Verlost van maandag wasdag

DOOR ROB HARTMANS

Tot ver in de twintigste eeuw was kleding en textiel wassen een urenlang karwei van intensief schrobben en wringen. De wasmachine verlichtte het zware werk, en de vaste schrobdag. Maar tijdwinst hebben we niet geboekt, en onze huizen zijn er de afgelopen jaren ook niet schoner op geworden.

Uit Maarten! 2014-3

‘De kamer stond vol warme wasem, zodat de ruiten nat beslagen waren. En gestadig klonk het nijdige roets-roets, waarmee moeder het goed over het wasbord stompte […] Ik zie nog mijn moeder staan: ze heeft het zo benauwd dat ze haar jak van boven heeft losgemaakt, en natte pieken langs haar oren […] En ze grijpt telkens in de zeeppot, en smeert een stuk wasgoed aan […] Moeder leek waarlijk een furie, zoals ze haar woedende roets-roets onderbrak voor een uitkaffering van onze ontaardheid, om niet eens op de kleine kinderen te willen passen terwijl we toch wisten dat zij d’r wastobbe had.’ In zijn jeugdherinneringen In de ochtend van het leven beschrijft Theo Thijssen, zoon van een schoenmaker in de Amsterdamse Jordaan, hoe rond 1890 voor de meeste vrouwen ‘maandag wasdag’ eruitzag.

Molen

Vermoedelijk had moeder Thijssen de avond ervoor de was al gesorteerd en in de week gezet, en begon ze er maandagochtend vroeg mee op het fornuis grote hoeveelheden water aan de kook te brengen. Herhaaldelijk de wastobbe vullen, kleding en linnengoed op het wasbord boenen, het witte goed ‘blauwen’, de was uitspoelen en uitwringen – dit alles was zwaar werk, waarbij rug en handen veel te verduren hadden. Bovendien kon er niet getreuzeld worden, want de was moest snel naar buiten om te drogen – op het platteland op het bleekveldje en in de stad meestal aan de lijn. Aan het eind van de dag moest de was weer binnen zijn gehaald, anders zou die ’s nachts klam worden.
    
Het zal niet verbazen dat al vroeg werd nagegaan of dit arbeidsintensieve proces vergemakkelijkt kon worden. In het begin van de zeventiende eeuw doken afbeeldingen op van molens waarin grote hoeveelheden textiel gewassen konden worden. In de loop van de achttiende eeuw verschijnen er beschrijvingen van ‘wasmachines’, zoals het 36 bladzijden tellende, in Regensburg verschenen pamflet van Jacob Schäffer, Die bequeme und höchstvortheilhafte Waschmaschine (De geriefelijke en zeer profijtelijke wasmachine) uit 1766. En er was de Engelse ‘Yorkshire Maiden’. Dat apparaat bestond uit een kuip waarbinnen de was werd rondgedraaid door een van bovenaf aangedreven rad.

In 1766 verschijnt een eerste beschrijving van de ‘geriefelijke en zeer profijtelijke wasmachine’

In 1797 vroeg in de Verenigde Staten ene Nathaniel Briggs een patent aan voor een washing machine. Vermoedelijk betrof het hier een wasbord, aangezien de uitvinding daarvan in hetzelfde jaar plaatsvond. Maar doordat in 1836 het Amerikaanse patentbureau tot de grond toe afbrandde, weten we niet zeker hoe Briggs’ apparaat eruitzag of hoe het werkte. Het wasbord was in elk geval tot ver in de twintigste eeuw het meest gebruikte hulpmiddel om textiel te wassen.

Elektrische wasmachines

In de loop van de negentiende eeuw kwamen in veel steden wasinrichtingen die op stoomkracht draaiden, en waarvan een indrukwekkend voorbeeld nog steeds functioneert in het Zuiderzeemuseum. Bovendien werden na 1850 de eerste wasmachines voor huishoudelijk gebruik gemaakt, waarvan twee types in omloop kwamen. Het eerste was de zogenoemde wasschommel, waarin de vuile kleren in een halfronde, heen en weer bewegende bak langs een wasbord bewogen. De tweede variant was een kuip waarin een met de hand aangedreven schoep heen en weer slingerde, waardoor de was voortdurend in beweging bleef en er schuim werd geproduceerd. Het was dit laatste type dat verder evolueerde, en waarop al spoedig een wringer werd gemonteerd. De was kon toen rechtstreeks uit de machine uitgewrongen worden, zodat deze sneller droogde.

Omdat deze eerste wasmachines nog met handkracht werden aangedreven, werd het werk er niet echt minder zwaar op. Een voordeel was echter wel dat de huisvrouw of dienstbode niet langer de hele tijd met haar handen in het water hoefde te zitten, zodat er op veel hogere temperatuur kon worden gewassen. Hierdoor gingen sommige vlekken er beter uit en werden meer bacteriën gedood. Bovendien hadden vrouwenhanden van het ronddraaien van een slinger veel minder te lijden dan van het over een wasbord duwen van wasgoed. Maar het was wachten op een wasmachine die door een motor werd aangedreven. Kort na 1900 experimenteerden verschillende fabrikanten met elektrische wasmachines. Een van de eerste praktische exemplaren was de door Alva J. Fisher ontworpen Thor, die in 1908 op de markt kwam.

In Nederland begon de firma Velo in Barendrecht al in 1901 met de import van Amerikaanse wasmachines, aanvankelijk nog met de hand aangedreven exemplaren. Omdat deze over het algemeen toch niet erg praktisch bleken, nam het bedrijf al spoedig zelf de productie ter hand en kwam het met andere apparaten. De voormalige bedrijfsleider van fietsfabriek Gazelle, Haatje Kema, kwam met een constructie waarbij een waskruis in de kuip het water veel heviger bewoog, waardoor veel meer schuim ontstond.In 1928 bracht het bedrijf de eerste elektrische wasmachine op de markt.

Rijke families lieten de was liever door hun dienstboden dan door een machine doen

Het was een vooruitgang, maar ook met deze machine bleef de was een zeer bewerkelijke klus. De machine moest handmatig worden gevuld met heet water, of met koud water dat door een elektrische dompelaar werd opgewarmd, en achteraf moest het water ook weer worden afgevoerd. Bovendien moest de was daarna nog goed worden gespoeld en drooggewrongen.
 
Het wasbord bleef in de meeste huishoudens dan ook gewoon in gebruik, vooral ook omdat de machines voor de meeste gezinnen onbetaalbaar waren. En rijkere families die wel zo’n apparaat konden betalen, lieten de was toch al door de meid doen, of door een wasinrichting. Zij voelden weinig noodzaak om het werk te verlichten. Om deze categorie potentiële klanten toch over de streep te trekken, bracht fabrikant Velo het argument van de hygiëne in stelling– en onderwerp waarvoor steeds meer belangstelling kwam: ‘Bedenkt eens hoe gemakkelijk er besmetting ontstaat bij het dooreenmengen van lijfgoed uit verschillende gezinnen. Spreekt daar eens over met uwen dokter.’

Modern wasmiddel

Vanaf 1935 begon Velo goede zaken te doen. Het bedrijf had 108 winkels door het hele land, waar regelmatig wasdemonstraties werden gegeven. Maar het duurde tot na de Tweede Wereldoorlog voor in Nederland de elektrische wasmachine echt doorbrak. In 1947 beschikte zo’n 14 procent van de huishoudens over een dergelijk apparaat, en in 1955 liep dat op tot 20 procent. Daarna ging het heel hard. In 1957 draaide op maandag al in 31 procent van de huizen de wasmachine, vijf jaar later was dit aandeel gestegen tot meer dan de helft, en in 1964 kon maar liefst 83 procent van de huisvrouwen zich de gelukkige bezitster van zo’n technisch wonder noemen. Ook het aantal elektrische centrifuges, die het zware wringen overbodig maakten, steeg snel.

Deze explosieve groei had te maken met de sterk stijgende welvaart, maar ook met technologische ontwikkelingen. De wasmachines werden steeds geavanceerder: sommige types konden al worden aangesloten op de waterleiding en verwarmden zelf het water. In de jaren vijftig bestonden de wasmachines uit de Verenigde Staten uit verticaal of horizontaal gemonteerde trommels die snel ronddraaiden. En eenmaal voorzien van een timer, waardoor het apparaat zelfstandig een reeks elkaar opvolgende behandelingen kon afwerken, was de moderne ‘wasautomaat’ ontstaan. Die vereenvoudigde het wasproces enorm: de huisvrouw hoefde de was er slechts in te stoppen, het programma in te stellen, en na afloop de was op te hangen. Ondertussen kon ze iets anders gaan doen!

Deze revolutionaire ontwikkeling was alleen mogelijk door de opkomst van het moderne wasmiddel. In de tijd van de wastobbe en het wasbord hadden huisvrouwen zachte of harde zeep gebruikt. Het laatste soort, waarvan het merk Sunlight het bekendst werd, moest eerst worden geschaafd, waarna de kleine stukken zeep door een klopper in het waswater werden opgelost. Maar in de jaren vijftig werden synthetische waspoeders populair. Merken als Omo en Persil beloofden bergen schuim als men gewoon wat van dat poeder in de machine deed en die liet draaien. Moeizaam geschaaf en geklop behoorde tot het verleden en de overdadig schuimende kuip met wasgoed wekte de indruk van overstelpende frisheid. Tussen 1952 en 1954 verdubbelde de omzet van synthetische wasmiddelen wereldwijd.

Ophangen en strijken

Intussen was echter duidelijk geworden dat de hoeveelheid schuim weinig zei over de waskracht. Daarom kwamen fabrikanten al snel met laagschuimende waspoeders, die bovendien werden verrijkt met enzymen die allerlei vlekken eenvoudig hielpen verwijderen. Het ene middel zou zijn werk nog beter doen dan het andere, beloofden fabrikanten als Unilever, die continu op zoek bleven naar nieuwe, steeds betere wasmiddelen. Die moesten aan de mand worden gebracht, zodat er nóg een nieuw fenomeen bestond: de wasmiddelenreclame, die qua ergerlijke onbenulligheid op den duur slechts overtroffen zou worden door de commercials voor maandverband.

Opmerkelijk genoeg lijkt er een relatie te bestaan tussen die twee soorten reclame: in die voor maandverband is de moderne vrouw de hele maand door aan het sporten, werken en dansen. En dat heeft alles te maken met de verlossing uit het oude regime van het huishouden. Vroeger kostte het minimaal een hele dag per week om de was te doen – nog los van het opvouwen en strijken, dat vaak een groot deel van de dinsdag in beslag nam. Maar tegenwoordig kan men wanneer het maar het uitkomt een was in de machine stoppen, en deze desnoods ’s nachts tegen gereduceerd tarief zijn werk laten doen. ‘Maandag wasdag’ bestaat alleen nog als uitdrukking, net als ‘woensdag gehaktdag’.
 
Betekent dit nu dat we per week minder tijd kwijt zijn aan de reiniging van kleding en linnengoed? Onderzoek van het Sociaal-Cultureel Planbureau uit 2002 laat enkele verrassingen zien. Ten eerste is op wasgebied de emancipatie nog niet echt doorgedrongen – mannen besteden gemiddeld slechts een halfuur per week aan de was en vrouwen een dikke zesenhalf. Ten tweede is het totaalaantal uren dat aan het gehele proces van textielreiniging wordt besteed sinds 1955 niet gedaald. Op het eerste gezicht lijkt dit vreemd. Het huishouden kost toch, door de komst van huishoudelijke apparaten, veel minder tijd dan vroeger? De stofzuiger heeft een eind gemaakt aan moeizaam vegen en kloppen, in veel keukens wordt de magnetron intensief gebruikt om kant-en-klaarmaaltijden op te warmen, en dankzij de koelkast hoeven we veel minder vaak boodschappen te doen, wat we met behulp van de auto ook meteen grootschaliger kunnen doen. Terwijl in 1955 de meeste Nederlandse vrouwen nog fulltime huisvrouw waren, kunnen velen tegenwoordig door al deze besparende maatregelen ook buitenshuis werken.

De normen over ons huishouden zijn sterk naar beneden bijgesteld

Hoe kan het dan dat vrouwen nog steeds al die uren bezig zijn met de was en dat deze klus nauwelijks minder tijd kost dan in 1955? Het antwoord is simpel: het waswerk mag dan veel minder arbeidsintensief zijn, maar er bestaat geen apparaat dat de was ook ophangt (want lang niet iedereen gebruikt een droger) en strijkt. En dat terwijl we de afgelopen zestig jaar steeds meer zijn gaan wassen. Trokken veel Nederlanders in 1955 slechts eenmaal per week schoon ondergoed aan, tegenwoordig vinden we het bijzonder onfris om een onderbroek langer dan één dag aan te houden. En ook de overige kleding gaat veel sneller in de was, omdat die nu veel minder werk oplevert. Maar al die broeken en shirts moeten wel drogen, en worden in veel huishoudens ook nog gestreken. Dat vergt geen vaste was- en strijkdag meer, maar tussen de bedrijven door slokt de zorg voor kleding, handdoeken en beddengoed bij de gemiddelde vrouw nog bijna een hele werkdag op.

Daarnaast zijn we, ondanks al die extra wasbeurten, sinds de jaren vijftig niet per se hygiënischer geworden. We trekken vaker andere kleding aan en wassen ons lichaam frequenter – de wekelijkse sessie in de teil of het openbaar badhuis is vervangen door de dagelijkse douche. En het kan niet anders of anno 2014 stinkt het in een volle tram of bus minder dan in de jaren vijftig.

Maar anders dan de normen over ons lichaam en onze kleding, zijn die over ons huishouden sterk naar beneden bijgesteld. Er wordt heel wat minder gestoft, gezogen, gedweild en gepoetst dan in de tijd waarin de meeste vrouwen nog fulltime huisvrouw waren. Nog in de jaren zestig maakten veel huisvrouwen elke vrijdag de hele keuken schoon, sopten ze de kastjes uit en boenden ze ook de pannen die ze sinds de week ervoor niet hadden gebruikt, totdat ze weer blonken. Zijn er nog huishoudens waar dit gebeurt? En wie doet er nog aan de ‘grote schoonmaak’, waarbij één of zelfs twee keer per jaar alles van zijn plaats gaat om overal te kunnen zuigen en soppen? Het duurt waarschijnlijk tot de komst van de eerste betaalbare huishoudrobot, voordat ook op dit punt de hygiënenormen weer sterk omhooggaan. Maar laten we hopen dat we ons dan niet weer laten verleiden om vooral meer van hetzelfde te gaan doen – en dat de volgende innovatie ook echt tijdwinst gaat opleveren.
 
Uit Maarten! 2014-3
 

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.