De bloei van de Sixties

DOOR MAARTEN VAN ROSSEM

In The Sixties werd Nederland het land waarin we nu nog steeds leven. Het werkelijke belang van die jaren ligt niet bij de oproerkraaiers van Provo, D’66 en rock-’n-roll, hoe sympathiek ook. Wat dit tijdvak zo bijzonder maakte, was de enorme welvaartsgroei.

 

De jaren zestig van de boekhouders duurden van 1 januari 1960 tot 31 december 1969. The Sixties, of liever nog The Swinging Sixties, waren een mythisch decennium, waarin velen dachten dat alles voorgoed anders zou worden en de spelende mens eindelijk van zijn kluisters zou worden bevrijd.

Wanneer dat mythische decennium begon en eindigde, is niet duidelijk. Het ziet er bovendien naar uit dat het in verschillende landen op verschillende tijdstippen begon en eindigde. Volgens diverse naslagwerken begonnen The Sixties in de Verenigde Staten in 1963 en eindigden ze in 1974. Waarom dat zo is, blijft echter vaag. Overtuigende cesuren bieden zich eigenlijk niet aan.

In Nederland lijken de grenzen van het magische decennium overtuigender gemarkeerd. Hoewel sommige historici de Nederlandse Sixties heel vroeg willen laten beginnen (namelijk in 1958, omdat in dat jaar het laatste kabinet-Drees viel en de Wederopbouw er wel zo’n beetje op zat), is het evident veel voor de hand liggender om ze vrij laat te laten beginnen: in 1966. Dat is denk ik ook een beter jaar voor diegenen, zoals ikzelf, die zich die jaren nog scherp kunnen herinneren. Kleding, haarlengte, muziekvoorkeur en politieke oriëntatie begonnen pas te schuiven in 1965 of daaromtrent. Het eerste nummer van het weekblad Hitweek, dat ik altijd geamuseerd heb gelezen en dat qua opmaak en onderwerpkeuze karakteristiek was voor die jaren, verscheen op 17 september 1965.

 

Katholieke rotstreek

 

De gebeurtenissen van het volgende jaar waren voor Nederlandse begrippen confronterend en leken uit te nodigen tot een politieke keuze. In maart 1966 werd het huwelijk van Beatrix en Claus von Amsberg in Amsterdam voltrokken, met als nationaal en internationaal hoogtepunt de rookbom. In juni was het bouwvakkersoproer in Amsterdam, waarbij het er ongekend hard aan toeging tussen het gezag en relschoppers. In oktober werd het veelbelovende en progressief ogende kabinet-Cals ten val gebracht door de fractieleider van de KVP in de Tweede Kamer, Norbert Schmelzer, tijdens de fameuze Nacht van Schmelzer. Het drama werd live uitgezonden door de radio en door mijn huisgenoten en mij met stijgende verontwaardiging beluisterd. Wat een vuig verraad, wat een katholieke rotstreek, wat een triomf voor conservatief Nederland.

Kort daarna werd D’66 opgericht. De oprichters zeiden zich zorgen te maken over de Nederlandse politiek, die zij onvoldoende democratisch vonden. Voor die stelling is nimmer steekhoudend bewijs geleverd. Gelukkig zijn de hervormingsvoorstellen van D’66 – onder andere invoering van een districtenstelsel en directe verkiezing van de minister-president – nooit werkelijkheid geworden.

 

 

De oproeikraaiers, hoe sympathiek ook, waren niet meer dan vrolijke versiering in de marge

 

 

De verkiezingen van 1967 waren een politieke revolutie, althans voor Nederlandse begrippen. De drie confessionele partijen verloren de absolute meerderheid die hun decennialang de macht over Nederland had gegarandeerd. Twee oproerpartijtjes, D’66 en de Boerenpartij, kregen elk zeven zetels. Ik werd in de eerste maanden van 1967 lid van de PvdA, omdat ik vond dat een politieke keuze noodzakelijk was. Niet dat het veel hielp, want ook de PvdA verloor in 1967.

Wie terugbladert naar die jaren, zal zien dat ook de geschiedschrijvers vol zijn van de oproerkraaiers: van de opstandige studenten, van Hans van Mierlo, die toch zo aan Kennedy deed denken, van de pleitbezorgers van lang haar (‘beter langharig dan kortzichtig’) en natuurlijk van Provo, dat ik ergens beschreven zag als ‘het symbool van de maatschappelijke veranderingen’ van die jaren. Ik heb mijzelf er hierboven ook enigszins schuldig aan gemaakt door speciale aandacht te vragen voor Hitweek. Vanuit het perspectief van 2013 moet geconstateerd worden dat de genoemde oproerkraaiers, hoe sympathiek ook, niet meer waren dan vrolijke versiering in de marge van het ware belang van die jaren.

Voor dat aan de orde kan komen, moet echter eerst de vraag beantwoord worden wanneer The Sixties in Nederland aan hun eind kwamen. Dat was met het treurige einde van het roemruchte kabinet-Den Uyl, het meest linkse kabinet dat Nederland ooit heeft gehad. Dat kabinet, vrucht van een moeizame formatie, had moeten oogsten wat de jaren zestig hadden gezaaid.

Maar het kabinet-Den Uyl kwam te laat; het politieke en culturele tij was verlopen. De exuberante groei van de jaren zestig was voorbij en in de historische coulissen roerde zich al de rechtse backlash van het neoliberalisme. Halverwege de rit moest Den Uyl al besluiten dat de overheidsuitgaven met niet meer dan 1 procent per jaar mochten groeien, en van de voorgenomen grote structurele hervormingen kwam niets terecht. The Sixties waren definitief afgelopen, al hadden ook jonge zakenlui ondertussen lang haar gekregen.

 

Opel Kadett

 

Wat was dan wél de ware historische betekenis van de jaren zestig? Dat was zonder twijfel de enorme welvaartsgroei die zich in die jaren voordeed in alle West-Europese landen en Japan. In de VS had die welvaartsgroei zich twintig jaar eerder voorgedaan. In Nederland was de inkomensgroei nog spectaculairder dan elders, omdat in de jaren vijftig een geleide-loonpolitiek was gevoerd, die de lonen laag moest houden ten behoeve van de export.

Na het vertrek van het laatste kabinet-Drees gingen de confessionelen met de VVD in zee en werd een deel van de overheidsbemoeienis met de economie beëindigd. Dat leidde in de vroege jaren zestig tot een loonexplosie. In 1963 stegen de lonen met 9 procent, het jaar daarna zelfs met 15 procent. In 1965 toch ook weer met ruim 10 procent. Gedurende de hele jaren zestig stegen de reële lonen met gemiddeld 6 procent per jaar.

Nederland stapte binnen enkele jaren over van de soberheid van de jaren vijftig naar de uitbundige welvaart van de jaren zestig, die sedertdien vanzelfsprekend is geworden. Wanneer we de index van consumptieve bestedingen in 1950 op 44 stellen, even hoog als in 1930 (!), staat die index in 1960 op 55 en in 1975 op 100.

 

 

Gedurende de hele jaren zestig stegen de reële lonen met gemiddeld 6 procent per jaar

 

 

Tussen 1965 en 1975 werd Nederland het land waarin we nu nog steeds leven. Wie naar filmbeelden van die jaren kijkt ziet voor het eerst vierbaanswegen met grote aantallen auto’s – of zelfs files – en supermarkten met vele kassa’s naast elkaar. Met de auto was het mogelijk ook naar het buitenland met vakantie te gaan. Men wilde dat ook graag aan zo veel mogelijk mensen laten weten. Op de achterruit van de spreekwoordelijke Opel Kadett werden stickers geplakt van de bezochte exotische locaties.

Terwijl het bezit van een televisietoestel in de late jaren vijftig nog zo uitzonderlijk was dat alle bewoners van de straat kwamen kijken als er iets bijzonders te zien was, hadden aan het eind van de jaren zestig vrijwel alle Nederlandse gezinnen een tv. Het aantal Nederlanders met een telefoonaansluiting steeg van 30 procent in 1960 naar 52 procent in 1973. Dat percentage zou nog aanzienlijk hoger zijn geweest als de PTT in staat was geweest het aanbod volledig aan te passen aan de vraag.

De welvaartsstijging leidde tot een grotere mobiliteit en een hogere scholingsgraad van de bevolking. De televisie, die binnen enkele jaren was opgerukt naar het centrum van de huiskamer, bood een ongekende hoeveelheid informatie op vrijwel elk denkbaar gebied. Mobiliteit, scholing en informatie verschaften een solide fundament voor de individuele emancipatie van de modale Nederlander. Die veroorzaakte tussen 1965 en 1975 de onverwacht snelle afbraak van het verzuilde Nederland.

Onderzoek in de jaren vijftig had al aangetoond dat jonge mensen beduidend minder frequent naar de kerk gingen dan hun ouders. In de jaren zestig voelden ook vele ouderen zich vrij om zondag thuis te blijven. De ooit zo imposante rooms-katholieke zuil verdween in tien jaar vrijwel volledig van het toneel, zoals ook de Nederlandse hervormde kerk verschrompelde. Alleen de gereformeerden wisten de discipline in eigen gelederen te handhaven. Deels was overigens de schijnbare stabiliteit van de gereformeerden te danken aan de zeer hoge geboortecijfers in die kring, die ook hoog bleven toen de geboortecijfers elders in de samenleving vanaf de late jaren zestig sterk afnamen.

Vanaf 1946 kende Nederland een babyboom, die alleen in de VS zijn gelijke had. Het verhoudingsgewijs toch welvarende Nederland vertoonde geboortecijfers waar een derdewereldland zich niet voor zou hebben geschaamd. Het gevolg daarvan was de tweede beslissende karakteristiek van de jaren zestig, naast die snel groeiende welvaart: het relatief zeer grote aantal jongeren.

 

 

Nederland toonde geboortecijfers waar een derdewereldland zich niet voor zou hebben geschaamd

 

 

Aan het wel en wee en de culturele eigenaardigheden van die jongeren werd door de media veel aandacht besteed. Hoe vreemder de jongelui zich gedroegen, hoe meer aandacht ze kregen. Dat verklaart wellicht de buitenproportionele opwinding die de provo’s veroorzaakten. Het waren de provo’s die hadden gezorgd voor de rookbommetjes bij Het Huwelijk. Hoewel die rook veel rumoer had veroorzaakt, wil dat nog niet zeggen dat Provo, opgericht in mei 1965, ‘het symbool was van de maatschappelijke veranderingen’. De provo’s waren een sympathiek stelletje ongeregeld dat zich, zonder veel ideologische of organisatorische samenhang, bezighield met de ludieke provocatie van het gezag. Dat zette zichzelf te kijk door hysterisch te reageren op elke ‘provocatie’, zoals het uitdelen van krenten.

Provo hief zichzelf weer op in mei 1967 – een bewijs van het onthechte karakter van dit gezelschap. Symbool van het grote maatschappelijke veranderingsproces lijkt mij veeleer de jonge man of vrouw die de benauwende sociale atmosfeer van een Brabants dorp ontvluchtte om in Amsterdam geestelijk het ruime sop te kiezen.

 

Zelfgekweekte peentjes

 

De vreemdste reactie op de nieuwe welvaart en het consumptieve welbevinden van Jan Modaal was afkomstig van linkse intellectuelen, die ook tal van studenten het hoofd op hol brachten. Het ging om ideeën die een wonderlijk amalgaam waren van marxisme, neomarxisme, de cultuurkritiek van de Frankfurter Schule en opvattingen afkomstig uit de tropische- plantenkas van het Parijse radicalisme.

Karakteristiek was Herbert Marcuses geruchtmakende One Dimensional Man (1964). Uitgangspunt was dat de consumptiesamenleving helemaal geen zegen was, maar een perverse vorm van onderdrukking die de mens vervreemdde van zijn essentie. Consumptie was maar een dimensie, maar die deed de andere dimensies, die veel belangrijker waren, vergeten. Met de kwantiteit was niets mis in de consumptiesamenleving, maar met de kwaliteit des te meer. De westerse, kapitalistische landen met hun materiële overdaad leken wel democratieën, maar waren het allerminst. De materiële overvloed was een subtiele manier van sociale controle – ja, van totalitaire onderdrukking, waarbij de onderdrukten zich nergens van bewust waren.

Veel hoop had Marcuse niet te bieden, omdat hij niet duidelijk maakte hoe op effectieve wijze te ontsnappen aan de dwang van de overvloed. Allerlei lieden hebben in de loop van de jaren zestig gezocht naar alternatieve leefgewoonten, individueel of in groepsverband, maar bij nader inzien waren dergelijke experimenten vrijwel altijd parasitair: ze bestonden feitelijk bij de gratie van de overvloed waaraan ze probeerden te ontsnappen.

Roel van Duijn, een van de oprichters van Provo, kocht in de late jaren zeventig een boerderijtje in Groningen om het geïdealiseerde eenvoudige leven in praktijk te brengen. Het werd hem al snel duidelijk dat het niet meeviel om van de zelfgekweekte peentjes te leven en hij was binnen een paar jaar terug in Amsterdam. Eenvoudig leven is meestentijds de wens van mensen die al verscheidene generaties een comfortabel leven hebben geleid. Het heeft toch iets onaangenaams, die preekzucht van intellectuelen die zonder uitzondering afkomstig waren uit de hogere middenklasse tegen de miljoenen die na de Tweede Wereldoorlog voor het eerst kennismaakten met de zegeningen van de welvaart. Dan liever het ‘biefstuksocialisme’ van Joop den Uyl. Het is een bevrijdende gedachte dat al die Opel Kadett-rijders One Dimensional Man nooit hebben gelezen.

 

 

Eenvoudig leven is meestentijds de wens van mensen die al verscheidene generaties een comfortabel leven hebben geleid

 

 

Vanuit de linkse, progressieve sfeer die domineerde in die jaren werden ook denkbeelden ontwikkeld – en gerealiseerd – over de uitbreiding van de verzorgingsstaat. Dat leidde tot de Algemene Bijstandswet, de Algemene Kinderbijslagwet en een aanvankelijk beperkte Arbeidsongeschiktheidsverzekering. De uitkeringen werden over de hele linie verhoogd. Van 1960 tot 1975 nam het aantal ontvangers van uitkeringen toe van 1,3 miljoen naar 2,5 miljoen. Het percentage van het bruto binnenlands product dat werd uitgegeven aan sociale zekerheid nam ondertussen toe van 10 naar 28 procent.

In de deels geradicaliseerde vakbeweging en ook op de linkervleugel van de sociaal-democratische partijen gingen in deze jaren ook stemmen op om de economie verder te collectiviseren, teneinde de eigendomsverhoudingen op termijn beslissend te kunnen veranderen. Minister-president Den Uyl hield op 1 oktober 1974 in Nijmegen een lichtelijk provocatieve voordracht voor de christelijke werkgevers, waarin hij bepleitte de werknemers te laten meebeslissen over de investeringsbeslissingen – de zogenoemde ‘vermaatschappelijking’ van de investeringen. Dergelijke politieke wensen leefden in die jaren bijvoorbeeld ook in Zweden.

De werkgevers stelden zich daartegen scherp teweer. Ze waren akkoord met de verzorgingsstaat en met het feit dat de bonden over allerlei zaken meebeslisten, maar zagen die ‘vermaatschappelijking’ als een aantasting van de prettige samenwerking waartoe na de oorlog was besloten. Dat was ook het geval met het wetsontwerp voor de vermogensaanwasdeling, dat de bedoeling had ‘overwinsten’ onder collectief beheer te brengen. Negen directeuren van grote bedrijven schreven daarover een boze brief. Dat wetsontwerp is wel ingediend, maar nooit in behandeling genomen.

 

Tegenoffensief

 

Het kabinet-Den Uyl heeft uiteindelijk niets veranderd aan de bestaande machtsverhoudingen in de samenleving. In dat opzicht hebben de jaren zestig geen wezenlijke veranderingen bewerkstelligd. De boze reacties van de werkgevers – niet alleen in Nederland – bleken achteraf gezien het begin van een omvangrijk tegenoffensief van het bedrijfsleven en andere conservatieve groepen tegen de linkse tsunami van de jaren zestig.

Dat tegenoffensief werd ook gevoed door de economische tegenwind die in de jaren zeventig was opgestoken, na drie decennia economische groei. De werkloosheid liep op, onder andere doordat hele industrietakken naar lagelonenlanden vertrokken, omdat ze door de zeer sterk gestegen lonen in West-Europa en de VS zich moeilijk staande konden houden op de wereldmarkt. Ook was er sprake van een hardnekkige, zeer hoge inflatie, die naar veler oordeel op de lange termijn een ontwrichtende werking zou hebben.

 

 

Het is een bevrijdende gedachte dat al die Opel Kadett-rijders Marcuse nooit hebben gelezen

 

 

Dat gaf neoliberale economen de opening om te betogen dat de overheidsbemoeienis veel te groot was geworden. De stagnerende groei was het gevolg van een almachtige overheid, de inflatie dat van veel te hoge overheidsuitgaven. Het keerpunt was hier 1977. Vanaf dat jaar was het definitief afgelopen met The Sixties, en waren nieuwe ideeën in het offensief. Twee jaar later werd Margaret Thatcher in Engeland gekozen tot MP.

Zozeer hebben neoliberale en conservatieve opvattingen getriomfeerd dat slechts weinigen nog bereid zijn een goed woordje voor de jaren zestig te doen. Het is waar dat tal van ideeën over de bevrijding en emancipatie van het individu in de loop van de jaren zestig, maar vooral in de jaren zeventig zijn ontspoord. Zo zuchten we nog steeds, om een enkel voorbeeld te geven, onder de naweeën van het waanidee dat kinderen volledig bevrijd moeten worden van een dwingend, autoritair schoolsysteem.

Desondanks hebben de jaren zestig mijns inziens meer goed dan kwaad opgeleverd. De emancipatie van tal van voorheen gediscrimineerde groepen is in die jaren op de rails gezet, en ten slotte is de popmuziek van die jaren veruit superieur aan de lawaaierige narigheid die we sedert die jaren hebben moeten aanhoren. Over de gruwelijke gevolgen van het neoliberale geloof zal ik bij deze gelegenheid maar zwijgen.

 

 

Uit Maarten! 2013-7

 

Gerelateerde artikelen

Het een-na-beste land ter wereld: Nederland

Nederland, een heel normaal land

9 uitjes uit de tijd dat geluk nog heel gewoon was

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.