonen? En hoe houdbaar zijn deze generalisaties?

Uit Maarten 2021-01. Bestel het nummer hier!

De breed gedragen afkeer van de babyboomers heeft inmiddels ook het coronadebat bereikt. Mensen die geboren zijn tussen 1945 en 1955 vormen inmiddels 14 procent van de bevolking. Niet dat ze het virus daarom meer verspreiden. Maar iemand als publicist Heleen Mees verwijt ze wel dat het hele openbare leven is stilgelegd, omdat de ic’s anders de aanvoer van 65-plussers niet aankunnen.

Terwijl corona voor jongeren niet meer is dan een griep, betoogt ze, staat hun leven compleet op z’n kop, alleen om zo veel mogelijk levens van babyboomers te redden. Om de schade aan jongeren te vergoeden pleit Mees voor een economische herverdeling tussen de generaties. Ze schrijft in de Volkskrant: ‘Voor millennials (geboren tussen 1980 en 1995) is de coronacrisis na de kredietcrisis en de crisis in de eurozone al de derde economische crisis in hun leven. De kans is groot dat het langdurige thuisonderwijs de ontwikkeling van Generatie Z (geboren tussen 1995 en 2015) structureel schaadt en dan met name leerlingen uit sociaal zwakkere milieus, voor wie school juist de broodnodige structuur biedt.’ Volgens Mees hebben de babyboomers het geld ‘en de morele plicht’ om de jongste generaties te compenseren voor de schade die de lockdown aanricht.

Oké, boomer

Mees is één stem in een lange reeks van commentatoren die de afgelopen jaren de babyboomgeneratie aanklaagden. Er wordt de babyboomers van alles en nog wat verweten, maar het komt erop neer dat ze hun sociale idealen uit de jaren zestig zouden hebben verraden uit opportunisme en materieel eigenbelang. Ze zitten er warmpjes bij en profiteren van de overwaarde van hun huis en voorzieningen van de verzorgingsstaat die ze zelf hebben opgetuigd, zonder er oog voor te hebben dat de volgende generaties daar onevenredig veel aan moeten bijdragen.

Met het minachtende ‘Oké, boomer’ hebben jongeren een stokje gevonden om terug te slaan. De uitspraak, die al langer online circuleerde, werd in 2019 nieuws toen een 25-jarige Nieuw-Zeelandse politica er een betweterig ouder (mannelijk) Kamerlid de mond mee snoerde: oké, boomer, wat jij wilt. In Nederland, dat net als Australië en Amerika een omvangrijke babyboomgeneratie heeft, sloeg de slogan onmiddellijk aan bij de millennials van onder de dertig. Van Dale riep ‘boomer’ en niet ‘klimaatdrammer’ uit tot woord van het jaar.

Boomerbashen lijkt een modieuze trend onder jongeren, maar dat is het niet. Pim Fortuyn, zelf een babyboomer, leverde ruim twintig jaar geleden al vanuit eigen gelederen flinke kritiek op zijn generatie. In zijn Autobiografie van een babyboomer (1998) karakteriseerde Fortuyn zijn leeftijdgenoten als een verwende generatie met blasé trekjes, levend in ‘een graai- en grijpcultuur’ van ‘schaamteloze zelfverrijking’. Recensenten vonden dat Fortuyn zoals gebruikelijk chargeerde, maar dat er wel een kern van waarheid zat in zijn kritiek.

De jeugd van tegenwoordig

Egoïstische graaiers en zelfverrijkers – zouden er werkelijk gemeenschappelijke eigenschappen en gedrag zijn die de babyboomers als generatie karakteriseren? Valt het iemand überhaupt aan te rekenen dat hij of zij toevallig tussen twee willekeurig gekozen jaartallen is geboren?  Zodra het over generaties gaat, zijn stereotypes nooit ver weg. Over latte-drinkende millennials wordt gezegd dat ze lui zijn, en verwend van job naar job hoppen als iets ze niet bevalt. Patat-, achterbank- en zapgeneratie of generatie Nix – vaak worden jongeren van een etiket voorzien om de ‘jeugd van tegenwoordig’ te karakteriseren.

Volgens Andries van den Broek, onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau, plakken vooral de media dit soort aansprekende stickers, omdat het lekker bekt. ‘De term “patatgeneratie” komt meen ik van trainer Leo Beenhakker, die wilde aangeven dat een lichting voetballers niet vooruit te branden was. Van de meeste etiketten is overigens onduidelijk waar ze vandaan komen.’

Van den Broek schreef in 1996 een proefschrift over ‘de verraderlijke charme van het begrip “generatie” als sociale categorie’. ‘Labelen van generaties gebeurt omdat het zo aantrekkelijk is,’ zegt hij. ‘Het zijn heel hanteerbare, handzame categorieën.’ Net als indelingen naar leeftijden, zoals ‘vijftigers’, of naar historische periodes, zoals ‘de jaren tachtig’.

Babyboomers zouden hun sociale idealen uit de jaren zestig hebben verraden

Het bedrijfsleven verdient met de marketing van generatiekarakteristieken geld aan het zogenoemde doelgroepdenken; de media zetten vermeende generatieconflicten op scherp. Maar hoewel het denken in generatieverschillen doodnormaal is, waarschuwt Van den Broek ervoor om daar veel belang aan te hechten. Want wat bepaalt nu eigenlijk hoe iemand in elkaar zit? ‘Afkomst, klasse, etniciteit, sekse en opleidingsniveau zijn veel bepalender dan geboortejaar,’ stelt de wetenschapper van het SCP.

In zijn promotieonderzoek vond Van den Broek weinig bewijs voor verschillen in normen en waarden tussen generaties in bijvoorbeeld politieke, gezins- of arbeidskwesties. Een generatie – een ‘samenhangende clustering van geboortecohorten waarin de individuele leden belangrijke gemeenschappelijke kenmerken delen’ – is wetenschappelijk niet aantoonbaar en bestaat volgens hem helemaal niet.

Formatieve ervaringen

Hoe komt het dan dat we toch in maatschappelijke generaties denken? Daarvoor moeten we bij de sociologie zijn. Kerngedachte achter het idee van een maatschappelijke generatie is dat mensen gevormd worden door de sociale omstandigheden en historische gebeurtenissen uit hun jeugd. Die ‘formatieve ervaringen’ – in de periode van je vijftiende tot je vijfentwintigste, waarin een mens het meest ontvankelijk is voor omgevingsindrukken – zouden bepalen hoe iemand in het leven staat en de wereld beziet. Afzonderlijke maatschappelijke generaties zouden zich vormen omdat grote groepen mensen opgroeien onder gemeenschappelijke historische en sociale omstandigheden die sterk afwijken van een voorgaande of volgende tijdsperiode.

Generatiesociologen zijn allemaal schatplichtig aan de socioloog Karl Mannheim, die in zijn essay Das Problem der Generationen uit 1928 als eerste een systematische generatietheorie ontwikkelde. Hij schreef dat in elke samenleving een continu proces plaatsvindt waarin nieuwe leden voor het eerst deelnemen aan het maatschappelijke leven en oudere leden zich terugtrekken.

Er bestaan altijd clusters van mensen die in potentie een generatie kunnen vormen, maar er ontstaat pas een daadwerkelijke generatie wanneer mensen zich realiseren dat ze gemeenschappelijke jeugdervaringen delen, en ze zich bewust verbonden voelen in een Schicksalgemeinschaft waarmee ze zich identificeren. Mannheim nuanceerde dat niet ieder mens even sterk reageert op de Zeitgeist, en dat een nieuwe generatie meestal wordt aangevoerd door een kleine veranderingsgezinde voorhoede. Aan etiketten plakken op specifieke generaties deed hij niet. Hij liet het bij de theorievorming.

Verloren generatie

Generatiebewustzijn of trendsettende voorhoedes – essentiële voorwaarden in Mannheims theorie voor generatiesamenhang – zijn afwezig in het model van de Utrechtse socioloog Henk Becker, die het generatiedenken in Nederland populariseerde. Zijn invloedrijke boek Generaties en hun kansen uit 1992 geldt als standaardwerk. Hierin deelde Becker de vorige eeuw op in vijf keurig opeenvolgende generaties: de vooroorlogse generatie, geboren tussen 1910 en 1930, de stille generatie (1930-1945), de protestgeneratie (1945-1955), de verloren generatie (1955-1970) en de pragmatische generatie (1970-1985).

Zijn indeling baseerde Becker grotendeels op de economische omstandigheden, die volgens hem allesbepalend zijn voor levenskansen. Een pakkende term als ‘verloren generatie’ – voor de school-verlaters die in de crisisjaren tachtig moeilijk toegang kregen tot de arbeidsmarkt – raakte razendsnel ingeburgerd en wordt nog altijd gebruikt.

SCP-onderzoeker Van den Broek prijst Becker als een van de zeldzame sociologen die erin zijn geslaagd om een goed verkocht publieksboek te schrijven. Maar wetenschappelijk stelt het niet veel voor, vindt hij. Om meerdere redenen heeft hij moeite met Beckers generatie-indeling, die nog geregeld wordt gebruikt door onderzoeks- en marketingbureaus. Van den Broek bekritiseert ten eerste de scherpe grenzen die Becker trekt tussen de generaties. ‘Historische en maatschappelijke ontwikkelingen voltrekken zich geleidelijk. Maar als je naar Beckers generaties kijkt, zie je geen vloeiende overgangen. Hij zet een harde knip in de tijd, maar zijn generatiegrenzen zijn arbitrair.’

Zodra het over generaties gaat, zijn stereotypes nooit ver weg

Voor onderzoek naar generaties heb je in elk geval reeksen van tijdmetingen nodig. ‘Onderzoek dat op grond van een momentopname algemene conclusies trekt over generaties, kan de prullenbak in. Want dan is het onmogelijk om vast te stellen in welke mate verschillen zijn toe te schrijven aan de leeftijd of aan het geboortejaar.’ Ook zet Van den Broek kanttekeningen bij de scherpe afbakening van de formatieve periode in een mensenleven. ‘Kunnen ingrijpende maatschappelijke gebeurtenissen na het vijfentwintigste levensjaar niet even goed grote vormende effecten hebben? Je hebt nu eenmaal laat- en vroegbloeiers; niet ieder mens doorloopt zijn formatieve jaren in hetzelfde tempo.’

Het meest problematisch vindt hij dat Becker, net als veel andere generatieonderzoekers, geboortejaar, leeftijd en levensfase door elkaar haalt. ‘Wat definieert mij nu het meest?’ vraagt Van den Broek. ‘Dat ik uit 1958 ben en in de jaren zeventig opgroeide, dat ik 62 jaar ben, of dat ik momenteel in 2021 leef?’ Hoewel dit niet eenvoudig is te ontrafelen, is het heel belangrijk om ‘de drie gezichten van de tijd’ te onderscheiden,’ benadrukt hij.

Lotsverbondenheid

In 2010 gingen de eerste babyboomers met pensioen. Bij deze gelegenheid kwam het SCP met het cultureel rapport Wisseling van de wacht: generaties in Nederland. Van den Broek vroeg voor dit onderzoek onder meer aan mensen of zij zich deel van een generatie voelen. Dat was het geval voor een grote meerderheid van 80 procent; 60 procent antwoordde ‘soms’, 20 procent ‘vaak’. Hun generatie zou zich, zo dachten mensen zelf, onderscheiden van andere generaties op het gebied van arbeid, cultuur, politiek en gezin. Van den Broek vindt dit opmerkelijk. ‘Het is empirisch te weerleggen dat er grote generatieverschillen bestaan. Maar mensen identificeren zich er wel mee.’

Ook socioloog Isabelle Diepstraten, verbonden aan de Fontys University, deed onderzoek naar generatiebewustzijn. Met twee collega’s schreef ze in 1998 het boek Mijn generatie. Zelfbeelden, jeugdervaringen en lotgevallen van generaties in de twintigste eeuw en een vervolg Mijn generatie, tien jaar later (2008). Aan de hand van de generatie-indeling van Henk Becker vroegen ze 500 mensen of zij zichzelf tot een generatie rekenen. ‘Uit ons onderzoek komt naar voren dat het generatiebewustzijn in Nederland al jarenlang heel sterk is,’ zegt Diepstraten. ‘Mensen noemen inderdaad gebeurtenissen uit de tijd waarin ze opgroeiden als kenmerkend voor hun generatie.’ Hoe ouder de generatie, des te sterker is haar generatiebesef en des te eenduidiger typeren ze hun generatie. Mensen ervaren generatieverschillen over het algemeen op het vlak van collectieve voorzieningen, met name in pensioenen.

Diepstraten erkent dat generaties en generatieverschillen wetenschappelijk lastig aan te tonen zijn. Maar dit doet wat haar betreft geen afbreuk aan het begrip. ‘Mensen voelen zich deel van een generatie, alleen al daarom is het een realiteit. Het besef dat ze met hun generatiegenoten jeugdervaringen delen geeft mensen een gevoel van lotsverbondenheid, van saamhorigheid, van cohesie. Het is een vorm van maatschappelijke betrokkenheid.’

Mensen voelen zich deel van een generatie; alleen al daarom is het een realiteit

Door zichzelf tot een bepaalde generatie te rekenen lijken mensen zichzelf ook een identiteit te willen verschaffen. Maar Diepstraten wijst er wel op dat de meerderheid van de mensen uit een generatie lijkt op de grote massa uit voorgaande generaties. ‘Alleen de voorhoedes van een nieuwe generatie wijken af. Zo stond bijvoorbeeld slechts een kleine, stedelijke en hoogopgeleide elite van de protestgeneratie op de barricaden bij het Maagdenhuis, of bij het standbeeld van de feministe Wilhelmina Ducker. De meeste babyboomers maakten geen deel uit van de protestvoorhoede en vertonen daar ook geen kenmerken van.’

Lui en verwend

Hoewel de wetenschap zich pas de afgelopen eeuw serieus over generaties buigt, is lukraak etiketten opplakken iets van alle tijden. Ouderen bestempelen jongeren doorgaans als lui en verwend, jongeren ouderen als inflexibel en star. Socrates klaagde 2500 jaar geleden over de jeugd die een sterke hang had naar luxe, het gezag minachtte en geen eerbied had voor ouderen.

Maar het gevaar bestaat dat sjabloonbeelden van generaties, hoe onschuldig ze ook mogen lijken, het zicht op de werkelijkheid benemen. Neem nu de bevoorrechte boomers, die vanaf de autobiografie van Fortuyn niet meer los zijn gekomen van hun imago van grijpgrage, egoïstische materialisten. Hoewel ze bekendstaat als een generatie die zeer goed voor zichzelf heeft gezorgd en daarom afkeer wekt, gaat dit maar ten dele op.

Het gevaar bestaat dat sjabloonbeelden van generaties het zicht op de werkelijkheid ontnemen

Mooie huizen en pensioenregelingen hebben ze, maar profiteren van de collectieve voorzieningen doet deze generatie veel minder dan wordt aangenomen. ‘Over de hele levensloop genomen zullen de babyboomers minder profijt van de overheid hebben dan leden van latere geboortejaargangen,’ concludeert het SCP in Wisseling van de wacht. Let op: het SCP spreekt van het neutralere ‘geboortejaargangen’ en niet van generaties, omdat een gesloten generatie van boomers wetenschappelijk gezien onzinnig is.

Met het vermeende gebrek aan solidariteit van babyboomers met jongeren valt het ook alleszins mee: de helft van de ouders wil financieel bijdragen aan een goede woning voor de kinderen. Het SCP kwam in 2010 tot de slotsom dat ouderen en jongeren meer op elkaar lijken dan we denken, en dat de contacten tussen generaties hechter en gelijkwaardiger zijn dan ooit.

Ondanks alle kritiek op de babyboomers is er geen reden om aan te nemen dat hun relatie met jongeren in de afgelopen tien jaar is verslechterd. Ondanks hun negatieve imago vallen de boomers in de praktijk alleszins mee.

 

Gerelateerde artikelen

‘Ik wil het gezonde leven met een paar jaar verlengen’

Etiketten plakken

Maarten, Vincent en Sis over één van hun ergernissen: ouderdom

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.