Nederland als tweede voedselexporteur ter wereld

Nederland als tweede voedselexporteur ter wereld

DOOR ED CROONENBERG

donderdag 9 augustus 2018
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Vergeleken met de VS is Nederland een postzegellandje. Toch zijn we na Amerika de tweede voedselexporteur ter wereld. Hoe is dat in vredesnaam mogelijk?

Uit Maarten! 2018-2

Nederland heeft een oppervlak van ruim 40.000 vierkante kilometer. Daarmee is het 15 keer zo klein als Frankrijk, 30 keer zo klein als Zuid-Afrika en 200 keer zo klein als Brazilië. Dat zijn alle drie landen met een omvangrijke landbouwsector. Toch steekt Nederland deze grootmachten met gemak naar de kroon als exporteur van landbouwproducten. Dat feit is des te opmerkelijker wanneer je beseft dat de bevolkingsdichtheid van Nederland verreweg het grootst is.

Het zou een understatement zijn te beweren dat onze boeren blijkbaar iets goeds doen. Toen er aan de oevers van het meer van Galilea weer eens te weinig brood en vis was om de toegestroomde menigte te laven, toverde Jezus er simpelweg méér van. Daar doet de huidige toestand van de Nederlandse landbouw aan denken. Dat er in het kleine, verstedelijkte Nederland tussen 17 miljoen mensen niet alleen ruimte is om al deze monden te voeden, maar ook nog eens talloze magen in het buitenland te vullen, lijkt op een wonder van bijbelse proportie.

De vraag dringt zich op of Nederland louter de hoogstontwikkelde boerenstand ter wereld heeft of dat er ook andere – mogelijk bedenkelijke – factoren in het spel zijn.
 

Koeien

Nederland is van oudsher een geschikt land om te boeren. Weliswaar duurt het vruchtbare seizoen vrij kort in vergelijking met zuidelijker streken, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de vruchtbare grond van de delta waaruit het land voor een belangrijk deel bestaat. Het intensieve gebruik van de grond brengt wel milieuproblemen met zich mee, en dat probleem dateert ook niet van gisteren. In zijn boek The Edge of the World (Aan de rand van de wereld, in de Nederlandse vertaling), over de opkomst van de Noordzeelanden, beschrijft Michael Pye hoe bewoners in de Middeleeuwen veengronden begonnen af te wateren om graan te verbouwen. Het resultaat was dat de bodem dermate ernstig begon in te klinken en te verzuren dat deze uiteindelijk alleen nog geschikt was voor gras. Dit zou weer resulteren in de levendige zuivelindustrie, waarvan in tal van steden de middeleeuwse waaggebouwen nog altijd getuigen. Terwijl in een buurland als Engeland de zuivelhandel volgens Pye een puur lokale aangelegenheid bleef, maakte de zuivelindustrie in de Nederlanden schaalvergroting en professionalisering door, die zouden leiden tot een bloeiende exportmarkt.

Die oriëntatie op landbouw groeide vlak na de Tweede Wereldoorlog welhaast uit tot een obsessie

Het succes van de boeren hier heeft ook te maken met de unieke ligging, die bijvoorbeeld in de negentiende eeuw goed uitpakte, legt landbouweconoom Krijn Poppe van Wageningen UR uit. ‘We beschikken met Rotterdam over een belangrijke haven en met het Duitse Roergebied over een grote afzetmarkt voor zuivel, groente en fruit.’ Het resultaat is dat Nederland van oudsher veel meer op landbouw georiënteerd is dan bijvoorbeeld België en in de negentiende eeuw minder vaart maakte met de industrialisatie.
Die oriëntatie op het boerenbestaan zou in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog welhaast tot een obsessie uitgroeien. Sicco Mansholt was een boer en verzetsheld die in 1945 uitgenodigd werd om als landbouwminister toe te treden tot het kabinet- Schermerhorn-Drees. In die dagen waren schaarste en honger de norm, maar Mansholt besefte dat dat de welvaart snel weer zou toenemen. Hij vreesde echter dat de boerenstand in die ontwikkeling zou achterblijven, omdat de agrarische sector zeker niet optimaal georganiseerd was. ‘Boer in hart en nieren’ en voormalig Tweede Kamerlid voor de PvdA (1998-2010) Harm Evert Waalkens, die Mansholt persoonlijk heeft gekend en meegemaakt, licht toe: ‘Omdat hij zelf boer was, voelde hij zich erg betrokken. Hij streefde ernaar om op het platteland een goed sociaal klimaat te kweken waarin boeren zouden meedelen in de economische vooruitgang. Hij bepleitte – met succes – de schaalvergroting, die tot op de dag van vandaag miljarden oplevert.’

Het succes berust volgens Waalkens op het unieke manier waarop het systeem is ingericht. ‘Dat is gebaseerd op de driehoek onderwijs, onderzoek en voorlichting. Dat laatste gebeurt onder meer via voorbeeldbedrijven. Daarnaast zijn er de coörporaties met hun strakke, geoliede lijnen naar de retail. De Nederlandse landbouw beschikt over grote logistieke kwaliteiten en uitstekend georganiseerde ketens. Tulpen die vannacht gesneden worden, zijn morgen te koop in Tokyo.’
 

Tandengeknars

Mansholt zou zijn streven naar landbouwvernieuwing doorzetten in de Europese Commissie, waar hij in 1958 lid van werd en waarvan hij in 1972 zelfs de voorzittershamer kreeg. Met succes bestreed hij de protectionistische neigingen die in EEG-landen opspeelden om de eigen landbouw te beschermen. Ook was hij een van de architecten van het subsidiebeleid dat ons weliswaar de boterbergen en de melkplassen zou opleveren, maar dat ook sterk bijdroeg aan het succes van de Nederlandse boeren. Doordat importheffingen werden geslecht lag nu immers de hele EEG aan hun voeten, waaronder de zeer interessante West-Duitse markt.

Daar kwam nog eens bij dat in 1959 in Groningen de grootste gasbel van Europa werd ontdekt. ‘Dat heeft de Nederlandse tuinbouw absoluut bevoordeeld,’ zegt Waalkens. ‘Er kwam een speciale tarifering voor grootverbruikers – waaronder de tuinders –, waarbij de gasprijs daalde naarmate er meer van werd afgenomen.’ Dit door de overheid georkestreerde concurrentievoordeel voor de Nederlandse tuinders levert veel tandengeknars op in andere Europese landen. Waalkens: ‘Ik herinner me nog hoe Gerrit Zalm met lange tanden naar Brussel afreisde om dit beleid voor de zoveelste keer te verdedigen.’
 

Kiloknaller

Anno 2018 is de Nederlandse landbouwsector vitaler dan ooit, al zijn de marges vaak klein en zijn er problemen met het maatschappelijk draagvlak – waarover later meer. In 2007 exporteerden ‘we’ voor 9 miljard euro aan vlees, voor 9,1 miljard aan zuivel en voor meer dan 17,2 miljard aan groenten en fruit. Maar ook de handel in dranken liep lekker met een exportbedrag van 4,3 miljard – het is vrij onbekend dat Nederland tot Europa’s grootste wodka-exporteurs behoort. De grondstof daarvoor is veelal melasse uit de suikerindustrie. Snijbloemen brachten 3,8 miljard in het laatje en bollen ruim 1,2 miljard (bron: CBS). Daarmee – en ook dankzij allerlei andere agrarische producten – is Nederland de tweede landbouwexporteur van de wereld – na de VS, maar vóór Duitsland. Nederland is tevens de derde netto-exporteur ter wereld, na Brazilië en Argentinië. Dat betekent dat Nederland veel minder landbouwproducten importeert dan dat het exporteert – het verschil bedraagt ruim 27 miljard.

De import werpt wel een donkere schaduw over dit schijnbare succesverhaal. Want het kleine, dichtbevolkte Nederland kan zo’n enorm grote exporteur van landbouwproducten zijn doordat de basisvoedingsstoffen voor een flink deel uit het buitenland komen. Nederlandse koeien, varkens en kippen consumeren zulke uiteenlopende producten als tapioca, palmpitschilfers en sojaschroot.

Dergelijke producten zijn een probleem, omdat ze milieuschade en sociale ellende veroorzaken in verre buitenlanden. Oliepalmen verdringen tropisch regenwoud in gebieden als Borneo en Sumatra. Soja voor diervoeding is in zeer grote mate afkomstig uit Brazilië. Plat gezegd wordt daar het Amazone-woud omgehakt om aan Duitsers Schweinefleisch te kunnen slijten (en om de Nederlandse kiloknallervakken te vullen). De sector ziet dat zelf uiteraard genuanceerder: ‘Burgers kunnen – mede door campagnes van Wakker Dier, Varkens in Nood en Milieudefensie – denken dat Nederlandse varkens alleen maar soja eten en dat hiervoor massaal de regenwouden worden gekapt. De werkelijkheid is anders,’ aldus een rapport van Producenten Organisatie Varkenshouderij. Volgens de POV bestaat het voedsel van Nederlandse varkens voor slechts 8 procent uit soja – en de rest uit afval van onder andere de bierindustrie. Dat moge zo zijn, maar dat restafval is eveneens voor een belangrijk deel afkomstig uit import. Bier, bijvoorbeeld, wordt grotendeels gebrouwen van geïmporteerde gerst en hop.
Kippen eten overigens voer dat volgens dezelfde cijfers van de POV voor 26 procent uit soja bestaat. Het is bekend dat de teelt van soja in Brazilië funest is voor de biodiversiteit doordat regenwoud vervangen wordt door een monocultuur die alleen levensvatbaar is doordat structureel het bestrijdingsmiddel glyfosaat wordt gebruikt. In 2015 maakte het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek IARC bekend dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ is voor mensen. De bestrijdingsmiddelen fnuiken bovendien de voedselproductie van kleine boeren, voor zover die nog niet door gewapende bendes van hun land zijn verdreven. Milieubeschermers worden stelselmatig vermoord vanwege het ‘groene goud’ – zoals de bijnaam van de lucratieve soja luidt. De Braziliaanse overheid pretendeert wetgeving te handhaven die verdere kap van regenwoud ten behoeve van de sojaproductie tegenhoudt, maar iedereen weet dat het land notoir corrupt is – vooral op het lokale niveau waarop deze problematiek meestal speelt.
 

Kolossale uitstoot

De grootschalige import van soja en andere diervoedingsproducten is ook de oorzaak van de beruchte mestoverschotten. In feite zou, om de balans te herstellen, de varkensmest geëxporteerd moeten worden naar de landen waar de grondstof voor de mest – maïs, soja of palmpitten – vandaan is gekomen. Maar omdat dat blijkbaar commercieel niet te rechtvaardigen is, komt de mest op allerlei manieren op en in de Nederlandse bodem terecht. Het gevolg is een enorm fosfaat- en nitraatoverschot, dat het bodemleven ontregelt. Omwonenden van boerderijen worden daarnaast geteisterd door gevaarlijk fijnstof. Zoönosen – infectieziekten die van dier op mens worden overgedragen – bedreigen de volksgezondheid. Ook is met name de rundveesector verantwoordelijk voor een kolossale uitstoot van methaan – een broeikasgas dat volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change IPCC 86 keer zo schadelijk is als koolstofdioxide.
‘De schaalvergroting die ooit door Mansholt in gang is gezet, heeft verwoestend uitgepakt op de Nederlandse natuur,’ zegt Waalkens. ‘Als je de verborgen, maar niettemin werkelijke kosten zou meewegen, dan zou de landbouw veel minder concurrerend zijn met die van andere landen.’

Dit besef lijkt inmiddels breder door te dringen. Afgelopen april nog adviseerde de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) aan de regering om de Nederlandse veestapel met de helft in te krimpen. Maar zoals te verwachten viel, bleken de regeringspartijen niet erg geporteerd van dit advies – de belangen van machtige lobbygroepen zijn immers in het spel. ‘Ontzettend eenzijdig,’ aldus het CDA over het advies (bron: FD). En ook D66, een partij die zich in de oppositie gretig als milieuvriendelijk afficheerde, uitte nu bedenkingen. Volgens Kamerlid Tjeerd de Groot van D66 zou Nederland moeten inzetten op zogeheten kringlooplandbouw, waarbij alle reststoffen opnieuw benut worden. Dat klinkt mooi, maar het zou in de Nederlandse praktijk dat neerkomen op een agrarisch perpetuum mobile – een onmogelijkheid dus. De grootschalige veeteelt is alleen mogelijk dankzij grootschalige import die resulteert in een heleboel viezigheid in water, bodem en lucht. Nederland is simpelweg te klein om al het veevoer zelf te produceren en aldus de kringloop te sluiten. Kringlooplandbouw is daarom een politiek praatje voor de vaak.

In 2007 exporteerden ‘we’ voor 9 miljard euro aan vlees en voor 9,1 miljard aan zuivel

Als biologisch melkveehouder is Harm Evert Waalkens zich terdege bewust van de milieuproblematiek. Hij denkt dat het onvermijdelijk is dat de agrosector ‘moet gaan opklimmen in de ontwikkelingspiramide naar kwaliteit. Op den duur moeten we geld verdienen met onze kennis – niet met de producten zelf. Dat we momenteel 110 miljoen kippen, 13 miljoen varkens en 2 miljoen koeien houden is van de gekke. De Nederlandse land- en tuinbouw zou ingericht moeten zijn als een laboratorium op praktijkschaal waarin kennis kan worden getoetst.’ Als voorbeeld noemt hij een bedrijf op Texel waar via veredelingstechnieken de zouttolerantie van gewassen – zoals aardappelen – vergroot wordt, zodat deze ook gedijen in gebieden die onder druk staan van zeespiegelstijging.

De Nederlandse landbouw is niet alleen een wonder van bijbelse proportie, maar lijkt ook nog eens in staat munt te slaan uit een ramp van bijbelse proportie: de klimaatverandering. Best knap.
 
Bestrijdingsmiddelen met pootjes
Hoogleraar Marcel Dicke van Wageningen UR is de grootste pleitbezorger van de insectenteelt ten behoeve van menselijke consumptie. Insecten zetten plantaardige voedingsstoffen namelijk extreem veel efficiënter om in eiwitten dan andere dieren. De praktijk is echter weerbarstig. Vanwege de kleinschaligheid van de teelt zijn insecten voorlopig nog erg duur, en de gemiddelde consument loopt nog niet echt warm voor een broodje sprinkhaan.

Veel interessanter is de teelt van insecten voor de plaagbestrijding in de land- en tuinbouw. Afgelopen december kreeg de insectenboerderij Koppert Biological Systems in Berkel en Rodenrijs de koning op bezoek vanwege haar 50-jarige jubileum. Het bedrijf is wereldwijd marktleider in geleedpotigen die plagen bestrijden en de bestuiving verzorgen. Naast Koppert – dat 25 vestigingen heeft in Europa en Noord- en Zuid-Amerika – zijn in Nederland nog circa dertig andere insectenboerderijen actief. Deskundigen verwachten dat de immer toenemende kennis over insectengedrag deze markt nog enorm zal doen groeien.
 
Verticaal boeren
Nederland is dichtbevolkt, maar Singapore telt per vierkante kilometer nog zeven keer zoveel inwoners. Geen wonder dat juist daar ’s werelds eerste vertical urban farming system, oftewel verticale boerderij, is verrezen. Volgens het bedrijf Sky Greens, dat de boerderij bouwde, zullen in dichtbebouwde omgevingen verticale boerderijen even gewoon worden als verticale kantoren en woongebouwen.

Uiteraard bevindt ook de inventieve Nederlandse landbouwsector zich wederom op de eerste rij. Het bedrijf PlantLab in Den Bosch heeft een teeltsysteem ontwikkeld dat eveneens verticaal kan worden gebruikt en waar helemaal geen zonlicht meer aan te pas komt. De planten worden alleen beschenen met licht in de golflengtes die ze daadwerkelijk aanwenden voor hun fotosynthese. Dat bespaart enorm veel energie. Door in een gesloten systeem de omstandigheden volledig te controleren is bovendien 90 procent minder water nodig, en zijn bestrijdingsmiddelen overbodig.

Uit Maarten! 2018-2
donderdag 9 augustus 2018

Gerelateerde artikelen

Fatale liefde voor blauw op straat

maandag 16 juli 2018

Jac. P. Thijsse: de aartsvader van de natuurbescherming

donderdag 12 juli 2018

Klimaatpaniek: terecht of niet?

dinsdag 8 mei 2018

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.