‘Naast Trump is Nixon een kleine krabbelaar’
Gepubliceerd op:
Door Frans Verhagen
Wie bewaakt de Amerikaanse rechtsstaat als een president Justitie voor zijn karretje spant? Tijdens Watergate-affaire weigerde de top van het ministerie president Richard Nixon te gehoorzamen. Onder het presidentschap van Donald Trump blijft van die onafhankelijkheid steeds minder over. ‘Trump eist simpelweg dat het ministerie zijn vijanden vervolgt en zaken tegen bevriende wetsovertreders laat vallen.’
Bestel losse nummers van Maarten! of word abonnee
Openingsbeeld Richard Nixon tijdens een televisietoespraak over Watergate, 29 april 1974.
In het Amerikaanse politieke systeem heeft het ministerie van Justitie een dubbele rol: het is de hoeder van de Amerikaanse rechtsstaat én het vertegenwoordigt de regering. Tussen die twee is er altijd een zekere spanning, maar niet onder president Donald Trump. Hij heeft duidelijkheid verschaft: de minister van Justitie is zijn persoonlijke jurist, zijn loopjongen, zijn belangenbehartiger. Sinds 10 augustus 2026 wordt die functie vervuld door Todd Blanche, de Republikeinse jurist die Trump verdedigde in de zwijggeldzaak rond Stormy Daniels.
Blanche weet waar hij aan begint. Zijn voorgangster Pam Bondi, vaak afgeschilderd als een brown noser vanwege haar gekruip voor de president, kon ondanks haar hondentrouw vertrekken wegens onvoldoende agressie. Blanches benoeming liep nog bijna vast op het zogenoemde slush fund: een fonds van 1,8 miljard dollar voor mensen die beweerden slachtoffer te zijn van politiek gemotiveerde vervolging door de overheid. Blanche had zich sterk gemaakt voor dat fonds. Republikeinse senatoren geloofden dat daarmee de hele kwestie voorgoed van de baan was. Blijkbaar kun je hen alles wijsmaken.

Todd Blanche tijdens een persconferentie in het Witte Huis, 27 juni 2025. Hij was op dat moment plaatsvervangend minister van Justitie.
Vriendjes op Justitie
President Trump is niet de eerste die een minister van Justitie wenst die hem ter wille is. John F. Kennedy benoemde zijn broer Robert F. Kennedy op die post. Dat had voordelen bij confrontaties met zuidelijke gouverneurs over segregatie en schendingen van de burgerrechten: Robert sprak namens de president en kon gemakkelijk contact onderhouden met Martin Luther King en de burgerrechtenbeweging. Het weerhield hem er overigens niet van King te laten afluisteren door de FBI.
Richard Nixon benoemde zijn vriend en huisjurist John Mitchell tot minister van Justitie en vroeg FBI-directeur J. Edgar Hoover af te zien van een achtergrondsonderzoek. Mitchell eindigde in de gevangenis vanwege zijn rol in het Watergateschandaal. In 1972 werd hij opgevolgd door Richard Kleindienst en in mei 1973 trad de onbesmette Elliot Richardson aan. Die werd op zijn beurt beroemd door de Saturday Night Massacre, een historische confrontatie tussen de uitvoerende macht en het ministerie van Justitie als handhaver van de rechtsstaat.

Demonstranten bij het Capitool eisen de afzetting van president Nixon, 22 oktober 1973.
Nixon eiste dat zijn minister de speciale aanklager in het Watergate-onderzoek, Archibald Cox, zou ontslaan nadat die de bandopnames had opgeëist die tot Nixons ondergang zouden leiden. Richardson weigerde, net als zijn onderminister William Ruckelshaus. Uiteindelijk was de derde man, Robert Bork, bereid Cox te ontslaan. Ook Bork wilde daarna opstappen, maar op verzoek van Richardson en Ruckelshaus bleef hij aan om het ministerie te beschermen tegen verdere aanvallen van de uitvoerende macht.
De les van Watergate
Misschien is het goed hier nog even te memoreren dat vicepresident JD Vance onlangs opperde dat Watergate nauwelijks een rimpeltje zou veroorzaken. Het probleem: hij heeft gelijk.
Nixon ging uiteindelijk toch ten onder aan Watergate en sindsdien was het de norm dat het ministerie van Justitie op enige afstand van de president moest staan. Daar werd al aan gemorreld onder president Ronald Reagan, die zijn Californische vriend William French Smith benoemde tot Attorney General. In zijn tweede termijn zette Reagan Edwin Meese, zijn trouwe adviseur in het Witte Huis, op deze post. Meese was minister toen het Iran-Contraschandaal aan het licht kwam, maar ontsnapte aan vervolging voor zijn rol – net als George H.W. Bush.
Zijn zoon George W. Bush benoemde in zijn ongelukkige tweede termijn Alberto Gonzales, die tijdens de eerste termijn zijn raadsman was geweest. Gonzales hield het niet lang vol. Onder zware druk vanuit het Congres nam hij ontslag. Er lijkt sprake van een patroon: Democratische presidenten wisten sinds Kennedy doorgaans meer afstand tot het ministerie van Justitie te bewaren.
Trumps loopjongens
Trump heeft overal lak aan. Hij meent dat de regering-Biden hem onterecht vervolgde en het recht als wapen inzette, en ziet er geen been in om nu wraak te nemen door zelf Jan en alleman die hem niet aanstaan te vervolgen. En inmiddels heeft Trump het ministerie zodanig naar zijn wensen gesmeed dat Nixon een kleine krabbelaar lijkt.
Nixon stuurde de belastingdienst nog op vermeende vijanden af; Trump eist simpelweg dat het ministerie zijn vijanden vervolgt en zaken tegen bevriende wetsovertreders laat vallen, dit laatste vaak na een bijdrage aan zijn campagnekas of aan zijn bouwwerken. Het ministerie doet als bevolen.
De schade is groot en zal moeilijk te repareren zijn. De afdeling burgerrechten is uitgekleed. Witteboordencriminaliteit wordt nauwelijks nog vervolgd. Duizenden juristen zijn ontslagen of vertrokken. Trump heeft zichzelf, zijn familie en de Trump Organization verregaand beschermd tegen belastingcontroles. Het fonds van 1,8 miljard dollar voor veronderstelde ‘slachtoffers’ van ‘government lawfare’ is formeel van tafel, maar de vraag is of het definitief verdwenen is. Het zou ook hebben opengestaan voor veroordeelde aanvallers van het Capitool aan wie Trump gratie verleende.
De FBI, onderdeel van het ministerie, wordt geleid door een incompetente zeloot met een hang naar luxe uitstapjes met zijn zingende vriendin. Beleidsmatig presenteert de pathetische Kash Patel zich als een trouwe marionet van de president, die diens opdrachten al uitvoert voordat ze gegeven zijn. Tientallen agenten die betrokken waren bij het onderzoek naar Trumps poging tot staatsgreep op 6 januari 2021 of anderszins naar de president en diens handlangers, zijn ontslagen. De activiteiten van het bureau zijn verlegd naar immigratie. Expertise gaat verloren.
Het ministerie heeft nu moeite vacatures te vullen. Veel juristen vertrekken naar beter betalende banen in de privésector nu een paar jaar op Justitie geen aanbeveling meer is voor hun carrière – integendeel. Openbare aanklagers, banen waarvoor je slimme mensen nodig hebt die bereid zijn te werken voor overheidslonen, zijn massaal vertrokken omdat ze soms onzinnige aanklachten moesten indienen. Veel van hen schaamden zich voor de zwakte van de zaken die ze moesten aanspannen. Justitie werft nu direct op de universiteiten en biedt zelfs aanstellingsbonussen.
Het vertrouwen in de rechtsstaat is geschaad. Rechters vragen meer en meer verklaringen en bewijsmateriaal om te kunnen vaststellen of de claims van de overheid wel waar zijn. Ze dreigen zelfs met sancties als de overheidsjuristen de zaak vertroebelen of niet meewerken. Dat biedt hoop, maar of het systeem overeind zal blijven onder het sloopwerk van Blanche en Trump, en mogelijk een opvolger als JD Vance, staat zeer te bezien.
