Was Jezus een mythe?

Door Ed Croonenberg | Beeld: Het laatste avondmaal van Jezus met zijn discipelen. Schilderij door Dieric Bouts, circa 1464.

Zelfs niet-christenen nemen aan dat Jezus werkelijk op aarde heeft rondgelopen. Maar de Bijbel bevat geen biografische informatie over hem. Daarom rijst de vraag of hij wel echt heeft bestaan. De discussie daarover laait in de Verenigde Staten weer op.

Uit Maarten! 2022-3. Bestel losse nummers hier 

Op 13 december 1881 betrad Abraham Dirk Loman het spreekgestoelte van de Vrije Gemeente in Amsterdam – tegenwoordig de poptempel Paradiso. Een gemengd publiek van theologen en geïnteresseerde leken zat klaar om te luisteren naar Lomans lezing, die was aangekondigd onder de titel ‘Het oudste christendom’. Het duurde niet lang voordat er rumoer uitbrak in de zaal. Op grond van onderzoek aan het Nieuwe Testament, met nadruk op de brieven van Paulus, had Loman geconcludeerd dat Jezus Christus (‘De Gezalfde’) nooit op aarde, laat staan over het Meer van Galilea, had gewandeld. Jezus Christus was geen historische figuur, maar een mythe. Loman was geen eenzame roepende in de woestijn. Hij maakte deel uit van een groep theologen die bekend zou worden als de Hollandse Radicale School. Onder anderen Allard Pierson, Willem Christiaan van Manen en Gustaaf Adolf van den Bergh van Eysinga maakten eveneens deel uit van de club.

In de negentiende eeuw was Neder[1]land nog een door-en-door christelijk land – zij het scherp verdeeld. Naast de breuklijn tussen calvinisme en de kerk van Rome bestond er nog een andere kloof, namelijk die tussen intellectuele bijbelkritiek en het volksgeloof. Voor lokale priesters en christelijke leken was de boodschap dat hun verlosser een verzinsel zou zijn onverteerbaar; de bevindingen van de radicalen werden het graf in gezwegen. Niettemin trokken ze aandacht in het buitenland.

In zijn Geschichte der paulinischen Forschung prees Albert Schweitzer de Hollandse radicalen om hun kritische geest, die in zijn ogen in de reguliere theologie nogal ontbrak. En nog in 1996 publiceerde de Duitse geestelijke Hermann Detering een paper over de kritische Hollandse theologen, gevolgd door een uitgebreid artikel in het Amerikaanse tijdschrift de Journal of Higher Criticism, getiteld ‘The Falsified Paul’.

Helaas overleed Detering op vrij jonge leeftijd in 2018 – het zou de moeite zijn geweest met hem over de Hollandse radicalen van gedachten te wisselen.

Dat er in het geseculariseerde Nederland geen belangstelling bestaat voor de opmerkelijke geschiedenis rond deze theologen, valt te begrijpen. Anders ligt dat in de Verenigde Staten, waar het christendom nog altijd zo invloedrijk is dat niet uit te sluiten valt dat het land zal afglijden tot een theocratie. Op internet is de discussie over de historische Jezus hoog opgelaaid. De sterren van deze discussie zijn Robert Eisenman, Robert M. Price (hoofdredacteur van de Journal of Higher Criticism), Bart D. Ehrman en Richard Carrier – allen Amerikanen.

Brieven van Paulus

Anderhalve eeuw na de radicalen draait de discussie nog steeds grotendeels om de brieven van de apostel Paulus. Het Nieuwe Testament telt er veertien. Er bestaat onder bijbeldeskundigen grote overeenstemming dat zeven ervan authentiek zijn. Dat wil zeggen dat er sterke aanwijzingen bestaan dat ze door dezelfde persoon geschreven zijn.

Paulus is de meest invloedrijke figuur van het vroegste christendom. Aanvankelijk behoorde hij tot een extremistische Joodse groep die christelijke Joden over de kling joeg. Later bekeerde hij zich. Er bestaat consensus dat hij Jezus nooit in levenden lijve heeft ontmoet, maar alleen in een visioen. Paulus zegt dit ook met zoveel woorden in zijn eerste brief aan de christenen van Korinthe:

Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, dat Hij is begraven, dat Hij op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, en dat Hij is verschenen aan Kefas (Petrus) en vervolgens aan de twaalf. Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. Vervolgens is Hij aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen. Pas op het laatst verscheen Hij ook aan mij, misgeboorte die ik was. Want ik ben de minste van de apostelen, ik ben de naam apostel niet waard omdat ik Gods gemeente heb vervolgd. Maar door zijn genade ben ik nu wat ik ben.

De verrijzenis van Jezus. Zestiende-eeuws schilderij door Christoph Schwarz.

Het Nieuwe Testament opent met de vier evangeliën en de Handelingen. Daarna volgen pas de brieven. Deze lijken aldus een toelichting te zijn op het belangrijkste verhaal, namelijk de dood en verrijzenis van Jezus en het werk van de apostelen. In werkelijkheid zijn de zeven authentieke brieven van Paulus de oudste teksten van het Nieuwe Testament. Ze vormen geen toelichting op de evangeliën en Handelingen, maar behoren juist tot de bronnen ervan.

Dat maakt de brieven erg interessant. Neem de bovenstaande passage. Waarom schrijft Paulus herhaaldelijk ‘zoals in de Schriften staat’? Volgens sommige radicalen, en tegenwoordig vooral Richard Carrier, wijst dit erop dat de vroegste christenen de marteldood en verrijzenis van Jezus destilleerden uit de oude Joodse geschriften die uiteindelijk het Oude Testament zouden vormen. ‘Zoals in de Schriften staat’ kan niet duiden op de evangeliën, want die bestonden immers nog niet.

Als Jezus had bestaan, zou Paulus toch van alles over hem willen weten?

In de Oudheid leefde het idee dat de hemel uit verschillende lagen bestond, die bewoond werden door goden, demonen, engelen en andere wezens. In een van die hemelen (de oorspronkelijke Griekse tekst van het Onze Vader gebruikt dit meervoud ook) zou God zijn zoon hebben geofferd en weer tot leven hebben gewekt. Door allerlei passages in de oude Joodse geschriften zorgvuldig te lezen, kon dit relaas aan het licht worden gebracht. Eenmaal ontdekt, begon Jezus aan de vroegste christenen te verschijnen, aldus onder anderen de Amerikaan Carrier. Volgens deze theorie heeft Jezus dus nooit op aarde rondgelopen (noch over het Meer van Galilea gewandeld).

De apostel Paulus. Schilderij door Rembrandt, circa 1657.

Dit verklaart meteen waarom de zeven brieven volstrekt geen biografische gegevens over Jezus bevatten. Als Jezus in levenden lijve had bestaan, dan zou Paulus van de andere apostelen toch van alles over deze bijzondere figuur willen weten? En dan zouden bepaalde biografische feiten toch door de brieven worden weerspiegeld? Maar niets van dit alles. Meer dan hierboven is er niet. De Jezus van Paulus verricht geen enkel wonder. Over zijn familie, beroep en uiterlijk: geen woord. Ook is deze Jezus opmerkelijk zwijgzaam; Paulus citeert hem maar één keer:

Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf. In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam Hij een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om Mij te gedenken.’ Zo nam Hij na de maaltijd ook de beker, en Hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond, dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieruit drinken, om Mij te gedenken.

Paulus verwijst hier opnieuw niet naar de evangeliën, maar draagt juist een verhaalelement aan. En hij rept met geen woord over andere aanwezigen, of over hoe Jezus de sfeer bederft door te zeggen dat er een verrader in het gezelschap aanwezig is. Deze verhaalelementen duiken pas decennia later op in het Evangelie volgens Marcus.

Curieus is daarbij dat Paulus dit citaat zegt te hebben ‘ontvangen’. Dat impliceert dat hij het niet gewoon van Kefas (Petrus) of Jakobus heeft gehoord, maar dat Jezus zelf het hem tijdens een visioen of droom heeft ingefluisterd. Dit is opnieuw een aanwijzing dat Paulus het niet heeft over een aardse Jezus.

Vervalsing

Ook buiten de Bijbel is een historische Jezus opmerkelijk afwezig. De eeuw waarin Jezus zou hebben geleefd is echter ongebruikelijk goed gedocumenteerd. Dit is met name te danken aan de geschiedschrijver Flavius Josephus. Zijn twee belangrijkste werken, De Joodse oorlog en De oude geschiedenis van de Joden, beschrijven in detail de gebeurtenissen die uiteindelijk zouden leiden tot de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70. Er komen in deze boeken allerlei figuren die we ook in de evangeliën en Handelingen terugvinden uitgebreid aan de orde, onder wie Johannes de Doper. Maar aan Jezus maakt hij nauwelijks een woord vuil. Waarom?

Jezus en Johannes de Doper. Schilderij door José Ferraz de Almeida Júnior, 1895.

Volgens Bart Ehrman, de conservatiefste van de moderne radicalen, komt dat waarschijnlijk doordat Jezus veel obscuurder was dan christenen denken. Toch lijken vroege christenen zich zorgen te hebben gemaakt over de geringe rol van hun held in Josephus. Dit blijkt uit een even beknopte als curieuze passage in De oude geschiedenis:

In die tijd leefde Jezus, een wijs man, voor zover het geoorloofd is hem een man te noemen. Hij verrichtte namelijk daden die onmogelijk geacht werden, en hij was leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. En veel Joden alsook velen van de Grieken bracht hij tot zich. Hij was de Christus. Ook nadat Pilatus hem op aanwijzing van de eerste mannen bij ons de straf van het kruis had opgelegd, gaven zij die het eerst in liefde waren gaan leven niet op. Hij was namelijk aan hen verschenen op de derde dag, opnieuw levend. De goddelijke profeten hadden die dingen en ontelbare andere wonderlijke dingen over hem gezegd. Tot op de dag van heden is de naar hem genoemde groep van de christenen niet verdwenen.

Deze passage staat bekend als het ‘Testimonium Flavianum’. Josephus was geen christen, dat is zeker. Wel is zeker dat Josephus een schijnbaar zo invloedrijke figuur nooit zo bondig en vaag zou hebben behandeld. Ook vormt het fragment een rare kink in de kabel: haal het Testimonium weg, en de tekst verloopt veel vloeiender. Bijna iedereen denkt daarom dat de passage een vervalsing is. Als dader wordt wel Eusebius van Caesarea genoemd, de huistheoloog van de eerste christelijke keizer Constantijn de Grote en een beruchte leugenaar. Hoe dan ook, zonder het Testimonium blijft er in Josephus slechts een flintertje bewijs over voor het vleselijke bestaan van Jezus Christus.

‘Jezus is te schimmig om onsympathiek te zijn’

Want in hetzelfde boek komt deze passage voor: ‘de broer van Jezus, die Christus werd genoemd, wiens naam Jakobus was.’ Dat is een opmerkelijke parallel met Paulus, die in zijn brief aan de Galaten eveneens melding maakt van een ‘Jakobus, broeder van de Heer’.

Volgens Richard Carrier, de radicaalste radicaal, bedoelt Paulus met ‘broeder van de Heer’ dat Jakobus een gewone gelovige was, in tegenstelling tot de veel belangrijkere apostel Kefas, die ook in deze passage genoemd wordt. Paulus spreekt zijn medechristenen immers de hele tijd aan als broeders en zusters. In Josephus komen verschillende figuren met de naam Jezus voor. De woorden ‘die Christus werd genoemd’ kunnen daarom zijn toegevoegd door een monnik die de tekst kopieerde. We dienen voortdurend te beseffen dat vrijwel alle teksten uit de Oudheid ons zijn overgeleverd via een kerkelijk filter.

Het zal geen verbazing wekken dat evangelische christenen in Amerika deze argumenten niet zozeer verwerpen als wel volledig negeren. Invloedrijke religieuze YouTube-kanalen, zoals Southern Seminary, houden vol dat de bewijzen voor een historische Jezus overweldigend zijn, zonder daar verder op in te gaan. Evangelisten zijn zeer fel in de verdediging van het creationisme – het idee dat het scheppingsverhaal letterlijk moet worden genomen. Ze voelen echter terecht aan dat de historiciteit van Jezus veel gemakkelijker te verdedigen valt, aangezien zelfs de meeste seculiere historici daar nog altijd standaard van uitgaan.

Jezus in de timmermanswerkplaats van zijn ouders. Schilderij door John Everett Millais, circa 1850

Toch begrijpen veel evangelisten dat het bewijs dat hun held ooit geleefd heeft mager is. Daarom richten ze hun pijlen, slim genoeg, op theorieën dat het Jezus-personage gebaseerd zou zijn op pre-christelijke (half-) goden als Horus, Dionysus, Sol Invictus en Mithras. Deze ideeën zijn inderdaad populair onder degenen die de historiciteit van Jezus in twijfel trekken, maar hun argumenten zijn notoir speculatief. Ja, het thema van verrijzenis uit de dood komt in dergelijke cultussen veel voor. En allerlei christelijke symbolen en motieven wortelen eveneens in heidense tijden.

Fictief personage

Maar zoals de evangelische christenen terecht betogen, vormt dit alles geen bewijs dat Jezus nooit bestaan heeft. Het bewijst alleen dat het christendom ontstaan is binnen de Grieks-Romeinse cultuur. Wel te bewijzen is dat het traditionele kerkelijke beeld dat we van Jezus hebben op verzinsels berust. Dat is namelijk geheel gebaseerd op de vier evangeliën in het Nieuwe Testament. Hier treffen we een Jezus aan die meteen na zijn doop uit de hemel hoort galmen: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in Jou vind Ik vreugde.’ Zo staat het althans in het Evangelie volgens Marcus, de oudste van de vier evangeliën. De rest van het verhaal is bekend. Hij wekt doden tot leven. Hij vermenigvuldigt vissen. Hij wordt gekruisigd, waarna zijn dode lichaam op mysterieuze wijze verdwijnt. Wanneer drie vrouwen de tombe binnengaan met de bedoeling Jezus te balsemen, treffen ze slechts een ‘in het wit geklede jongeman’ aan die zegt dat Jezus in Galilea weer aan zijn aanhang zal verschijnen.

Wie het Evangelie volgens Marcus geschreven heeft, is onbekend. Sommigen vermoeden dat Ignatius van Antiochië de hand heeft gehad in de schepping van het Jezus-personage zoals we dat kennen. Het motief: eenvoudige mensen tot Christus verlokken met verhalen over wonderen

De evangeliën zijn Hellenistische fabels voor vergriekste Joden

Na Marcus verschenen andere, meer complete evangeliën, waarin voor het eerst wordt beschreven dat Jezus gebaard werd door een maagd. Uit vroegchristelijke geschriften over ketterse bewegingen blijkt echter dat lang niet alle christenen in deze nieuwe Jezus-van-vlees-en-bloed geloofden. Zij plaatsten zijn leven, lijden en opstanding in de hemelen. Theologen denken dat deze zogenoemde ‘gnostische’ stromingen een doorontwikkeling vormden van het ‘oorspronkelijke’ Jezus-verhaal, maar volgens de radicalen verliep het juist andersom. De reden dat de ‘aardse’ versie van Jezus uiteindelijk zegevierde is simpel: vanaf 380 was het in het hele Romeinse Rijk streng verplicht dit te geloven.

Los van de vraag of er ooit een pacifistische rabbi is gekruisigd, zoals de Amerikaan Robert Eisenman denkt, is de Jezus van de evangeliën een fictief personage dat losjes gebaseerd is op de brieven van Paulus, de boeken van Josephus en mogelijk andere bronnen. De aanwijzingen daarvoor zijn talrijk. De evangeliën zijn hellenistische fabels, bestemd voor een publiek van vergriekste Joden in het Romeinse Rijk. De Jezus van Paulus is er geëvolueerd tot een man met eigenschappen. Toch wordt hij nooit helemaal mens. In zijn bundel De schrift betwist schrijft Maarten ’t Hart:

Hij lacht nooit, hij zingt nooit, hij fluit nooit, hij heeft geen belangstelling voor het andere geslacht, je hoort nooit iets over belangstelling voor lekker eten. Niets menselijks lijkt hem eigen. In het nawoord bij de vertaling van de vier evangeliën zegt Mario Molegraaf over het wenen van Jezus aan het graf van Lazarus: ‘Wij vinden dit het sympathieke moment van een verder onsympathieke persoonlijkheid.’ Maar Jezus is te schimmig om zelfs maar onsympathiek te kunnen zijn.

En toch groeide deze Jezus uit tot de beroemdste persoon in de geschiedenis. Dat de vier evangeliën elkaar tegenspreken, deert gelovigen niet. Traditionele theologen voeren als verdediging aan dat het Jezus-verhaal minstens veertig jaar lang mondeling werd overgeleverd voordat iemand het opschreef. Maar in de eerste eeuw was de geletterdheid dermate groot dat mensen al tijdens Jezus’ prediking aantekeningen zouden hebben gemaakt. En als diens aanhang vooral uit ongeletterde vissers had bestaan dan was het christendom nooit doorgebroken. Want hoe zou een ongeletterde visser die geen Grieks spreekt indruk kunnen maken op ontwikkelde Joden in bijvoorbeeld Alexandrië? Kennelijk worstelde de schrijver van Handelingen ook met dit probleem. Een wonder bracht uitkomst: ‘Allen werden vervuld van de Heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen.’ Abraham Dirk Loman dacht er ongetwijfeld het zijne over. Of om Maarten ’t Hart te citeren: ‘Het allergrootste wonder is dat er nog steeds christenen rondlopen die dit soort totaal absurde verhalen geloven.’

De bijbelcitaten zijn afkomstig uit de NBV21 van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap. De Josephus-citaten komen uit Tegen de Grieken, een vertaling van F. Meijer en M.A. Wes. De citaten van Maarten ’t Hart komen uit diens bundel De schrift betwist.

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde artikelen

Stille nacht, heilige nacht

Kunst met Sis: Een breiende Maria met vier pennen

Maarten van Rossem en Andries Knevel over God

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.