De eurocrisis: een nodeloze crisis

De eurocrisis: een nodeloze crisis

DOOR MAARTEN VAN ROSSEM

donderdag 14 februari 2019
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Toen de kredietcrisis uitbrak, trad de Amerikaanse overheid snel en effectief op. Maar de landen in de eurozone treuzelden. Ze konden het niet eens worden over een gezamenlijke aanpak, waardoor de crisis onnodig lang duurde. Wat was er aan de hand?


Uit Maarten! 2019-1

Op 15 september 2008 ging Lehman Brothers failliet, een van de grootste investeringsbanken van de VS. Er was nog geprobeerd de bank van de ondergang te redden, maar de federale overheid had geweigerd financiële assistentie te verlenen. Die weigering bleek een blunder van formaat. De volgende dag blokkeerden de financiële markten en ook het interbancaire leenverkeer kwam tot stilstand.

Er viel geen krediet meer te krijgen, en daarmee dreigde het hele financieel-economische systeem ineen te storten. Daarbij ging het niet alleen om het Amerikaanse financieel-economische systeem. Europa werd evenzeer bedreigd. In feite ging het om het hele Noord-Atlantische economische systeem. Dat tal van Europese politici zich aanvankelijk kritisch uitlieten over de gebeurtenissen in de VS kwam doordat zij totaal onkundig waren van de aard en de problemen van dat financieel-economische systeem. Hoe kon het failliet van Lehman Brothers tot een mogelijke catastrofe leiden?

De directe aanleiding was de ineenstorting van het indrukwekkende financiële kaartenhuis dat Wall Street had gebouwd met behulp van creatieve beleggingsinstrumenten, de zogenoemde derivaten, en de koortsachtige en geheel onverantwoordelijke hypotheekverstrekking in de overspannen Amerikaanse onroerendgoedmarkt.

Dat kaartenhuis dankte uiteindelijk zijn bestaan aan de triomf van het neoconservatisme of neoliberalisme als economische beleidsideologie. Het neoconservatisme vond dat de rol van de overheid zo beperkt mogelijk moest zijn en dat de economie zo vrij mogelijk moest functioneren. Dan kon de markt, die vraag en aanbod op een betere manier bij elkaar bracht dan de overheid, zijn gang gaan. Dat betekende dat regulerende wetgeving zo veel mogelijk moest worden afgeschaft.
 
In de jaren zeventig en tachtig ontstonden nieuwe beleggingsinstrumenten, die eigenlijk alleen mogelijk waren door het gebruik van krachtige computers voor de administratie. Bijvoorbeeld de Collateralized Debt Obligations (CDO’s), die bestonden uit honderden gebundelde hypotheken (of schuldpapier van andere aard), die als belegging verkocht konden worden. Met die CDO’s waren weer van allerlei kunstjes mogelijk; ze konden bijvoorbeeld worden opgeknipt in verschillende bundels hypotheken met verschillende risico’s. Die tranches betaalden dan weer verschillende rentepercentages.

Noodsignalen

Een paar jaar later werd de Credit Default Swap (CDS) ontwikkeld: een soort verzekering van het risico dat de rente op die gebundelde hypotheken niet meer betaald kan worden. Ook die CDS’s konden weer profijtelijk verhandeld worden. Deskundigen zagen gevaren in al deze derivaten - papieren die hun waarde ontlenen aan een onderliggende waarde - en drongen aan op regelgeving.

Maar in de jaren negentig gebeurde juist het omgekeerde. Bestaande regelgeving werd opgedoekt en de derivaten konden volgens de invloedrijke voorzitter van het Federal Reserve System (FED), Alan Greenspan, helemaal geen kwaad. Dat was in zoverre waar dat CDO’s en CDS’’s niet schadelijk waren zolang de onderliggende waardepapieren betrouwbaar waren.

Maar vanaf 2000 werden er in de Amerikaanse onroerendgoedmarkt steeds meer slechte zogeheten subprime hypotheken verkocht. Dat waren hypotheken die direct in de problemen zouden raken als de rente hoger werd of de stijging van de huizenprijzen ophield. Omdat al die vaak slordig geadministreerde subprime hypotheken onmiddellijk na afsluiting werden doorverkocht, ontstond een enorme hoeveelheid nogal duister waardepapier waarvan de waarde op z’n minst twijfelachtig was, ook al kregen vrijwel al die CDO’s een totaal onverantwoordelijke AAA credit rating van de ratingbureaus.

Tussen 2004 en 2006 werd voor 1700 miljard dollar aan subprime hypotheken verkocht. Diverse banken die in deze markt actief waren lieten de meest risicovolle tranches op hun eigen balans staan. Vanaf 2006 was het afgelopen met de stijging van de huizenprijzen. In 2007 waren er al diverse noodsignalen. Kleine hypotheekverstrekkers gingen failliet of werden overgenomen, en liquiditeit begon langzaam op te drogen. In 2008 werd de toestand ernstiger, en het failliet van Lehman Brothers was de lont in het kruitvat. Omdat niemand wist hoe het zat met al die duistere CDO’s, was niemand meer bereid krediet te verstrekken. De noodtoestand van de Credit Default Swaps was nog ernstiger.

Geklungel

Wat moest er nu in godsnaam gebeuren? De neoconservatieve ideologie lag aan scherven. De fantastische, altijd perfect werkende markt had gefaald! De bancaire wereld had de risico’s volstrekt verkeerd ingeschat. Nu was het aan de gesmade overheid, die eeuwige rem op het wonder van het expansieve kapitalisme, om het systeem van de ondergang te redden.
Adam Tooze publiceerde er onlangs een boek over: Crashed. How a Decade of Financial Crises Changed the World. De originaliteit van Tooze schuilt in zijn grotendeels lovende beschrijving van het effectieve optreden in deze noodsituatie van het Amerikaanse ministerie van Financiën en het Federal Reserve System onder voorzitterschap van Ben Bernanke, de opvolger van Greenspan. Hij contrasteert dat met het jarenlange, nauwelijks gecoördineerde geklungel in de eurozone.

Bernanke veranderde de FED de facto tijdelijk in de financiële markt van het hele Noord-Atlantische financieel-economische systeem. Via diverse wegen werden enorme hoeveelheden liquiditeit, voornamelijk bestaande uit kortlopend krediet, in het systeem gepompt. Dat krediet werd voor meer dan de helft verstrekt aan buitenlandse, voornamelijk Europese banken, die op grote schaal hadden geparticipeerd in de Amerikaanse hypotheekmarkt.

In totaal verschafte de Amerikaanse overheid voor 7000 miljard dollar aan financiële steun en kredieten. Aan diverse centrale banken gaf de FED vergunning om onbeperkt dollars te verschaffen, in de eigen nationale markt. Aan deze immense steunoperatie werd geen ruchtbaarheid gegeven. Van democratische legitimatie was geen sprake. Het is ook maar de vraag of het Amerikaanse Congres toestemming zou hebben gegeven. Wel werd de operatie afgestemd met de inkomende regering van Barack Obama. Overigens zijn alle kredieten terugbetaald en heeft de FED op de hele onderneming nog zo’n 4 miljard dollar verdiend.

Het effectieve optreden van de Amerikaanse overheid betekende een versterking van de centrale positie van de VS in het internationale financiële systeem en een ferme onderstreping van de betekenis van de dollar als de enige werkelijk mondiale valuta. De VS demonstreerden dat zij, weliswaar op financieel gebied, de one indispensable nation zijn.

Protestpartij

Het is maar goed dat de Amerikanen ook ruimhartige hulp boden aan de grote Europese banken, want de respons van de eurozone was traag en ongecoördineerd. Elke euronatie moest haar eigen boontjes doppen, en het was maar de vraag of de kleine naties daartoe in staat waren. Dat kwam natuurlijk doordat de euro een onvoltooid bouwwerk was. Het ontbrak de eurozone immers aan een centrale autoriteit als de FED of een slagvaardig ministerie van Financiën, aangezien de Europese Centrale Bank (ECB) niet als zodanig mocht functioneren en ook een gezamenlijk financieel-economisch beleid ontbrak.

Aan het begin van de crisis stelde de Nederlandse overheid, die het omvangrijke Fortis moest redden, voor dat alle betrokken naties een fonds zouden vormen ten bedrage van 3 procent van het eigen bbp ten behoeve van noodmaatregelen voor de banken. Ook de Fransen leek dat een goed idee. Was dat gebeurd, dan had een dergelijke maatregel waarschijnlijk enorm veel toekomstig leed kunnen voorkomen.

Het voorstel werd echter onmiddellijk afgeschoten door Duitsland, dat elk gemeenschappelijk optreden categorisch weigerde. Dat stellige Duitse principe was tussen 2010 en 2012 ook de belangrijkste oorzaak van de lange duur van de eurocrisis. Terwijl Bernanke zorgde voor noodliquiditeit, was het aan de Amerikaanse minister van Financiën, Henry Paulson, om de banken bij te staan. Hij vroeg daarom carte blanche aan het Congres om een steunfonds van 700 miljard dollar te vormen, het Troubled Asset Relief Program (TARP).

Een groot deel van de Democraten in het Huis van Afgevaardigden wilde daarmee wel instemmen. De Republikeinen spraken echter smalend van ‘socialisme’ en het voorstel werd tot ieders schrik afgestemd. Dat leidde tot de meest spectaculaire koersval op Wall Street ooit. Vandaar dat het enigszins aangepaste voorstel begin oktober alsnog werd aangenomen.
Opmerkelijk in deze politieke crisis is natuurlijk dat de Republikeinen niet wilden meewerken aan de reddingsoperatie die een Republikeinse regering had opgezet. Dat bleef ook de houding van de Republikeinen. Op geen enkel moment in de volgende jaren hebben de Republikeinen zich opgesteld als een verantwoordelijke regeringspartij. Zij waren een protestpartij die het louter zocht in politieke sabotage en chantage.

Onverantwoordelijk

Je vraagt je ook onwillekeurig af hoe Donald Trump zou reageren als zich op dit moment een dergelijke calamiteit zou voordoen. Niet alleen het financiële systeem lag op apegapen, ook de reële economie vertoonde wereldwijd een scherpe terugval. De export van landen als China en Duitsland nam met meer dan 30 procent af. Ook in de VS kromp de economie in hoog tempo en nam de werkloosheid angstwekkend snel toe. Om de economie te stimuleren kwam de regering van Barack Obama direct bij de start met een vrij omvangrijk economisch stimuleringsprogramma ter waarde van ruim 700 miljard dollar.

Niet verbazingwekkend schilderden de Republikeinen dit programma af als totaal onverantwoordelijke spilzucht. Geen enkele Republikein heeft er dan ook voor gestemd. Achteraf is overtuigend vastgesteld dat dit stimuleringsgeld uiterst positieve effecten heeft gehad. Het was nog veel heilzamer geweest als er tweemaal zoveel was gespendeerd, maar dat leek toen politiek niet haalbaar. Treurig was het dat de financiële instellingen en de elite die verantwoordelijk was voor de kredietcrisis uit de brand waren geholpen, maar dat de belastingbetalers die uiteindelijk de hele zaak zouden moeten betalen in de kou bleven staan. Meer dan 9 miljoen Amerikaanse families verloren in de hypotheekcrisis hun woning.

Europaniek

In de loop van het jaar 2009, terwijl het ergste van de financiële crisis evident voorbij was, deed zich onder beleidsmakers, zowel in de VS als internationaal, een zonderlinge, steeds sterker wordende, zeer besmettelijke obsessie voor. Ze waren kennelijk geschrokken van de enorme bedragen die sinds september 2008 overal door overheden waren uitgegeven. Was dat allemaal verantwoord? Wie ging dat betalen? De schulden van overheden moesten betaalbaar blijven.

Fiscale discipline was plotseling het parool van de dag. Zuinigheid en niets dan zuinigheid was het nieuwe wachtwoord. Daartoe besloot de G20 tijdens een vergadering in Toronto in juni 2010. Het was een wonderlijke tournure; de diepe crisis was nog lang niet overwonnen en het beginnende herstel werd nu plots stilgezet. Zodoende was het herstel nodeloos traag en bleven miljoenen mensen al even nodeloos nog jaren werkloos.  Naderhand schreef Paul Krugman, de economisch columnist van The New York Times: ‘It all went wrong in 2010.’

Het herstel verliep traag en miljoenen mensen bleven nog jaren werkloos

Nu overheidsschuld plotseling het belangrijkste probleem scheen geworden, kwam de eurozone in het centrum van de belangstelling te staan. Daar waren diverse landen door de kredietcrisis in grote moeilijkheden gekomen. In de eerste plaats Griekenland, maar in iets mindere mate ook Ierland, Portugal en zelfs Spanje. Op de achtergrond hing altijd de enorme schaduw van de Italiaanse staatsschuld - de vloek van de eurozone. Griekenland bleek plotseling een veel groter tekort op de overheidsbegroting te hebben dan eerst gedacht.

Het zat al met grote schulden uit het verleden. Weliswaar stelde de Griekse economie niets voor, maar een Grieks faillissement kon in de eurozone een kettingreactie veroorzaken en was dus niet aan de orde. Overigens moet hier meteen duidelijk gemaakt worden dat ook die zogeheten crisis van de overheidsschulden in feite evengoed een bankencrisis was. Het waren voornamelijk grote banken uit het noordelijke deel van de eurozone die reusachtige bedragen hadden geleend aan Griekenland en andere zwakke broeders.
 

Hoe moest een Griekse deconfiture worden vermeden? Als de eurozone onmiddellijk had gekozen voor een gezamenlijke aanpak, waarbij de ECB op grote schaal staatsobligaties zou kopen, in het bijzonder van de zwakke landen, zoals ten slotte in 2012 wel mogelijk bleek, was er waarschijnlijk helemaal geen eurocrisis geweest. Maar daar voelde de Duitse regering bij monde van Angela Merkel niets voor: tot geen enkele prijs een gezamenlijke aanpak. De Duitse kiezers wensten geen cent te spenderen aan Griekenland of andere eurolanden. Duitsland had al 1000 miljard euro besteed aan de voormalige DDR; het was mooi geweest. Griekenland moest zich maar zien te redden met leningen die werden verschaft via de zogenoemde Troika, een samenwerkingsverband van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), Brussel en de ECB.

Griekenland was dan wel gedwongen tot satanische bezuinigingen. Die leningen aan Griekenland bleken aanhoudend net te weinig. Zo begonnen ruim twee jaar van europaniek. Die leidde tot een tragikomische routine waarbij de regeringsleiders om de haverklap in Brussel vergaderden over de vraag hoe de euro gered moest worden. Dat Frankrijk en Duitsland tot elke prijs de euro wilden redden was duidelijk, maar Duitsland bleef een gezamenlijke aanpak weigeren.

Verdachte figuur

Zodoende werden in Brussel steeds heel kleine stapjes gezet, die dan al snel weer een lichtelijk panische nieuwe bijeenkomst noodzakelijk maakten. Dat al die kleine stapjes toch niet zonder betekenis waren, en dat Merkel ten slotte toch een significante concessie deed, bleek in 2012. In die twee jaar werden twee leenfaciliteiten opgetuigd, die samen zouden moeten gaan in een definitief European Stability Mechanism; er werden plannen gemaakt voor een Bank Unie en er werden stringente fiscale afspraken gemaakt. Dat leidde ertoe dat de directeur van de ECB, Mario Draghi, in juli 2012 nog vrij onverwacht verklaarde: ‘The ECB is ready to do whatever it takes to save the euro. Believe me, it will be enough.’

Dat betekende een omvangrijk opkoopbeleid. Hij deed dat niet zonder Merkels toestemming, maar zijn verklaring leidde in Duitsland toch tot woedende reacties en hij bleef in de Duitse media een verdachte figuur. Voor Merkel was dit het minste van alle kwaden. Met Draghi’s verklaring was de eurocrisis voorbij, al waren zeker niet alle europroblemen
opgelost. 
 
 Wat kunnen we concluderen als we de hele kredietcrisis inclusief de eurocrisis in wat ruimer perspectief bezien? De Amerikaanse overheid zorgde voor een uiterst snelle en effectieve aanpak en versterkte zo de positie van de dollar. De aanpak van de eurocrisis was traag en knullig. Gezien de uiteindelijke afloop was de eurocrisis in feite overbodig, al zou je ook kunnen zeggen dat Merkel tijd nodig had om het onvermijdelijke te accepteren.

Sommigen zeggen dat Merkel expres twee jaar heeft getreuzeld om de andere Europese landen te dwingen tot een ‘Duitser’ financieel beleid. De tragiek van de hele crisis is ongetwijfeld, al is wellicht het woord ‘schande’ meer op zijn plaats, dat de schuldigen zijn geholpen en onbeschadigd zijn weggekomen, terwijl de gewone Amerikaanse en euroburgers de rekening hebben moeten betalen, deels in de vorm van schandelijke bezuinigingen.

De banken hebben in de volgende jaren getoond dat ze niets hebben geleerd en gespeend zijn van elke vorm van fatsoen. De financiële crisis heeft het populisme zeker niet veroorzaakt, maar ongetwijfeld wel versterkt. De EU is tijdens de crisis een wankele constructie gebleken. Maar dat de VS daarentegen een krachtige, effectieve indruk hebben gemaakt, is schijn. In de jaren na de kredietcrisis is de volstrekte disfunctionaliteit van het Amerikaanse politieke systeem, waarvan de huidige president slechts een symptoom is, steeds duidelijker geworden.

Ten slotte een klemmende vraag: hoelang blijven onze beleidselites nog werken met het neoconservatieve programma? Hoelang moeten we nog horen dat de overheid kleiner moet? Hoelang nog moet de markt op tal van terreinen de ellende blijven vergroten? Zo langzamerhand is toch genoegzaam duidelijk dat een totaal andere beleidsconsensus dringend geboden is!

Uit Maarten! 2019-1

Meer horen van Maarten van Rossem over politiek? Maarten van Rossem neemt in aanloop naar de verkiezingen de politiek van de Verenigde Staten onder de loep. In drie avonden blikt hij terug op belangrijke veranderingen in het politieke systeem, eerdere presidenten en de erfenis van Trump. Ook richt hij zijn pijlen op de toekomst: wat beslist de Amerikaanse kiezer op 3 november 2020? Bestel hier uw tickets.
donderdag 14 februari 2019

Gerelateerde artikelen

'De Engelse en Amerikaanse democratie zijn ingrijpend uit de rails gelopen'

dinsdag 12 februari 2019

Nu of nooit

donderdag 7 december 2017

Crisismanager Merkel

woensdag 6 december 2017

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.