Waarom de Britten zich niet thuisvoelen in Europa

DOOR PATRICK VAN IJZENDOORN

Ingebouwde behoudzucht, historisch bewustzijn, drang naar keuzevrijheid en een vleugje luiheid onderscheiden de Britten van de rest van Europa. Daardoor hebben ze zich nooit thuis gevoeld in de EU en is de Brexit onomkeerbaar.

 

 

Uit Maarten! 4/2017

Een sloot. Een ondergelopen greppel. Naar het idee van Napoleon Bonaparte vormde het Kanaal geen belemmering om Groot-Brittannië te bereiken, teneinde het achtergebleven kruideniersvolk aldaar te laten kennismaken met fenomenen als huisnummers, decimale maten en abstracte rechtsprincipes. Maar Napoleons beschavingsoffensief faalde op spectaculaire wijze, en de droom van een Verenigd Europa spatte op zee uiteen.

De witte kliffen van Dover zijn op een heldere dag zichtbaar vanuit Calais, maar de afstand tussen eiland en vasteland bleek groter dan gedacht. Twee eeuwen en een Kanaaltunnel verder is er niet zo heel veel veranderd, zo bleek in het revolutiejaar 2016.

In de nacht van 23 op 24 juni 2016 ging er een schok door het oude continent. Ruim 17 miljoen Britten – 52 procent van de deelnemers aan het referendum – waren tot de conclusie gekomen dat het Verenigd Koninkrijk beter af zou zijn buiten de Europese Unie, waar het 43 jaar lang deel van had uitgemaakt. Massa-immigratie was een van de voornaamste factoren bij de keuze voor Brexit, alsmede de miljarden die elke week naar Brussel vloeiden en de regels die daarvoor terugkwamen. En het was een uitgelezen kans om het eurogezinde establishment in verlegenheid te brengen. Dat de populairste politici in het Brexit-kamp zaten – Boris Johnson met name, maar ook Nigel Farage – was een tactisch voordeel.

Veel oude stemmers hadden nog een extra motief: bij het referendum in 1975 over het lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap hadden ze vóór gestemd, in de overtuiging dat het Europese samenwerkingsverband een soort winkelcentrum was: alleen een economische samenwerking, geen politieke unie. De politiek leiders van toen hadden er niet bij gezegd dat het ging om politieke eenwording, iets wat gaandeweg de jaren tachtig duidelijk werd en in 1992 werd beklonken met het Verdrag van Maastricht. Dat zou het natuurlijke moment zijn geweest voor een nieuw referendum – maar John Major weigerde. De Britten kregen nog een kwarteeuw om de politieke eenwording aan te zien. Ze werden met het verdrag sceptischer.

Op het vasteland is de politieke eenwording – en daarmee samenhangend de euro – een stuk makkelijker geaccepteerd, al is er om verschillende redenen tegengestribbeld in Zweden, Denemarken, Nederland en zelfs in Frankrijk, het land dat de EU van oudsher als een soort Groot-Frankrijk pleegt te beschouwen (gefinancierd door de Duitsers). De gedachte overheerst uiteindelijk dat de Europese samenwerking een groter, immaterieel goed dient. Want op het continent heeft elk land trauma’s overgehouden aan de afgelopen eeuw: aan de bezetting door de nazi’s in het westen, aan de communisten in het oosten en aan diverse militaire junta’s in het zuiden, en in Duitsland zelf aan het naziverleden.

 

 

De Britten werden met het verdrag sceptischer

 

 

In het Verenigd Koninkrijk is het ‘dit nooit meer’-sentiment goeddeels afwezig. De Eerste Wereldoorlog heeft een generatie weggevaagd, maar wat overheerst is het idee dat het land twee wereldoorlogen gewonnen heeft (‘Two World Wars and One World Cup’ klinkt het soms bij voetbalwedstrijden tegen de Duitsers); dat het tijdens de Tweede Wereldoorlog – mede dankzij die eerdergenoemde vaargeul – een baken van vrijheid was in een verduisterd continent. Zelfs het verlies van het Wereldrijk – een direct gevolg van de twee oorlogen – is niet als een trauma ervaren, tenminste niet hardop. Anders dan Frankrijk en Nederland nam het Verenigd Koninkrijk zonder veel geweld afscheid van de koloniën. Geruisloos verdween het rijk.

Ploeterend gingen de Britten verder waar ze gebleven waren – Keep calm and carry on. Hardnekkig, verkalkend en bovenal romantisch is het idee van continuïteit: ‛Yeah, since the Middle Ages…’ De rest van Europa daarentegen heeft door de eeuwen heen twee grote keerpunten gekend. Eerst was er de napoleontische periode, toen het Europese vasteland een verlicht systeem van wetten opgelegd kreeg, en daarna de Tweede Wereldoorlog, die heeft geleid tot grote moderniseringen. Het Britse Labour richtte in de naoorlogse jaren een verzorgingsstaat op, maar fundamenteel bleef alles bij het oude, gesymboliseerd door Churchills herverkiezing in 1951.

Dat is de reden geweest dat de Britten zich in de jaren vijftig niet aansloten bij de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Toenmalig premier Winston Churchill had beweerd dat de Britten de Europese samenwerking steunden, maar er geen deel van wensten uit te maken – een standpunt dat onlangs werd herhaald door Theresa May.

Twintig jaar later werden de Britten alsnog lid, na lang aandringen, en na het overlijden van anglofoob Charles de Gaulle. Maar tegen die tijd stonden ze al op een kennisachterstand. Het Britse lidmaatschap werd al snel gekenmerkt door – veelal ingewilligde – verzoeken om uitzonderingsposities. De Britten, zo gaf May pas toe, hebben zich nooit echt thuis gevoeld in Brussel.

Er bestaat een verschil in manier van denken tussen eiland en vasteland. Waarom willen de Britten zo graag vasthouden aan pond sterling, aan links rijden, aan de imperiale maten, aan het gewoonterecht? Waarom zien ze het nut niet in van harmonisering en de efficiëntie die daarmee gepaard gaat? Het antwoord ligt in een ingebouwde behoudzucht, een historisch bewustzijn, het idee dat wat niet kapot is geen reparatie behoeft, een drang naar keuzevrijheid en een vleugje luiheid. Het verleden heeft uitgewezen dat, zo schreef Dia Chakravarty in The Daily Telegraph, ‘het mogelijk is een sterke economische en strategisch-regionale alliantie op te bouwen zonder de nationale identiteit op te offeren’.

Het fundamentele Britse bezwaar tegen de EU zit ’m in het streven naar een Verenigde Staten van Europa. Die ambitie was begin jaren negentig al duidelijk geworden onder het presidentschap van Jacques Delors (‘Up Yours, Delors!’ was de boodschap van The Sun) en onlangs weer bevestigd – in Britse ogen in elk geval – door Jean-Claude Juncker. Vanuit Westminster, de moeder van alle moderne parlementen, heeft er altijd weerstand bestaan tegen afbrokkeling van de soevereiniteit, de verdwijning van de macht uit het Lagerhuis, met zijn groene bankjes, houten panelen en het zwaard op de tafel. En griffiers met pruiken.

Het Lagerhuis, volgens de Britten de cockpit van de democratie, is het traditionele domein van de confrontatiepolitiek, wat bevorderd wordt door de architectuur: de politiek kemphanen zitten recht tegenover elkaar, op twee voetbaltribunes, als het ware. Politici zitten bijna op elkaars schoot, ruiken elkaars zweet. Dit is een debatruimte, geen vergaderzaal. Het staat in contrast met de halvemaanvormige zalen van de meeste volksvertegenwoordigingen op het vasteland, waar confrontaties uit de weg worden gegaan. Het verschil in benadering is evident bij de confronterende optredens van Nigel Farage in het Europees Parlement, waarbij hij niet schroomt om de Europese machthebbers te bespotten en te beledigen.

Westminster  – de middeleeuwse hal om precies te zijn – was dan ook de plaats waar de enige koninklijke onthoofding uit de Britse geschiedenis plaatsvond: die van de Karel I in 1649, nadat hij was berecht door het parlement. Het beeld van Oliver Cromwell, leider van de parlementariërs, staat pontificaal in de tuin van het parlement, als een waarschuwing aan de vorst. De Queen’s Speech, de Britse troonrede, gaat altijd gepaard met rituelen die de vrijheid en onafhankelijkheid van de volksvertegenwoordiging benadrukken.

De inperking van de koninklijke macht gaat ver terug. Een jaar voor het EU-referendum vierden de Britten het 800-jarige jubileum van de Magna Carta, het handvest over vrijheden en rechtspraak dat Jan zonder Land in een weiland langs de Theems nabij Windsor Castle ondertekende. De koning deed dit onder druk van leenmannen die vonden dat de vorst zijn macht misbruikte, onder meer op fiscaal, juridisch en religieus gebied. Hier ligt de bron van het gewoonterecht. De Engelsen vieren de Magna Carta als de hoeksteen van hun vrijheid, het recht en de democratie, en als een van de belangrijkste exportproducten uit de Britse geschiedenis.

Het Brexit-referendum is door sommigen gezien als een nieuwe Magna Carta, een ‘bevrijding’ van Brussel, dat ondanks het bestaan van een (tandeloos) parlement van nature ondemocratisch is. Over dat parlement schreef Brexiteer Tom Slater: ‘Het is gebaseerd op een afkeer van het politieke proces, gebaseerd op de overtuiging dat “wij de mensen” niet kunnen worden vertrouwd. Ons wordt niet toevertrouwd om de juiste mensen te kiezen, om te stemmen voor de juiste wetten, om naar onszelf om te zien. In plaats daarvan hebben we een Europese Commissie die over ons waakt, ons op paternalistische wijze naar een goedgekeurd pad leidt.’ Het is geen wonder dat take back control zo’n aansprekende leuze van Leave was.

De Magna Carta is niet de enige historische gebeurtenis waarmee de stem voor Brexit vergeleken is. Brexiteer Jacob Rees-Mogg zag parallellen met de Glorieuze Revolutie van 1688 onder leiding van onze eigen Willem III. ‘Het verlaten van de EU is een grote bevrijding voor het Verenigd Koninkrijk. Het sluit aan bij de democratische geest van de Britten en was een stem voor vrijheid.’

Interessant in dat opzicht is het verschil tussen reacties op het referendum. De meeste Britten, ook de eurogezinden, hebben zich bij de uitkomst van deze democratische exercitie neergelegd, maar op het vasteland duikt de gedachte op dat de uitslag op een of andere manier ongedaan kan en zal worden gemaakt, desnoods door een herkansing.

Het is niet voor het eerst dat de Britten besluiten hun eigen gang te gaan. Er is al eens een Brexit geweest. In de jaren dertig van de zestiende eeuw besloot koning Hendrik VIII te breken met de kerk van Rome, omdat de paus had geweigerd zijn zoonloze huwelijk met Catharina van Aragon ongedaan te maken. Het leidde tot de vorming van de anglicaanse kerk, waarvan de koningin nog steeds het hoofd is. Niet langer was Engeland een gewoon Europees katholiek land, maar het koos, in de woorden van de historicus en Tudor-vorser David Starkey, ‘een nieuw, Atlantisch pad, naar de Nieuwe Wereld, naar protestantisme, naar euroscepsis’.

 

 

Het idee overheerst dat Groot-Brittannië een baken van vrijheid was in een verduisterd continent

 

 

In de tijd van Hendriks dochter Elizabeth I groeide Londen uit van een Europese provinciestad tot een handelscentrum. In zijn boek London’s Triumph beschrijft de historicus Stephen Alford dat de Engelse handelaren genoeg hadden van de onrust op het vasteland en de beslissing namen om de oceanen op te gaan, zoekend naar nieuwe markten. Dat slaagde wonderwel, en hier werd de basis gelegd voor wat later het Britse wereldrijk zou worden, een rijk dat zijn hoogtepunt zou krijgen in de tijd van de koningin Victoria, die ironisch genoeg als bijnaam ‘de Grootmoeder van Europa’ heeft, omdat haar kinderen huwden met continentale prinsen en prinsessen.

De ondergang van dat wereldrijk deed de Britten langzaam opschuiven naar het Europese vasteland, met in 1973 de onvermijdelijke aansluiting bij ‛Europa’, samen met de Ieren. De Britten liepen voorop bij de voltooiing van de gemeenschappelijke markt en bij de uitbreiding van de Europese Unie aan de oostkant. Het Verenigd Koninkrijk, Londen voorop, werd steeds Europeser, bijvoorbeeld op mode-, sport- en eetgebied. Ruim 3 miljoen Europese burgers, voor een groot deel uit de Oost-Europese landen, droegen bij aan de welvaart. Onder Tony Blair zag het er zelfs even naar uit dat de euro het betaalmiddel zou worden.

Maar het zelfvertrouwen van de Britten is sinds de eeuwwisseling weer gestegen dankzij economische voorspoed. Vier jaar voor het referendum beleefde Londen de beste Olympische Spelen uit de geschiedenis en werd koningin Elizabeth de langst regerende monarch uit de Britse geschiedenis.

Daarbij komt dat wat economische groei betreft het oude continent in de schaduw is komen te staan van met name Aziatische landen, waaronder India, het kroonjuweel uit het voormalige wereldrijk. Negentig procent van de groei zal in de komende jaren in niet-Europese markten plaatsvinden.

 

 

In de zestiende eeuw veroorzaakte Hendrik VIII ook al een Brexit

 

 

Al deze factoren gaven de Britten het gevoel dat ze het zonder EU af kunnen, en dat de oceanen weer openliggen, onder andere naar Azië.

Brexiteers benadrukten dat ze niet tegen Europa waren, maar tegen de EU, net als voetbalfans die houden van hun sport maar de FIFA haten. Om dit te benadrukken hield May haar EU-toespraak in Florence, de geboorteplek van de Renaissance. Het Europa van toen was een lappendeken van koninkrijkjes, naties en stadstaten die met elkaar handelden, samenwerkten en soms streden, een diversiteit waar de brexiterende Britten van dromen. De toespraak in de stad van Donatello, Machiavelli en Botticelli was bedoeld om de vrienden op het vasteland op het hart te drukken dat Brexit geen vijandige daad was.

De kans is groot dat er, vanwege de handelsbelangen, uiteindelijk een modus operandi gevonden wordt waarbij het Verenigd Koninkrijk zijn soevereiniteit terugkrijgt, maar moet betalen om vrij te blijven handelen met EU-landen. Alsnog, en verzwakt, bij de Unie blijven is vrijwel ondenkbaar.

Het zal tijd kosten voor de wond is geheeld. Waar de Britten vol goede moed zijn, heersen op het vasteland gevoelens van verraad, het gevoel dat de Britten door de jaren heen alles hebben gekregen wat ze wilden en het blok nu in de steek laten, en het eenwordingsideaal saboteren. In de negentiende eeuw, zo luidt een Britse mythe, publiceerde The Times de kop ‘Fog in Channel – continent cut off’. Wat de EU betreft lijkt nu het omgekeerde te gelden.

Meer weten
This Blesssed Plot
In 1998, een van de beste jaren in de relatie Londen-Brussel, verscheen This Blessed Plot: Britain and Europe from Churchill to Blair. Het boek van Guardian-journalist Hugo Young staat nog steeds bekend als de beste Brits-Europese geschiedschrijving. Terwijl toetreding tot de Unie door andere landen is gezien als een overwinning, zo beweert de eurogezinde auteur, is deze door de Britten juist ervaren als een nederlaag. Immers, veel van Youngs landgenoten koesteren de overtuiging dat het gezegende eiland een speciale status heeft en dat er een samenzwering bestaat om van de Britten goede Europeanen te maken. Een prima voedingsbodem voor euroscepsis.
Hugo Young, This Blessed Plot: Britain and Europe from Churchill to Blair Pan Macmillan, 576 p. antiquarisch verkrijgbaar.

All Out War
Over de aanloop naar het referendum en de directe gevolgen daarna heeft Tim Shipman het ultieme boek geschreven. In All Out War: the Full Story of how Brexit Sank Britain’s Political Class beschrijft deze vooraanstaande politiek journalist hoe de voorstanders van Brexit een sluwe guerrillaoorlog voerden tegen een lankmoedige gevestigde orde. Met uitzondering van David Cameron sprak Shipman alle betrokkenen. Voor wie Brexit wil begrijpen is dit boek essentieel, vol met prachtige details.
Tim Shipman, All Out War: the Full Story of how Brexit Sank Britain’s Political Class Harper Collins UK, 688 p. € 15,95.

Uit Maarten! 4/2017

 

Gerelateerde artikelen

Brexit-sprookjes

Waarom het referendum onze democratie juist ondemocratischer maakt

Hoe angst ons in het web van de populisten drijft

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.