Maarten bij het corps: Jool, bier en hoempamuziek

Door Maarten van Rossem

Maarten was ooit lid van het Utrechts Studenten Corps. Ook toen werd er geschreeuwd, gedronken en gevochten. En tijdens zijn ontgroening moest hij in een zwempak zingen.

Uit Maarten! 2022-3. Bestel losse nummers.

Het is een jaarlijks weerkerend fenomeen: incidenten rond de studentencorpora. Meestal doen die zich voor in de groentijd, zijn ze drankgerelateerd en betreffen ze nodeloze gewelddadigheden of zeldzaam stompzinnige retorische ontsporingen. Daarom leek het mij wel instructief het spoor terug te volgen naar mijn eigen ervaringen in de groentijd. In september 1962 ging ik in Utrecht studeren. Ik werd lid van het Utrechts Studenten Corps, omdat dat in mijn familie te doen gebruikelijk was. Het corpslidmaatschap betekende ook een groentijd van enkele weken. Ik ben vergeten of die twee of drie weken duurde.

Ik had geen idee wat mij te wachten stond. Ik werd kaalgeschoren – een verwerpelijke gewoonte die gelukkig een paar jaar later is afgeschaft – en kreeg een wit boordje met 150 erop. Ik was een nummer geworden. De verplichte kleding bestond uit een jasje dat mocht sneuvelen in de strijd.

Het hele idee van een groentijd is systematische vernedering, tot je de zegen van het lidmaatschap waardig bent bevonden. Het was vermoeiend en onaangenaam, maar ik ben nooit geslagen. Dat overkwam andere ‘feuten’ overigens wel. Je kon een hoop ellende vermijden door nooit vooraan te gaan staan, nimmer tegen te spreken en sowieso niet op te vallen. Van die weken herinner ik mij eerlijk gezegd niet zo veel meer.

Kaalgeschoren eerstejaars worden in 1960 ontgroend op het Leidseplein in Amsterdam.

Bierestafettes

Met grote regelmaat moest je ‘kikkeren’, dat wil zeggen op je hurken als een kikker op en neer springen, hetgeen knap vermoeiend was. Deze activiteit werd altijd begeleid door hoempamuziek. Zingen was een essentieel onderdeel van de groentijd. Alle denkbare corpsliederen moesten tot vervelens toe worden geoefend. Bovendien moesten er minstens eenmaal per week nationalistische liederen (‘Boven Gent rijst eenzaam en grijs…’) gezongen worden uit de bundel Liederen van Groot Nederland, die het werk was van Frits Coers, een fameuze ‘eeuwige student’. Sindsdien haat ik alle collectieve zangdwang.

Noodzakelijke, want rituele gebeurtenissen, waren bierestafettes, de Tritonjool en het Groenentoneel. Bij een bierestafette zitten alle feuten aan weerszijden van een heel lange tafel. De bedoeling is dat alle deelnemers hun glaasje bier zo snel mogelijk opdrinken, zodat een van beide kanten wint. Er zijn mensen die bier zonder slikken naar binnen kunnen gieten, dat scheelt. Triton is de roeivereniging van het USC. Bij de jool moeten de feuten, slechts gekleed in onderbroek, met de kop van een haring in hun mond een eindje zwemmen. Ontzettend leuk.

Een zeer onaangenaam onderdeel van de groentijd was het ‘invechten’ bij een van de andere corpora. In het collectieve geweld dat daarbij gebruikelijk was, kon het gemakkelijk misgaan. Ook in de eigen sociëteit moest vaak gesjord worden, dat wil zeggen gevochten, waarbij alleen aan het genoemde jasje mocht worden getrokken.

‘Feuten moesten zwemmen met een haring in hun mond’

En ik vergeet haast te vermelden dat de hele groentijd werd begeleid door geschreeuw. Geen van de ouderejaars sprak op een normale toon, je werd altijd toegeschreeuwd. Dat leidde ertoe dat de hardste schreeuwers de boventoon voerden, wat ook onder normale omstandigheden een probleem van de corpora is.

Slot van de groentijd was het Groenentoneel. De feuten worden dan opgedeeld in groepen die ieder een speciaal voor deze gelegenheid gecomponeerd lied moeten zingen. Ik vormde deel van een groep die in dameszwempak moest zingen, onderwijl obscene gebaren makend. Dat alles voor een ingrijpend bezopen publiek. Voor zover je in de groentijd verhalen hoorde over ontgroeningsmethoden die echt niet deugden, betrof het bijna altijd de ontgroening in de ‘corpshuizen’, waar van enig toezicht geen sprake was. Je zou de groentijd kunnen vervangen door een korte kennismakingsperiode, al ben ik bang dat een dergelijke kennismaking na enige tijd toch weer zou leiden tot een soort ontgroening. De ontgroening in corpshuizen zou in elk geval afgeschaft moeten worden.

Ontgroeningen in het corps draaien om systematische vernedering.

Misogynie

Het einde van de groentijd was jammer genoeg niet het einde van de ellende. Na de groentijd kwam de ‘na-groentijd’, wat betekende dat de ondertussen officieel lid geworden eerstejaarsstudent nog tot na de kerst getreiterd mocht worden. Ging je een avond naar de sociëteit, dan was het maar de vraag of je op tijd mocht vertrekken. Er werd dan een ‘deurwacht’ ingesteld. Je kwam pas langs de deurwacht als je een origineel excuus voor je vroege vertrek had verteld: ‘Ik hou een olifant op mijn kamer en die moet klokslag tien uur zijn havermoutpap hebben, anders gaat hij trompetteren.’

Het waren kinderachtige praktijken, waardoor je dacht dat je gemakkelijk iets kon verzinnen dat leuker was dan naar de sociëteit gaan. Maar als je niet ging werd je ‘obscuur’, waardoor je extra werd gepest als je toch weer eens ging. Het moet vrij simpel zijn om de na-groentijd af te schaffen.

Ik heb de sociëteit altijd onaangenaam gevonden. Die werd in mijn tijd gedomineerd door een vechtlustige kroegcommissie. Als je er al eens rustig zat te praten, was er altijd wel een dronken malloot die het sociëteitslied aanhief, met als gevolg dat je op moest staan en mee moest zingen. Toen ik eens suède schoenen aanhad bij de lunch werd ik eruit gezet met het commentaar: ‘Homo’s zijn hier niet welkom.’ Over de meisjes van de UVSV werd gesproken in termen die ik hier niet zal gebruiken. Misogynie hoorde bepaald tot de goede toon.

Ondanks al deze bezwaren heb ik ook goede herinneringen aan het USC. Ik heb in een fatsoenlijk corpshuis gewoond, waar de andere bewoners geïnteresseerd waren in politiek en cultuur, en waar veel werd gelezen. Bovendien ben ik redacteur van de Almanak en van de Vox Studiosorum geweest. Dat was aangenaam en leerzaam werk.

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde artikelen

Als dienstplichtige leerde je niets

‘Ik heb niks te zoeken in de nationale polonaise’

‘Ik lach alleen om geestigheden als het werkelijk geestigheden zijn’

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.