Kapitalisme 3.0

Het neoliberalisme heeft afgedaan. Maar wat moet ervoor in de plaats komen? Economen Coen Teulings en Bas Jacobs zetten alternatieven op een rij. ‘Er is niet te veel vrije markt, maar te weinig.’

Door Laurens Bluekens
Uit Maarten! 3-2020. Bestel het nummer hier!

Illustratie: Jip van den Toorn

Het neoliberalisme is een veelgenoemde zondebok voor allerlei problemen. Toch is het een moeilijk te vangen containerbegrip. De term laat zich het best omschrijven als een heilig geloof in de werking van vrije markten. Dat geloof werd in de jaren tachtig dominant, toen Ronald Reagan president van de Verenigde Staten was en Margaret Thatcher premier van het Verenigd Koninkrijk. In Nederland begon CDA-premier Ruud Lubbers met een neoliberaal beleid.

Van zorg en onderwijs tot openbaar vervoer: alles moest aan de markt worden overgelaten. Het was een kwestie van privatiseren. Een kleine overheid moest liefst zo bedrijfsmatig mogelijk opereren. De aanval op de collectieve voorzieningen en de verzorgingsstaat was ingezet. Vrijhandel en deregulering werden het nieuwe credo.

De afgelopen jaren heeft Maarten! de nadelige gevolgen van het marktdenken veelvuldig besproken. Veel markten functioneren niet goedkoper en efficiënter, maar zijn juist duurder en minder doelmatig, de overheid kan veel kerntaken niet meer goed uitvoeren, en de arbeidsmarkt is voor velen gespeend van zekerheid. Door de coronacrisis is het geloof in neoliberale waarden verder afgenomen. Nu is het echt einde oefening, is de gedachte.

Maar wie het neoliberalisme afschrijft, moet ook met een alternatief komen, of in elk geval met ideeën om iets aan de grootste gebreken te doen. Coen Teulings, voormalig directeur van het Centraal Planbureau en hoogleraar economie aan de Universiteit van Cambridge, wil zich daar wel aan wagen. Hij heeft kritiek op het neoliberalisme, maar trapt af met een voorbehoud: ‘We moeten niet overdrijven voor welke problemen het neoliberalisme verantwoordelijk is. De vrije markt heeft Nederland en de wereld ook veel goeds gebracht. Soms kijk ik met enige verbazing naar alle kritiek op het neoliberalisme – dan begin ik mezelf haast verdediger van het neoliberalisme te vinden.

Zo wordt de coronapandemie soms eenzijdig aan het neoliberalisme toegeschreven, en dat is gek. Vrijhandel heeft de verspreiding van het virus misschien wel mogelijk gemaakt, maar verder zijn pandemieën van alle tijden.’

Risico’s spreiden

Het redelijke compromis – dat is wat Teulings vervolgens bepleit als hij over een alternatief voor het neoliberalisme praat. Hij ziet veel gelijkenis tussen deze tijd en de jaren dertig van de twintigste eeuw. Toen waren er twee soorten systeemkritiek: het communisme aan de ene kant en het fascisme aan de andere kant. Na de Tweede Wereldoorlog verloren beide ideologieën hun aantrekkingskracht en won in Noordwest-Europa het redelijke compromis: de welvaartsstaat, met een grotere rol voor de overheid dan in het Interbellum.

Vanaf de jaren tachtig kwam er kritiek op de welvaartsstaat: stimuleringsmaatregelen vanuit de overheid zouden niet meer werken om de economie op te lappen en de welvaartsstaat zou onbetaalbaar zijn. Daar is volgens Teulings aan tegemoetgekomen door marktwerking een grotere rol te geven. Hij noemt de financiële crisis van 2008 als waterscheiding: sindsdien is de kritiek op de sluipende ontmanteling van de welvaartsstaat flink aangezwollen. En ook nu zou Nederland er goed aan doen om het redelijke compromis weer op te zoeken, stelt hij: iets tussen de welvaartsstaat van weleer en de doorgeschoten vrijemarktwerking van tegenwoordig in.

Rechts heeft geen idee en links maakt zich alleen druk over symptomen

Waar de hoogleraar zich het meest zorgen over maakt, is dat marktwerking geen goede sociale zekerheid kan bieden. ‘Verzekeringsmarkten lijden onder het probleem van averechtse selectie, zo treffend weergegeven door de uitspraak van de Amerikaanse komiek Groucho Marx: “I refuse to join a club that accepts me as a member.” Niemand wil in een vrije markt vrijwillig aan een sociale verzekering deelnemen, uit angst als enige te betalen voor risico’s. Verplichte collectieve regelingen zijn de enige oplossing voor dit probleem.’

In de eerste twee decennia na de oorlog functioneerde de Nederlandse arbeidsmarkt eigenlijk redelijk, met een goed systeem van werknemersbescherming en arbeidsongeschiktheidsverzekering, analyseert Teulings. Vanaf de eerste oliecrisis halverwege de jaren zeventig bleek dat model niet meer houdbaar. Er kwamen te veel mensen in de WAO. ‘Maar inmiddels zijn we juist doorgeschoten naar de andere kant en krijgen veel mensen helemaal geen werknemerscontract meer en is de sociale bescherming wel erg karig geworden. Door de wildgroei aan zzp’ers en andere flexwerkers is de werknemerswetgeving in Nederland bijna weggespoeld.’ Zijn oplossing voor de arbeidsmarkt? Wat meer ontslagbescherming, zonder de werkloosheidsuitkeringen al te riant te maken – zodat de prikkel om te werken blijft bestaan.

Om dezelfde reden vindt Teulings het van belang dat het Nederlandse pensioenstelsel niet aan de vrije markt wordt overgelaten. ‘In veel landen leven vooral ouderen in armoede, in Nederland niet. Dat komt doordat Nederland misschien wel het beste pensioenstelsel ter wereld heeft. Dat stelsel is in zekere zin een vorm van staatskapitalisme. Beleggingsrisico’s werden in Nederland breed onder de bevolking gedeeld, binnen en tussen generaties. Daardoor bestond een aantrekkelijke afweging tussen risico en rendement: goed gespreid risico en toch veel rendement. Juist in dat spreiden van risico’s zijn markten slecht. Daarvoor heb je een semicollectief pensioenstelsel nodig.’Hij heeft goede hoop dat in het nieuwe pensioenakkoord die goede risicospreiding behouden blijft. In een stelsel waarin mensen te veel keuzevrijheid hebben, is dat niet goed mogelijk.

Dwarsligger

Internationaal gezien, zo betoogt Teulings, moet een gezonde vrije markt worden beschermd door politieke instituties en door regels die landen met elkaar afspreken. De Europese Unie is daarbij van groot belang. Hij stoort zich eraan dat Nederland zich juist daarin als dwarsligger opstelt. ‘Dat is al twintig jaar gaande en is begonnen bij de VVD. Inmiddels is er kamerbreed geen enkele partij die Europa echt verdedigt. We denken altijd dat we samen met Duitsland zijn, maar dat land zit echt totaal anders in de wedstrijd. Duitsland denkt serieus na over hoe het verder moet met Europa; daartoe is Nederland niet bereid. Terwijl de EU broodnodig is om zaken op het gebied van defensie, klimaat en antitrustwetgeving te regelen – om ervoor te zorgen dat de markt de markt blijft. Dat zijn dingen die je niet op nationaal niveau kunt organiseren.’

Met de vrije markt op zich is dus niet veel mis, meent Teulings, maar die kan alleen goed functioneren onder de juiste voorwaarden. Zo wil hij ook met een open vizier naar de Europese begrotingsregels en staatsschuld kijken. ‘Onze visie op staatsschuld is absurd. Wij denken dat de beste staatsschuld geen staatsschuld is, maar dat is niet waar. Mensen realiseren zich niet dat de markteconomie alleen goed kan functioneren met een staatsschuld. De Nederlandse staatsschuld moet omhoog. Dat kun je zien aan de enorme nettovordering die Nederland op het buitenland heeft.’

Monopolistische bedrijven draaien consumenten een poot uit omdat er te weinig concurrentie is

Marktfalen

Het idee dat de vrije markt op zich wenselijk is leeft ook bij Bas Jacobs, die als hoogleraar economie verbonden is aan de Erasmus Universiteit Rotterdam: ‘De vrije markt disciplineert, zorgt voor concurrentie en prikkelt mensen en bedrijven om het beste uit zichzelf te halen. Onder ideale omstandigheden brengt de markt consumptiegoederen en productiemiddelen op de juiste plaats. Maar nu zie je dat het economische beleid de afgelopen veertig jaar sterk pro-markt is geweest en toch niet heeft geleid tot een wenselijke manier van groei, innovatie en productiviteit.’

Jacobs heeft moeite met grote en lastig te definiëren begrippen als ‘neoliberalisme’, zegt hij. Liever wijst hij concreet aan waar het misgaat binnen het hedendaagse kapitalisme, en welke oplossingen daarvoor zijn. Hij ziet vier belangrijke uitwassen van de markt, waarvoor de oplossing steeds zit in meer ‘echte’ marktwerking. ‘Het kapitalisme levert niet wat het zou moeten leveren. Dat komt niet doordat er te veel vrije markt is, maar te weinig.’ Dat illustreert hij aan de hand van de eerste uitwas: de opwarming van de aarde door de uitstoot van CO2. ‘Als de hoogovens energie verstoken of energiecentrales elektriciteit opwekken, brengen ze schade toe aan de samenleving waarvoor ze niet betalen.’ In een goed functionerende markt zou die milieuschade in de marktprijs opgenomen zijn, maar dat is nu niet het geval – een evident voorbeeld van marktfalen.

De volgende uitwas waar Jacobs zich zorgen over maakt, zijn de winsten van monopolistische bedrijven als Google, Facebook en Amazon. De winsten van dit soort bedrijven nemen al jaren toe, terwijl het mediane bedrijf niet winstgevender is geworden. ‘Monopoliewinsten verdragen zich heel slecht met de principes van de vrije markt. Monopolistische bedrijven draaien consumenten een poot uit omdat er te weinig concurrentie is.’ Monopolies zouden aangepakt moeten worden via het mededingingsbeleid. Nederland heeft dat vanaf de jaren negentig met wisselend succes gedaan in bijvoorbeeld de telefonie- en taxisector. Maar ook in de techsector moet hoognodig goed mededingingsbeleid worden ingevoerd, vindt Jacobs. ‘Anders zullen de techgiganten nog meer marktdominantie vergaren. Daarnaast moeten klanten van internetbedrijven het eigendom krijgen over hun informatie. Die informatie is het kapitaal van techbedrijven.’

Verder betalen veel van dit soort bedrijven simpelweg te weinig belasting. Het is moeilijk om techgiganten via de normale winstbelasting goed te belasten, want via allerlei handige constructies sluizen zij hun winsten door naar belastingparadijzen, legt Jacobs uit. Omdat het juridisch gezien moeilijk is vast te stellen waar deze bedrijven zich precies vestigen, werkt de huidige vennootschapsbelasting niet goed. Die moet worden hervormd om techbedrijven serieus te belasten. Een goede, maar niet volmaakte manier is volgens Jacobs de digital services tax, waarbij belasting wordt berekend op basis van de advertentie-inkomsten van internetbedrijven.

Een derde uitwas ziet Jacobs op de arbeidsmarkt. ‘Dankzij de flexibilisering kunnen bedrijven personen inhuren die bij precies dezelfde opleiding en werkervaring toch minder kosten dan iemand in vaste dienst. In een goed werkende kapitalistische economie horen bedrijven te betalen voor dergelijke flexibele arbeid, maar dat is nu niet het geval. Aandeelhouders worden gecompenseerd voor risico’s; flexibele werknemers zouden daar ook voor moeten worden gecompenseerd.’ De risico’s op de arbeidsmarkt moeten gelijker worden verdeeld: vast moet minder vast en flex moet vaster.

Banken hervormen

Vakbonden zouden volgens Jacobs veel meer moeten opkomen voor flexwerkers, zodat vaste en flexibele werknemers niet meer tegen elkaar kunnen worden uitgespeeld. En de overheid moet stoppen met de manier waarop ze zzp’ers subsidieert: zelfstandigen krijgen enorme belastingvoordelen ten opzichte van gewone werknemers. Velen van hen besteden die extra ruimte niet aan pensioen of een arbeidsongeschiktheidsverzekering, maar verlagen daarmee hun tarieven. Zo prijzen ze normale werknemers de markt uit. Bedrijven zijn spekkoper. Jacobs vindt het een goed idee dat zelfstandigen alleen fiscale voordelen krijgen als ze zich verzekeren voor arbeidsongeschiktheid of om een pensioen op te bouwen. ‘Dan wordt het moeilijker voor ze om oneigenlijk te concurreren op hun tarief.’

Ten slotte werkt volgens Jacobs het financiële stelsel niet goed. ‘Door de val van Lehman Brothers in 2008 en de wereldwijde recessie daarna hebben we gezien dat financiële instellingen risico’s kunnen nemen zonder zelf voor de consequenties op te draaien. Belastingbetalers moesten overal banken en financiële instellingen redden: de risico’s werden afgewenteld op het collectief. Dat heeft niets met kapitalisme te maken. In een werkelijk kapitalistische economie draagt iedereen die financiële beslissingen neemt zelf alle risico’s en kan die niet op een ander afwentelen.’

De financiële sector is na de crisis onvoldoende hervormd, vindt Jacobs. Banken moeten wat hem betreft meer op eigen benen staan, bijvoorbeeld door hen te verplichten veel meer eigen vermogen aan te houden. Alleen dan zullen de aandeelhouders in plaats van de belastingbetalers de risico’s dragen. Jacobs ziet het als een groot probleem dat de overheid het voor banken, maar ook voor andere bedrijven, aantrekkelijk maakt om veel schulden aan te gaan, bijvoorbeeld door de rente daarop aftrekbaar te maken van de winstbelasting. Daardoor worden bedrijven, vooral banken, kwetsbaar. Hoge schulden zorgen ervoor dat de economie veel sterker op en neer beweegt.

Niemand wil vrijwillig aan een sociale verzekering deelnemen

Geen basisinkomen

De meest gehoorde kritiek op het neoliberalisme is dat het voor een toename van ongelijkheid van inkomen en vermogen zorgt. Jacobs beschouwt dat niet als een uitwas, maar als iets dat je op de markt gewoon kunt verwachten. ‘De markt brengt onder ideale omstandigheden consumptiegoederen en productiemiddelen op de juiste plaats, maar dat betekent niet dat dat ook op een eerlijke manier gebeurt.’

Zowel Teulings als Jacobs ziet dat de ongelijkheid de afgelopen decennia vooral in de Angelsaksische wereld heeft toegeslagen. In Nederland valt de inkomensongelijkheid relatief mee; de vermogensongelijkheid is een groter probleem. Een verklaring voor de toegenomen ongelijkheid zoekt Jacobs vooral in wat hij ‘onverdiend inkomen’ noemt. ‘Als mensen hard werken, investeren, risico’s lopen, innoveren en ondernemen, is het prima dat ze daarmee veel geld verdienen. Maar het kapitalisme in de huidige vorm is een vals spel geworden waarin het veelvuldig voorkomt dat mensen niet voor werken beloond worden, maar voor onverdiende dingen: door consumenten een poot uit te draaien, risico’s af te wentelen op flexwerkers, het milieu te verpesten, de samenleving de financiële sector te laten redden en steeds maar stijgende huizenprijzen.’

Invoering van een basisinkomen, een van de populairste voorstellen om iets aan de ongelijkheid te doen, kan op weinig enthousiasme van de twee economen rekenen. Teulings: ‘Bij een basisinkomen valt de prikkel om te werken weg en dat zal er op termijn voor zorgen dat een grote groep niet meer deelneemt aan de samenleving. Het uitgangspunt moet blijven dat we van iedereen een maatschappelijke bijdrage verwachten, in de vorm van betaalde arbeid.’

Jacobs noemt het basisinkomen zelfs een ‘vreselijk idee’ en ‘de schadelijkste manier van inkomensherverdeling denkbaar’. Pleidooien voor het basisinkomen, maar bijvoorbeeld ook voor een donuteconomie, die de fixatie op eindeloze economische groei wil beëindigen, zijn volgens Jacobs vooral een kwestie van marketing, niet van inhoud. ‘Alsof economen nooit hebben nagedacht over ongelijkheid en milieuschade. Iedere econoom leert in het eerste jaar dat het niet zomaar draait om economische groei, maar om welvaart. Die neemt niet alleen toe bij meer materiële consumptie, maar ook als mensen bijvoorbeeld meer vrije tijd hebben of leven in een omgeving die niet is verpest door milieuvervuiling. Economen zijn dus niet zomaar pleitbezorgers van ongelimiteerde groei.’

Zelf schrijft Jacobs al meer dan tien jaar over manieren om iets aan de ongelijkheid te doen. Herverdeling gaat gepaard met schade voor de economie, legt hij uit. Het is dus zaak een manier te vinden die relatief weinig schade oplevert. Allereerst moeten we af van de fiscale subsidies op een eigen huis en op pensioenopbouw. ‘Die fiscale subsidies kosten nu zoveel dat je bij afschaffing de belastingtarieven over de hele linie ongeveer negen procentpunten omlaag kunt doen.’

Hogere belastingen

Daarnaast zou in Nederland de belasting op erfenissen en vermogens omhoog moeten. Jacobs: ‘Een erfenis is door de ontvanger verkregen zonder inspanningen; het is dus ook deels onverdiend inkomen. Gemiddeld worden nagelaten vermogens voor maar ongeveer 10 procent belast. Daarnaast heeft Thomas Piketty laten zien dat de vermogenswinst bij huizen de dominante reden is voor de opbouw van en ongelijkheid in vermogen. De belastingen op winsten op onroerend goed kunnen daarom flink omhoog.’

Een andere ondoelmatigheid in het huidige belastingstelsel is dat vermogenden met een eigen BV allerlei belastingbesparende constructies kunnen opzetten, terwijl normale mensen die mogelijkheden niet hebben.

Jacobs stelt dat er aan beide kanten van het politieke spectrum weinig aandacht voor het repareren van het kapitalisme in de huidige vorm is. Het grote probleem is volgens hem dat rechts geen idee heeft en links zich alleen druk maakt over symptomen. ‘Je zou kunnen zeggen dat rechtse partijen stekeblind zijn voor evident marktfalen. En ze komen niet met oplossingen, maar zijn alleen maar bezig met een politiek waarin buitenlanders, de elites en de Europese Unie de schuld krijgen voor alle dingen die misgaan. Links ziet de problemen wel, maar wil vooral de symptomen bestrijden, zoals topsalarissen en bonussen aanpakken.’

Uit de gesprekken met de twee economen komt duidelijk naar voren waar Maarten! al jaren voor waarschuwt: een doorgeschoten vrije markt zonder goede spelregels en toezicht van de overheid is niet in staat om maatschappelijke problemen adequaat aan te pakken, en zorgt voor grotere ongelijkheid. Het is hoog tijd dat er een grotere, meer slagvaardige overheid komt die voldoende tegenwicht kan bieden aan de vrije markt en zich kan richten op reparatie van de grootste ontsporingen van het neoliberalisme.

Te beginnen bij het herstel van de sociale zekerheid op de arbeidsmarkt, waar de risico’s op het moment onevenredig zijn verdeeld over de beroepsbevolking. Op andere terreinen is het zaak dat de vrije markt ook écht de vrije markt is, en er geen situatie ontstaat waarin grote bedrijven en banken risico’s nemen die ze zelf niet kunnen dragen, te weinig belasting betalen en ongestraft het milieu kunnen vervuilen.

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.