Niet voor de eeuwigheid gemaakt

Door: Fanta Voogd

Hebzuchtige fabrikanten vormden in 1924 een kartel om snel verouderende gloeilampen op de markt te brengen. Techbedrijven volgen die aanpak massaal.

Uit: Maarten! 3-2020. Bestel het nummer hier.

In Tom Poes en de Bovenbazen (1963) liet striptekenaar Marten Toonder een van de ‘bovenbazen’ (grootindustriëlen) zeggen: ‘Dit apparaat moet in de kluis; net als de eeuwig brandende gloeilamp en de andere gevaarlijke uitvindingen.’

Het is een sprekend voorbeeld van een gerucht dat in de tweede helft van de twintigste eeuw rondging: ooit zou er een eeuwig brandende gloeilamp zijn ontworpen, maar Philips en andere grote bedrijven weigerden die op de markt te brengen. Want ze zouden veel meer verdienen als alle lampen binnen afzienbare tijd kapotgingen en vervangen moesten worden.Ook columnisten maakten melding van het gerucht. Simon Carmiggelt stelde in 1961 in Het Parool dat het toch mogelijk moest zijn zo’n lamp te construeren (evenals de ‘nimmer ladderende nylonkous’).

Maar Karel van het Reve hield het gerucht voor onzin. In 1977 constateerde hij in NRC-Handelsblad dat een ruime meerderheid van de Nederlanders het verhaal van de eeuwig brandende gloeilamp voor waar hield en dat er zelfs een mts was in het Gooi waar het gerucht tot de officiële lesstof behoorde. Vervolgens beredeneerde hij dat het verhaal niet kon kloppen, want als het mogelijk was geweest zo’n lamp te maken, dan was een of andere student uit Delft er vast mee op de proppen gekomen. Of anders een lampenfabriek uit een van de communistische landen, dacht Van het Reve.

Vanwege dit soort redeneringen heeft het volkskundige Meertens Instituut de eeuwig brandende gloeilamp zelfs opgenomen in zijn Nederlandse Volksverhalenbank, in de categorie ‘broodjeaapverhaal’. Maar is dat wel terecht?

Op 23 december 1924 kwam een internationaal gezelschap fabrikanten in Genève bijeen om de toekomst van de gloeilampproductie te bespreken. Afgevaardigden van onder meer Philips, Osram, General Electric en de Franse Compagnie des Lampes stichtten het Phoebus-kartel, vernoemd naar de Griekse zonnegod Phoibos Apollo.

Vijfenveertig jaar na de commerciële introductie door Thomas Edison was de gloeilamp min of meer uitontwikkeld. De koolstofgloeidraad had vanaf 1904 plaatsgemaakt voor een draad van het duurzamere en feller oplichtende metaal wolfraam. Ook was het aanvankelijk simpelweg vacuüm getrokken peertje gevuld met argon of een ander edelgas, waardoor het langer meeging.

De elektrificatie van de huishoudens en de opmars van elektrische auto- en fietsverlichting had de vraag enorm opgejaagd, dus er speelden grote belangen. Die moest het kartel bewaken.

Een te lange levensduur van gloeilampen werd bestraft met een boete

De fabrikanten maakten geen geheim van hun samenwerking en presenteerden het kartel als iets dat de consument ten goede zou komen. Deels was dat ook zo. De wereldwijde en nu nog steeds gangbare standaardisering van de Edison-schroefdraad, waardoor klanten altijd een passende gloeilamp kunnen kopen, is aan het kartel te danken.

De afspraken van 1924 moesten van kracht blijven tot 1955, maar aan het begin van de Tweede Wereldoorlog kwam er een voortijdig einde aan het Phoebus-kartel.

 

Krakkemikkig peertje

Het Phoebus-kartel en het gerucht van de eeuwig brandende gloeilamp waren onder het stof van de geschiedenis verdwenen als de Duitse hoogleraar mediastudies prof. dr. Markus Krajewski en journalist Helmut Höge rond de eeuwwisseling geen grondig onderzoek hadden gedaan naar de kwestie.

Een duik in het archief van de Duitse gloeilampenfabrikant Osram leidde tot onthutsende ontdekkingen, die de kwalificatie lightbulb conspiracy rechtvaardigen. Niet alleen hadden de leden van het kartel de wereldmarkt onderling verdeeld en de prijs van gloeilampen kunstmatig hoog gehouden, ook spraken ze af de levensduur van hun lampen terug te brengen tot 1000 uur.

Uit Berlijnse cijfers blijkt dat in 1926 – vlak voordat de kartelafspraken hun eerste vruchten afwierpen – de gemiddelde levensduur van een gloeilamp 1800 branduren bedroeg, met uitschieters van meer dan 2500 uur. In de jaren 1933-1934 was dat gemiddelde aantal branduren van alle gloeilampen in Berlijnse huishoudens – inclusief de lampen die niet onder het kartel vielen – gedaald tot 1205.

De Phoebus-fabrikanten maakten serieus werk van de kortere levensduur. Ze brachten niet domweg een krakkemikkig peertje op de markt, maar deden serieus onderzoek naar de beste aanpak. De kartelparticipanten – het ging wereldwijd om honderden bedrijven – waren verplicht hun lampen te laten testen in het Phoebus-laboratorium in Basel. Een te lange levensduur werd bestraft met een boete.

Naar buiten toe verdedigde het kartel zich met de bewering dat er technische aanpassingen nodig waren om de lampen meer licht te laten geven. Maar die apologie maakte deel uit van het bedrog, want de consument zal er nauwelijks iets van hebben gemerkt, terwijl hij wel rechtstreeks in zijn portemonnee werd getroffen.

Ondanks het boetesysteem konden sommige Phoebus-fabrikanten de verleiding niet weerstaan een solidere lamp op de markt te brengen. De twee Duitse onderzoekers hebben in het Osram-archief een onthullende brief gevonden. In zijn brief aan ‘concurrent’ General Electric (30 januari 1934) klaagt Anton F. Philips over kartelparticipanten die het afgesproken maximum van 1000 branduren aan hun laars lappen. Met zijn opgewonden toon wekt hij onwillekeurig associaties op met Amos W. Steinhacker, de kikker-bovenbaas van Marten Toonder.

‘Dit is een zeer gevaarlijke praktijk – dat zult u met me eens zijn – en heeft een zeer nadelige invloed op de totale omzet van de Phoebus-partijen… Na de zeer zware inspanningen die we hebben geleverd om een periode af te sluiten van lampen met een lange levensduur is het van het grootste belang dat we niet terugzakken in datzelfde moeras,’ aldus de Philips-directeur. De brief maakt duidelijk dat het de kartelleden wel degelijk ging om het geld en niet om goede bedoelingen richting consument.

De geruchten over een eeuwig brandende gloeilamp bevatten dus een stevige kern van waarheid. Het woord ‘eeuwig’ was al te sterk, maar voor het kartel waren er wel lampen gemaakt die een eeuw konden branden. In een brandweerkazerne in de Californische stad Livermore hangt een brandende 4-Watt gloeilamp, die sinds 1901 naar verluidt maar een paar keer kortstondig uitgeschakeld is geweest. Daarnaast zijn er twee gloeilampen, in een museum te Fort Worth-Texas en in een voormalige koninklijke treinwagon in het Noorse Trøndelag, die beide sinds 1908 branden.

Het probleem van geprogrammeerde, ingebouwde of geplande slijtage is nu groter dan ooit

In combinatie met de eerdergenoemde Berlijnse cijfers zijn er dus overvloedige aanwijzingen dat gloeilampen in de vroege twintigste eeuw behoorlijk duurzaam waren. Het breed gedragen volksgeloof in de mogelijkheid van een eeuwig brandende gloeilamp was gestoeld op scherpe waarneming en een goed collectief geheugen.

 

Samenzwering

Dat Karel van het Reve constateerde dat een groot deel van de bevolking geloof hechtte aan het gerucht, terwijl intellectuelen – inclusief Van het Reve zelf – het afdeden als een vermakelijke anekdote, geeft stof tot nadenken. Onze tijd is zo doordrenkt van complotdenken dat een weldenkend mens geneigd is elk verhaal over een complot vermoeid terzijde te schuiven. Dat is waarschijnlijk niet verstandig. Zeker niet als zo’n theorie verband houdt met de centrale drijfveer in ons economische systeem: hebzucht.

‘Mensen uit dezelfde bedrijfstak komen maar zelden bij elkaar, zelfs als er sprake is van feesten of vermaak, zonder dat de gesprekken uitlopen op een samenzwering tegen het publiek of de een of andere machinatie om de prijzen te verhogen.’ Met die woorden waarschuwde Adam Smith, de grondlegger van het klassieke liberalisme, al in 1776 voor de voortdurende dreiging van kartel- en monopolievorming.

Anderhalve eeuw later ontstond het Phoebus-kartel, het eerste kartel met mondiale reikwijdte, en ook het vroegste voorbeeld van zogeheten geplande veroudering, waarbij producten bewust een beperkte levensduur krijgen.

Het probleem van geprogrammeerde, ingebouwde of geplande slijtage van producten is in onze tijd groter dan ooit. Op een perfecte markt, met veel echte concurrenten, wordt zo’n bedrijfsstrategie genadeloos afgestraft door de consument. Maar keer op keer blijkt dat correctiemechanisme op de huidige markt van Big Tech onvoldoende te werken.

Vooral Apple ligt voortdurend onder vuur. Afgelopen maart kreeg het concern in Frankrijk een recordboete van 1,1 miljard euro opgelegd van de Autorité de la Concurrence, omdat het met twee elektronicaketens kartelachtige afspraken had gemaakt over de verkoop van zijn producten.

Eerder dit jaar kreeg Apple van de Franse fraudewaakhond DGCCRF een boete van 25 miljoen euro omdat het oude iPhone-modellen in 2017 trager had gemaakt. De instantie bepaalde dat Apple zich volgens de Franse wetgeving strikt genomen niet schuldig had gemaakt aan geplande veroudering, maar wel aan zogeheten ‘misleidende handelspraktijk’, door consumenten niet te waarschuwen dat het installeren van het nieuwste iOs-besturingssysteem zou leiden tot een aanzienlijke vertraging van hun amper een paar jaar oude iPhone 6s of 7. In 2018 veroordeelde de Italiaanse anti-kartelinstantie Apple en Samsung tot een boete van respectievelijk 10 en 5 miljoen euro voor soortgelijke vergrijpen.

Op de markt van printers klinkt de klacht dat fabrikanten de apparaten voortijdig en onterecht laten melden dat de inktpatronen leeg zijn of dat er andere onderdelen moeten worden vervangen. Daarover lopen zaken tegen Epson, HP en Canon.

Een andere vorm van ingebouwde veroudering is dat fabrikanten (Apple voorop) het de consument opzettelijk moeilijk maken apparaten zelf te repareren of batterijen te vervangen.

Wel dienen de eerste tekenen van een kentering zich aan. In het kader van de Europese Green Deal is de EU van plan om volgend jaar de positie van consumenten te versterken met de invoering van een ‘recht op herstel’. Ook heeft de EU strengere regels aangekondigd tegen geplande veroudering, hoewel nog onbekend is welke.

Zelfs in de Verenigde Staten lijkt de overheid de machtsconcentratie van de grote techbedrijven niet langer met lede ogen aan te zien. Op 29 juli voelde het Amerikaanse Congres de hoogste bazen van Apple, Google, Facebook en Amazon aan de tand over monopolistisch gedrag en mogelijk machtsmisbruik. Daarnaast lopen er onderzoeken van het Amerikaanse ministerie van Justitie en toezichthouder FTC.

 

Gloeilampverbod

Het gloeilampkartel kon niet eeuwig duren, al was het maar omdat de evolutie van kunstlicht niet stil bleef staan. Uit de negentiende-eeuwse gasontladingslamp – waarin de elektriciteit niet door een gloeidraad stroomt, maar door een mengsel van edelgassen – ontwikkelde zich de tube luminescent. Deze tl-buis begon vanaf de jaren dertig aan zijn commerciële opmars.

Daarnaast kwam er in de jaren vijftig de halogeenlamp. In essentie is het een gloeilamp, maar gevuld met edelgas onder hoge druk en een beetje broom of jodium (halogeen). In de jaren zeventig diende zich de eerste spaarlamp aan. Die is in essentie niets anders dan een compacte tl-buis. Die nieuwe lampen waren niet alleen efficiënter in gebruik – meer lichtopbrengst in verhouding tot het energieverbruik –, maar ze gingen ook langer mee.

Keer op keer blijkt de concurrentie op de markt van Big Tech onvoldoende te werken

Het einde van de gloeilamp kwam veel eerder dan op grond van het gebruikelijke spel van vraag en aanbod te verwachten viel. In 2008 besloot de Europese Unie tot een gefaseerd verbod op de productie en import, dat op 1 september 2012 volledig van kracht werd.

Elsevier Weekblad publiceerde in 2009 een artikel waarin het gloeilampverbod werd gepresenteerd als het werk van een ‘eigenaardige kongsi’ van de ‘klimaatbeweging en lampenindustrie’. Volgens journalist Syp Wynia zou Philips de ‘klimaathype’ hebben aangegrepen om ‘nieuwe en potentieel zeer winstgevende lichttechnologie – de ledlampen – een voortvarende start te geven’. In 2017 warmde omroep WNL de kwestie nog eens op in het programma Haagse Lobby, waarin Wynia de lobby van milieubeweging en lampenindustrie plus de gewillige rol van toenmalig minister Jacqueline Cramer (PvdA), ooit werkzaam bij Philips, typeert als ‘een grote zwendel’. Nieuwe tijden, nieuwe complottheorieën.

Het gloeilampverbod had inderdaad een onontkoombare gunstige invloed op de verkoop van de alternatieven. Om te beginnen op die van de spaarlamp, die vanwege de aanwezigheid van kwik toch niet zo milieuvriendelijk bleek te zijn. In tweede instantie profiteerde de ledlamp, die met zijn superieure technologie vroeg of laat toch wel als winnaar uit de bus zou zijn gekomen.

De ‘licht-emitterende diode’ werd al in 1962 bij General Electric ontwikkeld door de Amerikaanse uitvinder Nick Holonyak. De eerste commerciële leds werden ingezet als rood indicatielampje. Met de uitvinding van wit ledlicht in 1995 was de weg vrij voor de inzet van led als verlichting. In 2008 loofde het Amerikaanse ministerie van Energie een prijs uit om de ontwikkeling van ledverlichting te stimuleren (Bright Tomorrow Lighting Prize). De prijs werd in 2011 toegekend aan Philips voor een ledlamp van 9,7 Watt die evenveel licht gaf als een gloeilamp van 60 Watt. Sindsdien zijn de lichtopbrengst en -kwaliteit spectaculair blijven stijgen en is de aanschafprijs blijven dalen.

De totale triomf van de ledlamp lijkt onafwendbaar. Dat komt vooral door zijn zuinigheid, maar de lamp gaat ook nog eens beduidend langer mee dan zijn voorgangers. Een ouderwetse gloeilamp brandt gemiddeld nog altijd 1000 uur – precies de levensduur die het Phoebus-kartel in 1924 nastreefde. Een halogeenlamp gaat gemiddeld 2000 branduren mee, spaarlampen 8000 en tl-buizen 18.000 uur.

Volgens Europese regelgeving moet een ledlamp minimaal 6000 uur meegaan. De verlichtingsbranche zelf claimt een gemiddelde levensduur van 35.000 en Philips zelfs van 50.000 branduren. Enig wantrouwen ten opzichte van die moeilijk te controleren bewering is wel gerechtvaardigd. Maar mocht ze blijken te kloppen, dan gaat de lamp bij een gemiddeld gebruik van 2,75 uur per dag dus ruim een halve eeuw mee. Dat zou betekenen dat het levenslicht van de gemiddelde Nederlander (42 jaar oud) die vandaag zo’n ledlamp koopt eerder zal doven dan die lamp. Een gevoelslevensduur van een eeuwigheid dus.

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.