Lang leve de burgermanskunst!

DOOR MAARTEN VAN ROSSEM

Pieter Brueghel, B.C. Koekkoek, Lucien Freud: allemaal meester­schilders. Bekijk hun werk vooral zelf, in het echt. En laat u niet van de wijs brengen door kunstpausen die beweren dat ware kunst vernieu­wend en abstract is. Want abstractie is een doodlopende weg.

Uit Maarten! 2017-1

Dit stuk gaat over mijn smaak inzake schilderijen. Ik weet dat over smaak niet te twisten valt, maar ik wil toch uitleggen waar die smaak van mij ongeveer op neerkomt en hoe ik eraan ben gekomen, voor zover dat valt na te gaan. Als slechts een paar lezers gaan kijken naar de schilderijen die ik mooi vind, dan is dit verhaal nuttig geweest.

Ik heb een zeer ruimhartige smaak als het gaat om figuratieve schilderkunst en ik heb helemaal niks met non-figuratieve kunst, met de abstractie. Ik sta hierin niet alleen. De ruime meerderheid van het kunstminnende publiek heeft ook weinig tot niets met abstracte werken. Dat kan iedereen in elk museum voor moderne kunst zelf vaststellen. Het publiek klontert samen bij de impressionisten en blijft ook nog kijken naar – laten we zeggen – Bonnard en Matisse, of Modigliani en heel misschien bij de kubisten. Maar bij latere kunst wordt de aandacht minder en gaan de bezoekers harder lopen in de hoop dat er nog iets figuratiefs komt.

In de steeds grotere zalen met conceptuele kunst, knutsel- of ideetjeskunst en de soms wonderlijke restanten daarvan is vaak vrijwel niemand meer te zien. Wat valt er ook te zien aan een carré van stoeptegels op de parketvloer van het museum? Of aan diverse grote hompen bestoft vet en een verroest steekwagentje? De modale kunstliefhebber kijkt liever naar Brueghels Jagers in de Sneeuw. Toegegeven, er zit heel wat tussen de stoeptegels en Brueghel, maar ik maak het maar zo duidelijk mogelijk. De stoeptegels zijn het werk van de Kunstwereld, een relatief kleine, maar zeer machtige religieuze sekte die de geldschieters, in het bijzonder overheden, de afgelopen decennia wijs heeft gemaakt dat kunst permanent vernieuwend en grensverleggend dient te zijn, en nooit, maar dan ook nooit, figuratief.

De Kunstwereld is een zeer machtige religieuze sekte

Alle kunststromingen vanaf de impressionisten tot en met de stoeptegels scharen kenners onder het modernisme, dat ook vertakt is in een oneindige reeks varianten: hoog-modernisme, laat-modernisme, postmodernisme, minimalisme, postminimalisme, geometrische abstractie en zo verder. De kern van deze stromingen was de reductie van de schilderkunst tot zijn veronderstelde essentie, maar het eindresultaat was de onvermijdelijke vernietiging van de traditionele schilderkunst ten behoeve van de expositie van weinig inspirerende rommel uit het dagelijks leven.

Uiterst irritant was de aanhoudende claim van de Kunstwereld dat de eindeloze jacht op nieuwe varianten van het modernisme de ware aard van de kunst representeerde. Kunst was bovenal vernieuwing. De stoeptegels liggen op een hogere morele trede dan figuratieve werken. Ze representeren de ware aard van het open, tolerante en creatieve Westen. Ze zijn anti-totalitair. Figuratie is voor benepen kleinburgers, en in de figuratie ligt het fascisme altijd op de loer. Barnett Newman, producent van stomvervelende colorfield-schilderijen, verklaarde dat wie zijn schilderijen begreep – in het modernisme ‘begrijp’ je kunst, je vindt het niet mooi of lelijk – geen fascist meer kon worden.

Modernisme

In den beginne, zo tussen 1870 en 1925, was het modernisme inderdaad in positieve zin vernieuwend, maar vooral na de Tweede Wereldoorlog ging de kunsttheorie – of beter: de kunstideologie – met de schilderkunst aan de haal.

Eerst werd in het abstract expressionisme de ‘flatness’ en de abstractie verheerlijkt en vervolgens werd ook dat idee vermorzeld onder de wielen van de radicaliserende, voortrazende trein van de eindeloze vernieuwing. Waarom zou je nog een kwast gebruiken, een schilderij maken en aan de muur hangen?

Waarom zou je nog een kwast gebruiken en een schilderij maken?

Dat was allemaal Vieux Jeu! Dat er in werkelijkheid ook in moderne tijden veel meer mogelijk is dan het modernisme was in 1980-1981 te zien in het Centre Pompidou in Parijs tijden de geruchtmakende tentoonstelling Les Realismes, 1919-1939. Die maakte duidelijk dat de figuratieve kunst zich in het Interbellum allerminst had laten onderschoffelen door de schijnbare onvermijdelijkheid van de abstractie.

De tentoonstelling was mogelijk omdat in steeds bredere kring duidelijk begon te worden wat de beroemde kunsthistoricus Ernst Gombrich al veel eerder had gesignaleerd, namelijk dat de abstractie slechts beperkte mogelijkheden bood. Laten we wel wezen, een figuratief schilderij is ook een abstractie en al eeuwen geleden was het idee van flatness speels overmeesterd, in de vorm van allerlei trompe l’oeil-effecten.

Van Gogh

Goed, dit was allemaal nogal kort door de bocht, en er zat een flinke scheut ergernis in, maar het zal de lezer nu duidelijk zijn waarom ik niets heb met de ideologie van de officiële Kunstwereld van de naoorlogse decennia.

Terug nu naar mijn eigen smaak, of liever de trage vorming daarvan. De belangrijkste invloed op de basale vorming ervan had ongetwijfeld mijn vader. Die schilderde in zijn vrije tijd en las veel over kunst. Bij museumbezoek moesten zijn twee oudste kinderen mee – mijn zuster en ik – en hij schroomde niet om bij alles wat hij van belang vond een uitgebreid educatief verhaal te houden. Van abstracte kunst moest hij, voor zover ik mij kan herinneren, niets hebben. Het staat mij bij dat hij klaagde over de modernistische propaganda op de Arnhemse kunstacademie waar hij avond-lessen volgde. Zijn grote held was Vincent van Gogh. Mijn broer heet dan ook Vincent Theodore, naar de beide broers Van Gogh. Bij een bezoek aan Parijs maakten we een pelgrimage naar de graven van de broers op het kerkhof van Auvers-sur-Oise. En in 1953 fietste ik met mijn vader van Wageningen naar Museum Kröller-Müller voor een grote Van Gogh-tentoonstelling ter gelegenheid van Van Goghs honderdste geboortejaar. Het was mijn eerste museumbezoek.

Kort daarna bezochten wij en famille het Louvre en ook dat bezoek staat mij nog helder voor de geest. Mijn vader vond de Mona Lisa een vervelend schilderij, maar gaf hoog op van De geslachte os (1655) van Rembrandt, die daar in de buurt hing. Dat was pas schilderen. Ik was diep onder de indruk van Géricaults Vlot van de Medusa, vooral doordat je als tienjarig jongetje bij dat enorme schilderij met je neus tussen de stervenden staat.

Reproducties en dia’s zijn mooi en aardig, maar met echte schilderijen hebben ze niks te maken

Ik vermeld die beide excursies omdat museumbezoek essentieel is om de ware liefde voor schilderijen op te vatten. Reproducties en dia’s zijn mooi en aardig, maar met echte schilderijen hebben ze niks te maken. U moet de werken zelf zien. Probeer daarbij spectaculaire tentoonstellingen te vermijden die uitgebreide media-aandacht hebben gekregen. Die veroorzaken zo’n enorme drukte dat elke vorm van rustige en aandachtige beschouwing onmogelijk is.

Slapende Japanner

Museumbezoek levert nieuwe inzichten op over schilderijen (formaat!) die u meende goed te kennen van plaatjes en u ontdekt zo schilders waarvan u nog nooit heeft gehoord omdat ze door de kunsthistorici buiten de Grote Canon zijn geplaatst.

Voor de afgelopen twee eeuwen – de periode waarop ik in dit essay de nadruk leg – bestaat die canon eerst en vooral uit Parijse kunst en vanaf 1945 vooral uit New Yorkse werken. Deze bijziendheid berooft ons van een groot deel van de schilderkunst van de negentiende en twintigste eeuw. Schilderijen die mij bij museumbezoek bijzonder hebben verrast of getroffen zal ik hieronder beschrijven, zonder veel systeem. Het Rijksmuseum heeft een prachtige collectie, en mijn belangstelling ging vroeger vooral uit naar de meestentijds verlaten afdeling negentiende eeuw. Zo stilletjes was het daar – wat een verschil met het huidige pandemonium – dat ik er nog eens een slapende Japanner aantrof.

Mijn liefde daar betrof het werk van B.C. Koekoek, de belangrijkste Nederlandse romantische schilder. Maar Koekoek, dat was vloeken in de zwartekousenkerk van het Hoog Modernisme. Koekoek was kitsch, burgermanskunst, plaatjes voor provincialen. Maar ik vond en vind de hele Nederlandse romantische schilderkunst fijn om naar te kijken. En daar gaat het toch uiteindelijk om: kijkplezier!

Ook in het Rijksmuseum, maar dan uit de twintigste eeuw: schilders als Jan Mankes, Floris Verster, Dick Ket en Pyke Koch. Ze zijn mij liever dan het zo ongelofelijke, wereldberoemde post-figuratieve werk van Mondriaan. Mondriaans late figuratieve werk is mooi, maar zijn abstractie niet.

Friedrich en Brueghel

De Duitse Romantiek is fantastisch. Rond 1980 was ik voor het eerst een paar maal in Berlijn. Daarvoor had ik wel eens van Caspar David Friedrich gehoord, maar meer was het dan ook niet. Diens fameuze Mönch am Meer hing toen in het zogenoemde Schinkel Pavillion (ook bekend als Neue Pavillion). Ook daar was niemand – dat waren nog eens tijden.

Friedrich was heel lang een verdachte figuur omdat de nazi’s zijn werk mooi vonden. O wee als de nazi’s iets mooi hadden gevonden, dan was het bij voorbaat verdacht. Mijn grootste ontdekking in Berlijn was Adolph Menzel (1815-1905). Dat kwam in eerste instantie door het schilderij Balkonzimmer(1845), dat mij trof als een schot tussen de ogen. Waarom? Ik zou het niet weten, het is prachtig. Een meesterwerk!

Dat woord ‘meesterwerk’ mag ik van mij bekende kunsthistorici overigen niet gebruiken. Zij kennen alleen ‘belangrijke’ en ‘interessante’ schilderijen, liefst ‘voorlopers’ van nog veel interessantere schilderijen. Wie een voorloper is van het hoog-modernisme is per definitie een groot kunstenaar.

Volstrekt uniek is Pieter Brueghel. Bent u ooit in Wenen, zorg dan dat u in het Kunsthistorisch Museum aldaar naar de Brueghels gaat kijken. Allemaal meesterwerken! En bezoekt u Londen, zorg dan dat u in de National Gallery Holbeins De Ambassadeurs niet mist. Dat werk is veel groter dan ik had gedacht op grond van de plaatjes die ik had gezien. Dan is er natuurlijk nog de omvangrijke figuratieve Amerikaanse schilderkunst van de negentiende en de vroege twintigste eeuw waarvan ik lang helemaal niets wist.

Bekijk die vooral in de grote Amerikaanse musea. Die hebben allemaal een Amerikaanse afdeling die zeer de moeite waard is. Let op Fitz Henry Lane, op John Singer Sargent, op George Bellows en op Charles Sheeler, maar vooral ook op Albert Bierstadt.

Toen ik een prominente kunsthistoricus vertelde over mijn enthousiasme over de Amerikaanse schilderkunst zei hij slechts: ‘totaal oninteressant.’ Ga dus vooral kijken. Rond 1980 zag ik voor het eerst werk van Lucian Freud en daarbij dacht ik meteen: geweldig! Er kan weer figuratief geschilderd worden, en met wat een geweld, vanzelfsprekendheid en overtuigingskracht. Als u David Hockney liever ziet, mij is het om het even. De figuratie is niet dood en ook nooit dood geweest. Nog een paar decennia en de zwarte-kousenkerk van het hoog-modernisme is een onaanzienlijke ruïne, begroeid met pittoreske poison ivy. De stoeptegels kunnen aan Gemeentewerken worden verkocht.

Uit Maarten! 2017-1

Schilderijen: Mönch am Meer – Caspar David Friedrich, Zelfportret als schilder – Vincent van Gogh, Winterlandschap – Barend Cornelis Koekkoek

Gerelateerde artikelen

‘Een meesterwerk? Wat is nou een meesterwerk?’

Maarten, Vincent en Sis van Rossem over één van hun ergernissen: flauwekulkunst

Kunst met Sis: Een breiende Maria met vier pennen

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.