Dag, gouden jaren

DOOR MAARTEN VAN ROSSEM

De glans van de westerse economie is verdwenen. Als overheden niet ingrijpen, stevenen we af op een lange, lange tijd van stilstand. En ingrijpen is moeizaam want we zijn in de ban van een zuinigheidsobsessie.

Uit Maarten! 2016-3

Een spook waart door de economie van de VS en Europa – het spook van de secular stagnation. ‘Secular’ staat hier voor ‘niet-conjunctureel’ en de term betekent dus zoveel als ‘structurele stagnatie’. De economie van de rijkste landen lijkt af te stevenen op een langdurige periode, wellicht enkele decennia, van economische stilstand.

Het economisch herstel na de dramatische jaren van de kredietcrisis vertoont een ronduit bloedeloos karakter. De VS vertonen enige economische groei maar die houdt niet over. En de eurozone lijkt rond te dobberen zonder enige economische dynamiek te vertonen.

Daarbij doen zich uitzonderlijke economische verschijnselen voor. De reële rente is de facto negatief. Wie geld uitleent aan de Duitse overheid, moet daarvoor al betalen en krijgt dus geen rente. Wellicht is de tijd niet ver meer dat ook spaarders geld kwijt zijn als ze kapitaal bij een bank willen parkeren. Tegelijkertijd is de inflatie bijzonder laag. Zo laag zelfs dat er aanhoudende vrees bestaat voor deflatie.

Deze vreemde situatie maakt normaal monetair beleid onmogelijk. Renteverlaging – om de economische bedrijvigheid te stimuleren – heeft onder deze omstandigheden immers weinig zin. De Europese Centrale Bank en de Amerikaanse FED pompen daarom grote hoeveelheden geld in de economie door effecten op te kopen, in het bijzonder staatsobligaties.

Afhankelijk van de econoom die je spreekt, wordt dit beleid als nuttig en terecht of als uiterst gevaarlijk afgeschilderd. Of, in een enkel geval, als nuttig én gevaarlijk. In ieder geval bestaat de indruk dat dit beleid niet eeuwig kan duren, omdat op deze wijze wellicht een nieuwe economische zeepbel kan ontstaan.

Een belangrijk onderdeel van het probleem is dat Europeanen en Amerikanen economisch gezien veel te veel sparen. Er zijn kennelijk te weinig investeringsmogelijkheden om al dat spaargeld effectief te gebruiken. Dus zoeken economen naar methoden om burgers al dat spaargeld uit te laten geven en de spaardrang af te remmen. Doen we niets, dan dreigt de gevreesde structurele stagnatie, die ook veel onaangename politieke onrust zou kunnen veroorzaken.

Double dip

Voor we ons bezighouden met de voorstellen die in dat kader worden gedaan, dienen we te kijken naar de oorzaken van dat overschot aan spaargeld en het tekort aan mogelijkheden om de euro’s en dollars productief uit te geven. Over de achterliggende problemen zijn economen het niet eens. Een voor de hand liggende verklaring is dat de kredietcrisis nog niet volledig is uitgeziekt, en dat we ons nog in de naweeën van die crisis bevinden. Dit type crisis kan namelijk nog heel lang negatieve effecten hebben.

Een andere, en pijnlijkere, oorzaak is dat de bestrijding van de kredietcrisis verkeerd is aangepakt. Aanvankelijk ging het goed. De G20-landen besloten tijdens hun bijeenkomsten in ­Washington (2008) en Londen (2009) dat de crisis onverwijld moest worden aangepakt met omvangrijke fiscale stimuleringsmaatregelen. Dat had het gewenste effect, en er volgde herstel in 2010.

Vervolgens besloten de G20 in Toronto (2010) en bij volgende bijeenkomsten precies het omgekeerde te doen. Ze raakten in de greep van een zuinigheidsobsessie. Overheden moesten tot elke prijs de uitgaven beperken. In de eurozone werd dit beleid opgehangen aan de veronderstelde bittere noodzaak het begrotingstekort te reduceren tot 3 procent of minder.

Het onmiddellijke gevolg was een zogenoemde double dip, waardoor we jaren geplaagd zijn en die de kredietcrisis nodeloos heeft verlengd.

800 miljard dollar

Huishoudens en bedrijven reageerden op de kredietcrisis door hun schulden af te bouwen en in de spaarmodus te gaan. Dat betekende vanzelfsprekend een flinke rem op de economische activiteiten. Om dat effect te compenseren hadden de overheden, zoals zij aanvankelijk dus ook deden, moeten overgaan tot forse fiscale stimuleringsmaatregelen. Maar ze deden na Toronto dus het tegenovergestelde.

Alleen in de VS zag men al spoedig in dat deze bezuinigingswoede niet verstandig was. Daardoor hebben de VS zich sneller en beter hersteld van de kredietcrisis.

Het herstel had nog voorspoediger kunnen zijn als de financiële injectie van de regering-Obama – een kleine 800 miljard dollar – aanzienlijk groter was geweest. Daar waren de Republikeinen echter fel op tegen. Zij hielden vast aan de zuinigheidsmythologie en berokkenden hun eigen land zo aanzienlijke schade.

De eurozone lijkt rond te dobberen zonder enige economische dynamiek te vertonen

Dat was overigens niets bijzonders. Het probleem van democratieën is dat de meeste kiezers niet (willen) begrijpen dat overheden in tijden van crisis méér geld moeten uitgeven in plaats van minder. Ook een land als Nederland, met een structureel gezonde financiële huishouding, had niet moeten bezuinigen maar moeten stimuleren!

Grijs

Een andere, structurele oorzaak van de dreigende stagnatie is de vergrijzing. De babyboomgeneratie is inmiddels de 60 gepasseerd en deze mensen hebben enorm gespaard voor hun oude dag. En nog steeds leggen ze geld opzij. Daarbij worden ze gedreven door financiële onzekerheid. Gehannes met de pensioenen en aanhoudende retoriek dat die op termijn wellicht niet betaalbaar zijn, vormen een enorm sterke spaarimpuls en dienen daarom vermeden te worden.

De vergrijzing van de babyboomers betekent ook dat er in de naaste toekomst minder werkenden zullen zijn, en dus minder mensen om de productie op peil te houden. In veel landen is de bevolkingsgroei vrijwel tot stilstand gekomen en in sommige landen is al sprake van forse krimp. In Duitsland bijvoorbeeld, zouden zo’n anderhalf miljoen immigranten per jaar nodig zijn om in de toekomst de werkende bevolking op peil te houden. Vanuit dit perspectief was het ruime welkom van Merkel zo gek nog niet. In de VS is de situatie minder dramatisch dan in grote delen van Europa. De werkende bevolking vertoont daar nog wel enige groei, al is de omvangrijke immigratie tot stilstand gekomen.

Tsunami van spaargeld

Niet alle economen zijn even bezorgd over de structurele stagnatie. Zij zijn van mening dat de tsunami van spaargeld en de daarmee samenhangende negatieve rente van tijdelijke aard zullen zijn. Of ze beschouwen de mogelijke stagnatie niet noodzakelijkerwijze als een maatschappelijke ramp. Daarbij wijzen de optimisten naar Japan dat al sinds de jaren negentig te maken heeft met minimale groei. Dat land is schatrijk en stabiel, en er is weinig mis. Onderwijs en gezondheidszorg functioneren er prima en de levensverwachting is er ongekend hoog. Gegeven dat niemand bittere armoede lijdt, kan Japan prima voort.

Anderen zijn dus pessimistischer. Een voorbeeld is Robert J. Gordon. Zijn boek The Rise and Fall of American Growth: The US Standard of Living Since the Civil War (2016) heeft immense invloed op het stagnatiedebat.

Gordon zet zijn sombere voorspelling over de economische ontwikkeling van de VS in de komende decennia in een zeer ruim historisch raamwerk. Zijn uitgangspunt is de productiviteitsgroei in de VS in de periode 1870-1970. In die eeuw heeft zich een ware revolutie voltrokken, die het dagelijks leven van iedere burger totaal heeft veranderd. Amerika ging van een grotendeels agrarische samenleving over in een industriële en stedelijke maatschappij.

Kern van Gordons redenering is dat die transformatie per definitie eenmalig was. Ze werd gedreven door de steeds ruimere toepassing van de grote uitvindingen van de zogenoemde tweede Industriële Revolutie. Dat waren in het bijzonder de elektriciteits­opwekking, met alle mogelijkheden die daaruit voortkwamen, en de interne verbrandingsmotor, die de transportrevolutie mogelijk maakte.

Rond 1970 waren alle mogelijkheden van die revolutionaire vindingen uitgebaat en kwam er een einde aan de stormachtige stijging van de productiviteit. Er was nog wel groei, maar die was beperkt en bedroeg slechts een derde van de groei in de halve eeuw daarvoor. Als de productiviteit na 1970 even hard was toegenomen als daarvoor, zou het inkomen per hoofd in de VS nu tweemaal zo hoog zijn geweest.

Slavenbestaan

Het aardigste deel van Gordons boek is zonder meer de enorme reeks van voorbeelden waarmee hij laat zien hoe ingrijpend het dagelijks leven sinds 1870 is veranderd: hoe zwaar en onaangenaam dat leven voor de meeste Amerikanen was, hoe beroerd ze aten, hoe geïsoleerd ze leefden, hoeveel kinderen voor hun vijfde verjaardag dood gingen, hoe het leven van de huisvrouw niet veel meer was dan een slavenbestaan.

In 1970 was de modale woning voorzien van elektriciteit, gas, schoon stromend water, riool, telefoon, aircondi­tioning, centrale verwarming en eindeloos vermaak in de vorm van een televisietoestel. De levensverwachting was enorm toegenomen, onder andere door de vrijwel volledige eliminatie van de kindersterfte. De huisvrouw werd geassisteerd door talloze apparaten, hoewel ze ook daar verrassend veel werk aan had. De mobiliteit van de moderne Amerikaan was praktisch onbegrensd. De miljoenen paarden zijn verdwenen, met hun poep en pis. Het aantal mensen dat nog in de landbouw werkte, was uiterst gering.

Gordon laat zien dat de meest zegenrijke effecten van de transformatie – zoals de daling van de kindersterfte – voor het dagelijks leven niet of nauwelijks zichtbaar waren in de groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP). In de revolutionaire eeuw onderscheidt Gordon verschillende fasen. Aanvankelijk was de groei van de productiviteit beperkt, maar na 1920 deed zich een opmerkelijke versnelling voor en in de jaren dertig en veertig was de groei van de productiviteit een waar mirakel. De jaren veertig staken daarbij weer met kop en schouders boven de jaren dertig uit.

Juist de jaren van de Grote Depressie en de Tweede Wereldoorlog hadden dus een bijzonder karakter. De New Deal stimuleerde de moderne vakbonden, waardoor loon en arbeidsvoorwaarden sterk verbeterden. Dat leidde weer tot innovatie in het productieproces.

De noodzaak van een zo groot en snel mogelijke militaire productie leidde in de eerste helft van de jaren veertig tot een nog veel grotere druk op de vernieuwing van het productieproces. Tussen 1940 en 1945 verdubbelde het aantal machine tools. Die toename werd vrijwel geheel gefinancierd door de federale overheid.

Van 1939 tot 1944 werd het Amerikaanse BBP tweemaal zo groot. Na aanloopproblemen produceerde een Fordfabriek in Willow Run elk uur een B24, een zware bommenwerper: 24 uur per dag, zeven dagen van de week. In de oorlogsjaren werden bovendien meer dan 10.000 C47’s gebouwd, de militaire versie van de Dakota.

De Duitsers produceerden in de oorlog ruim 50.000 exemplaren van de Kübelwagen, een klein militair terreinvoertuig, maar de Amerikanen bouwden meer dan twaalf keer zoveel Jeeps. Geen enkel ander land was daar in die jaren toe in staat.

Rollend geld

De verwachting was dat er na de oorlog een terugval zou zijn in de spectaculaire productiviteitsstijging. Maar dat was niet het geval. De lonen bleven hoog en het geld dat tijdens de oorlog niet kon worden uitgegeven, rolde nu. Het onderwijs kreeg een enorme injectie doordat alle Amerikaanse soldaten gratis een college-opleiding mochten volgen. In deze decennia waren de inkomensverschillen ook kleiner dan ooit in de Amerikaanse geschiedenis. Voor blanke Amerikanen scheen de American Dream waarlijk vervuld te worden. Zonder de oorlog en de sterk sturende rol van de overheid was dit alles niet mogelijk geweest.

In de jaren zeventig was het, zoals gezegd, vrij plotseling afgelopen met de groei van de productiviteit. Alleen in de periode 1994-2004 vond een opleving plaats in de productiviteitsgroei door het succesvolle huwelijk van de pc en het internet. Lang duurde dat niet.

Grote delen van de Amerikaanse zware industrie raakten in de jaren zeventig en tachtig in de problemen doordat zij de concurrentie op de wereldmarkt niet meer aankonden. De Amerikaanse autofabrikanten, decennialang de meest efficiënte ter wereld, kwamen in het gedrang door de import van kleine, zuinige auto’s uit ­Europa en Japan, die van aanzienlijk betere kwaliteit waren dan de Amerikaanse straatkruisers.

Voor blanke Amerikanen scheen de American Dream na de oorlog waarlijk vervuld te worden

Beleidsmatig is in de VS weinig effectief gereageerd op deze veranderingen, doordat het vanaf 1980 dominante neoconservatisme de overheid niet beschouwt als een instantie die oplossingen kan bieden, maar als de oorzaak van de problemen. Daar komt bij dat het Amerikaanse politieke systeem door polarisatie in toenemende mate disfunctioneel is geworden. De enorme toename van de inkomensverschillen is door de overheid eerder versterkt dan bestreden. Investeringen in infrastructuur zijn sterk achtergebleven.

Gordon is dan ook somber over de toekomst. Hij gelooft niet dat de groei van de productiviteit in de komende decennia groter zal zijn dan sinds 1970. Hij wordt op dat punt fanatiek bestreden door de zogenoemde techno-optimisten, die wijzen op zaken als 3D-printers, kunstmatige intelligentie, nanotechnologie etc, die ons met zekerheid een nieuwe productiviteitsspurt zullen brengen. Ik moet bekennen dat ik op dit punt meer aan de zijde van Gordon sta dan aan die van de techno-optimisten, die grootse vergezichten schilderen, die echter bij nader onderzoek rijkelijk vaag blijken.

Hij noemt ook nog een aantal negatieve omstandigheden die de kans op verbetering tot vrijwel niets reduceren. Dat zijn de inkomensongelijkheid in de VS, het slecht functionerende onderwijs, de massale pensionering van de babyboomers en de financiële problemen die de federale overheid te wachten staan omdat die uitgaat van veel te optimistische groeicijfers.

Disfunctioneel Amerika

Dat de transformatie van een agrarische naar een industriële samenleving een uniek fenomeen was, dat gepaard ging met een groei van de productiviteit die zich geen tweede maal zal voordoen, lijkt me evident. Er is voorlopig geen reden om aan te nemen dat de groeicijfers in de naaste toekomst plotseling explosief zullen stijgen.

Combineren we dat met de disfunctionele aspecten van de Amerikaanse samenleving en het Amerikaanse politieke systeem, dan lijken mij de sombere beschouwingen van Gordon – bij gelijkblijvende omstandigheden – over de te verwachten langdurige stagnatie van de inkomensgroei van een groot deel van de bevolking zonder meer realistisch. Dat geldt evenzeer, met iets andere variabelen, voor de EU. Al moet ik daarbij opmerken dat dergelijke complexe economische ontwikkelingen over de middellange termijn volstrekt onvoorspelbaar zijn. Resteert de vraag of er iets aan te doen is. Kan het gevaar van de secular stagnation effectief bestreden worden? Ja, dat kan.

Als het boek van Gordon iets ­duidelijk maakt, dan is het wel de ­essentiële rol van de overheid bij het creëren van gunstige condities voor economische groei. Alle economen die zich met de dreigende stagnatie hebben beziggehouden, zijn van mening dat de overheden, zowel in de VS als in ­Europa, langdurig en op grote schaal een expansief financieel beleid moeten voeren. Dat stimuleringsbeleid moet zorgen voor een passende inflatie, liefst 4 procent, een hogere rente en een minder sterke spaardrift.

Een dergelijk overheidsbeleid zal leiden tot grotere tekorten op de overheidsbegroting en dus ook een grotere staatsschuld. Dat is echter geen probleem als de overheid de extra fondsen investeert in die sectoren die op de lange termijn de groei stimuleren, zoals verbetering van het onderwijs en grootschalige reparatie van de infrastructuur. De overheid moet niet bezuinigen op pensioenen en sociale uitkeringen omdat zulke maatregelen een enorme spaarimpuls veroorzaken.

Nuttig beleid is ook een forse verhoging van het minimumloon en stimulering van de vakbeweging, omdat die kan zorgen voor hogere lonen.

Het is steeds zaak dat het geld dáár terechtkomt waar het ook weer wordt uitgegeven. Desnoods moet de overheid mensen gewoon geld cadeau toen, zoiets als die duizend euro van Rutte die we nooit hebben gekregen. Dat klinkt allemaal mischien nogal links, maar dit zijn de dringende aanbevelingen van Lawrence Summers, bij uitstek een vertegenwoordiger van het Amerikaanse financiële establishment. Op de langere termijn is ook een her­vorming van het Amerikaanse belastingregime noodzakelijk. De rijken moeten veel meer gaan betalen, minstens zoveel als voor 1970, en ook de successierechten moeten een stuk omhoog.

Techno-optimisten schilderen grootse vergezichten, die bij nader onderzoek rijkelijk vaag blijken

Eenieder die ook maar enig benul heeft van het Amerikaanse politieke systeem en het eerdergenoemde disfunctioneren daarvan, zal nu denken: dat gaat er niet van komen! Een ­actieve overheid, in een land waar de overheid al vier decennia verdacht wordt gemaakt, en hogere belastingen en meer overheidsschuld; dat beleid is in Washington kansloos.

Vandaar dat het onmogelijk is om dit verhaal optimistisch af te sluiten. De Verenigde Staten zullen zichzelf nog veel ernstiger moeten beschadigen voordat wellicht enige verbetering mogelijk is.

Uit Maarten! 2016-3

Gerelateerde artikelen

De vervlogen Amerikaanse droom

‘Stop met sparen, geld moet rollen’

Waarom het marktdenken failliet is

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.