Terug naar de verzorgingsstaat

Na veertig jaar marktdenken zijn de publieke voorzieningen verschraald, is de bureaucratie toegenomen en zijn veel maatschappelijke problemen alleen maar verergerd. Kunnen we niet beter terugkeren naar die goeie, ouwe verzorgingsstaat?

Door: Alies Pegtel
Uit: Maarten! 3-2020. Bestel het nieuwe nummer hier.

Wie goed oplet, heeft het misschien al gemerkt: de verzorgingsstaat als ideaal beleeft een voorzichtige revival. Nadat dit systeem decennialang was verketterd, nam Lodewijk Asscher het er onlangs publiekelijk voor op. Dat deed hij nadat oudpremier Willem Drees was geschrapt uit de Canon van Nederland om plaats te maken voor KVP-minister Marga Klompé. ‘Grondlegger verzorgingsstaat moet je niet schrappen. Bron van trots in NL geschiedenis: bestaanszekerheid voor iedereen,’ tweette de PvdA-leider. En dat deed hij natuurlijk niet zomaar. Want, zoals zijn partijgenoot Felix Rottenberg het noemt, politici zijn ‘de butlers van de tijdgeest’.

In 2013 werd de verzorgingsstaat door koningWillem-Alexander in de troonrede nog zo goed als doodverklaard. Dat deed hij namens een VVD-PvdA-regering, waarin ook Asscher zitting had, en die had bedacht de verzorgingsstaat te vervangen door een participatiesamenleving. ‘Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger,’ zo sprak de koning. ‘Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.’

Volgens politicoloog Menno Hurenkamp reageerden velen aanvankelijk positief op het nieuwe begrip ‘participatiesamenleving’, omdat die gepaard zou gaan met decentralisatie van veel overheidstaken. Oké, er moest bezuinigd worden op de sociale voorzieningen, maar was het tegelijk geen zinnig idee dat mensen meer naar elkaar zouden omkijken? En dat er een groter beroep werd gedaan op zelfredzaamheid? ‘Het enthousiasme duurde maar even,’ zegt Hurenkamp. ‘Het bleek natuurlijk ook veel te ingewikkeld om met minder middelen meer mensen op lokaal niveau te helpen. Rutte zei amper een jaar later in de Tweede Kamer dat de participatiesamenleving “nooit een doel op zich was”. Daaruit kun je opmaken dat de participatiesamenleving was mislukt, voordat-ie goed en wel was begonnen.’

Zegeningen zichtbaar
Inmiddels is er weer een nieuwe kentering gaande. Na veertig jaar marktdenken, deregulering, flexibilisering en privatisering is het neoliberalisme op z’n retour. Er klinkt vaker een roep om een sterk overheidsoptreden. De coronacrisis heeft de kwestie urgentie gegeven. Het virus heeft laten zien dat mensen ook hier met grote onzekerheden leven en kwetsbaar zijn. Maar dankzij krachtig regeringsingrijpen hoefden Nederlanders niet, zoals de Italianen, supermarkten te bestormen omdat ze geen eten konden kopen. Een breed hulppakket verlichtte voor duizenden flexwerkers, zzp’ers en werkgevers de grootste nood.

En zo werden tijdens de coronacrisis de zegeningen van een sterke overheid zichtbaar. Dit viel NRC-columnist Marieke Stellinga ook op. ‘De afgelopen maanden heeft het crisisbeleid laten zien dat de overheid er wel degelijk kan zijn voor bedrijven en burgers,’ schreef ze. ‘Maar waarschijnlijk krijgt kansrijk nu meer hulp dan kansarm. Dat corrigeren is de grote opdracht.’

De verzorgingsstaat is veranderd in een managementstaat

 

Kapitaal herverdelen om de ongelijkheid te bestrijden: dat een NRC-auteur een van de klassieke pijlers van de sociaal-democratie afstofte zal Asscher het gevoel geven dat hij goed ‘bij de tijd is’ met zijn herwaardering van de verzorgingsstaat. In een essay op de PvdA-website verklaart hij het systeem van veertig jaar marktdenken ‘technisch en moreel failliet’. ‘Ongelijkheid is hardnekkig, maar het goede nieuws is dat we weten welke ingrediënten er in het vaccin moeten. Kansengelijkheid, herverdeling en een verzorgingsstaat die van en voor iedereen is,’ concludeert de PvdA-voorman.

Het is nog niet eens zo lang geleden dat Asschers partijgenoten over elkaar heen buitelden om de verzorgingsstaat bij het grofvuil te zetten. Jacques Wallage, van 1994 tot 1998 fractievoorzitter in de Tweede Kamer, verklaarde destijds: ‘Alles wat de staat aanraakt verdort.’ En een man als Rick van der Ploeg stelde dat de markt per definitie efficiënter opereert zonder ‘verstorend’ overheidsingrijpen, zoals huurbescherming en bindende cao’s. Dit valt te lezen in het recent verschenen Dat hadden we nooit moeten doen, waarin auteurs Duco Hellema en Margriet van Lith met PvdA-kopstukken van toen terugblikken op de jaren negentig.

Het was de tijd waarin oud-vakbondsman Wim Kok ‘de ideologische veren’ afschudde. Onder zijn leiding transformeerde de PvdA van  leitbezorger van de verzorgingsstaat tot een gelovige in het marktdenken, dat nu weer door Asscher in de ban is gedaan. Hoe is het zo gekomen dat de sociaal-democraten gingen pleite voor vrijemarktmaatregelen die strijdig lijken met de eigen traditionele beginselen.

De participatiesamenleving was mislukt voor hij goed en wel was begonnen

Breed gedragen ideaal
De verzorgingsstaat die na de Tweede Wereldoorlog werd ingericht, was bedoeld om het kapitaal van de industrialisatie eerlijker over de gehele bevolking te verdelen. Dat leidde in alle westerse landen die voor dit systeem kozen tot welvaart. De basisgedachte is dat de overheid burgers scholing biedt, aan het werk helpt, gezond houdt en voor niet-werkenden sociale vangnetten inricht. De moderne welfare state die de Brit William Beveridge in 1942 ontwierp, en waarnaar ook de Nederlandse verzorgingsstaat werd gemodelleerd, was er niet om losers te helpen die afvielen tijdens de economische ratrace. De welfare state was bedoeld om iedere burger bestaanszekerheid te bieden. Die vergrootte de persoonlijke vrijheid van miljoenen burgers, zonder dat hun een collectieve ideologie werd opgelegd.

‘Verzorgingsstaat’ is geen letterlijke vertaling van welfare state en volgens politicoloog Hurenkamp sprak Willem Drees ook liever van een ‘waarborgstaat’ of ‘garantiestaat’. ‘We interpreteren dat tegenwoordig als waarschuwing tegen te grote overheidsuitgaven,’ zegt Hurenkamp. ‘Maar de AOW, de bijstandswet en de WW waren niet bedoeld om mensen rijk te maken of de overheid groot en machtig, maar om mensen waardigheid te bieden – om ze te verlossen van de noodzaak hun hand op te houden bij familie of kerk.’

Hoewel onlosmakelijk gekoppeld aan PvdA-premier Drees, was de verzorgingsstaat geen geesteskind van links, maar een partijoverstijgend ideaal. Zo kwamen veel van de volksverzekeringen er op initiatief van de confessionelen. De verzorgingsstaat werd politiek breed gedragen, tot het in de jaren zeventig economische minder ging. Toen de werkloosheid na de oliecrisis opliep, polariseerden de standpunten. Links bleef in de kracht van de staat geloven, maar rechts bekritiseerde de uitdijende overheidskosten en propageerde een meer ‘bedrijfsmatige’ efficiënte manier van werken voor overheidsinstellingen.

Onder bewind van de no-nonsense kabinetten van CDA’er Ruud Lubbers maakte in de jaren tachtig het zogenoemde new public management z’n entree. De overtuiging dat grote en dure overheidsbureaucratieën in bedwang kunnen worden gehouden door invoering van audits, numerieke targets en stringente  ostencontroles is tot op de dag van vandaag de heersende praktijk. Er werd overgegaan tot privatisering van overheidsinstellingen, om te beginnen met de
telecommunicatie.

Ook onder PvdA’ers werd het uiteindelijk doodnormaal om te vertrouwen op de heilzame werking van commerciële managementtechnieken en om met duurbetaalde bestuurders overheids-en semi-overheidsdiensten draaiende te houden, waaronder woningcorporaties, ziekenhuizen en onderwijsinstellingen. Sociaal ondernemer Hilary Cottam betoogt in Radical Help dat de verzorgingsstaat hierdoor is veranderd in een managementstaat.

Geloofsartikel
Hoewel de partij er internationaal gezien vroeg bij was, maakte de PvdA de ommezwaai naar het pragmatische marktdenken niet in een vacuüm. In veel westerse landen stonden de sociaal-democraten in de jaren tachtig buitenspel, en mede vanuit de wens om weer aan de macht te komen veranderden ze van koers. Tony Blairs New Labour en Bill Clinton propageerden de Derde Weg, een soort ‘verlicht’ neoliberalisme dat individuele verantwoordelijkheid voorstond en privatisering van overheidsdiensten niet uit de weg ging. Na jaren in de oppositiebanken wilde ook Koks PvdA zich bewijzen als een betrouwbare coalitiegenoot die niet bang was om de hand op de knip te houden. Kok werd in 1989 minister van Financiën in het kabinet-Lubbers-III en ging de WAO-crisis te lijf. Tot woede van veel PvdA-stemmers en de vakbonden legde hij de arbeidsongeschiktheidswet aan banden.

Daarna werd Kok twee keer premier van een paars kabinet met VVD en D66, dat een neoliberaal beleid voerde. Progressieve belastingen, arbeidsbescherming en sociale voorzieningen – de drie pijlers waarop de verzorgingsstaat steunt – werden geleidelijk en gedeeltelijk losgelaten. Het financieringstekort liep terug en de werkgelegenheid steeg; in zoverre was het paarse beleid succesvol. Dat de onzekerheid onder veel werknemers toenam werd vergoelijkt als ‘emancipatie van het individu’.

Volgens Hellema en Van Lith heeft de PvdA zich niet willoos en passief laten meesleuren in de neoliberale golf. Vooral tijdens Paars II werd het hele complex van flexibilisering en liberalisering een ‘geloofsartikel’ voor de partij. Er waren wel sociaal-democraten die zich verzetten, maar hun stem werd bewust gesmoord.  Rottenberg hervormde de partijorganisatie ten gunste van de partijtop. Voor intern debat over de neoliberale koers was geen plaats.

Topzware bureaucratie
Ondertussen zaten de kiezers niet te wachten op bezuinigingen op sociale voorzieningen. Het pakket aan regelingen en voorzieningen was in de loop der jaren meegegroeid met de economie. Bijvoorbeeld huursubsidie voor de minima, maar ook een OV-kaart voor studenten. Na een recessie volgden onvermijdelijk bezuinigingen, waarbij belangenbehartigers zich stevig roerden als aan hun ‘verworven’ recht werd getornd. Kamerleden toonden zich soms gevoelig voor de bezwaren en maakten telkens uitzonderingen op algemene bezuinigingsvoorstellen. Dit resulteerde in ‘halfof onbegrepen regelingen die worden uitgevoerd door een topzware bureaucratie, die de weg niet meer wijst of hoogstens van het kastje naar de muur’, aldus hoogleraar sociologie Kees Schuyt.

De besparingen voltrekken zich volgens politicoloog Hurenkamp al decennialang vanuit de veronderstelling dat de balans tussen rechten en plichten van burgers uit evenwicht is geraakt. ‘Mensen zouden zich te weinig aan hun plichten gelegen laten liggen. Als de overheid maar wat minder hulp opdringt, nemen burgers zelf hun
verantwoordelijkheid wel, is de gedachte.’

Kortom, als de staat te veel voor mensen zorgt worden ze lui, en dat staat haaks op de gedroomde ‘hardwerkende’ Nederlander van Rutte. Mede vanuit die gedachte zijn overheidsinstellingen zich meer en meer gaan toeleggen op indamming van het aantal mensen die van de voorzieningen gebruikmaken. Daardoor is het managen van de verzorgingsstaat een arbeidsintensief en kostenverslindend proces geworden.

Er waren veel sociaal-democraten die zich verzetten, maar hun stem werd gesmoord

In haar analyse van de Britse welfare state schrijft Hilary Cottam dat minstens de helft van de beschikbare publieke gelden besteed wordt aan de instandhouding van het systeem, zonder dat er één burger praktisch mee is geholpen. Ze haalt het voorbeeld aan van een alleenstaande werkloze moeder met schulden, die is verzeild in burenruzies en een zwangere tienerdochter en een zoon met agressie-uitbarstingen heeft. Maar liefst 73 verschillende professionals bemoeien zich met hen, wat jaarlijks 250.000 euro kost. Het gezin leeft van crisis naar crisis, die de hulpverleners proberen te ‘managen’. Vergelijkbare probleemgezinnen zijn er ook in Nederland.

Evenals Cottam in Groot-Brittannië maakt hoogleraar Schuyt zich zorgen over de inrichting van de verzorgingsstaat. In zijn Van Doornlezing uit 2013 bekritiseert ook hij de logge geautomatiseerde administratieve overheidsinstellingen waarvan de medewerkers de burgers voor wie ze werken vaak niet meer ontmoeten, laat staan kennen. De sociale verbanden en bijbehorende sociale controle die de verzorgingsstaat oorspronkelijk bijeenhielden zijn weg. Schuyt: ‘De jaloersmakende salarissen van veel bestuurders van woningcorporaties, die volledig zijn afgesneden van hun achterban, wijzen op de weggevallen sociale controle.’ Dat wekt geen vertrouwen

Verouderd bouwwerk
Als Asscher de verzorgingsstaat serieus in ere wil herstellen, doet hij er goed aan Schuyts kritiek te bestuderen. En hij moet Radical Help van Cottam erbij pakken. Want de topzware bureaucratie als gevolg van de vele bezuinigingsrondes en reorganisaties is niet het enige probleem, vertelde ze vorig jaar op het World Economic Forum in Davos. Fundamenteler is dat de verzorgingsstaat niet is ontworpen om de complexe eenentwintigste-eeuwse problemen het hoofd te bieden.

Het bouwwerk stamt uit een voorbij tijdperk waarin een mannelijke kostwinner een leven lang dezelfde baan had, een huisvrouw voor de kinderen zorgde en waarin je na je pensionering hoogstens een paar jaar leefde. Vergrijzing, eenzaamheid, migratie en tweeverdienershuishoudens stellen de samenleving voor heel andere problemen dan in de wederopbouwjaren van na de Tweede Wereldoorlog. En dat vraagt een andere benadering. Cottam pleit ervoor om hulp en zorg op maat te bieden, op veel kleinere schaal.

De verzorgingsstaat blijft hoe dan ook nodig. Voorlopig is het even genoeg geweest met de bezuinigingen, waardoor onder andere de psychiatrie, ouderenzorg en sociale werkplaatsen op een onverantwoorde manier zijn uitgekleed en gereorganiseerd. Maar een grondige update van het systeem zou geen kwaad kunnen om de verzorgingsstaat ook in de toekomst naar behoren te laten functioneren. •

 

Uit: Maarten! 3-2020. Bestel het nieuwe nummer hier.

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.