De dood leert ons leven

Gepubliceerd op:

Door Annegreet van Bergen

Sinds het overlijden van haar man denkt schrijfster Annegreet van Bergen vaker na over haar eigen sterfelijkheid. Hoe ga je om met het besef dat je tijd eindig is? Ze blikt terug op de manier waarop mensen vroeger stierven, de rol van de moderne geneeskunde en de les die ze zelf uit haar verlies trok: pluk de dag.

Bestel losse nummers van Maarten! of word abonnee

Vergankelijkheid? Mijn leven heeft de laatste paar jaar voor een groot deel in het teken gestaan van het meest onvergankelijke van alle vergankelijkheden. Namelijk het menselijk besef van sterfelijkheid. Dat komt, kort gezegd, doordat in 2022 mijn grote liefde, mijn dierbare man en ooit zo levenslustige echtgenoot is gestorven.

Pieter was oud en erg ziek. Daardoor kwam zijn sterven niet onverwacht.

Bovendien weet ik, als weldenkend mens, dat we allemaal ooit eens doodgaan. Of zoals Bert Keizer het recht voor z’n raap zei: ‘Niemand komt hier levend vandaan.’ Iets fijngevoeliger en geleerder staat die waarheid als een koe op de zoldering van het Anatomisch Theater in Leiden: Nascentes morimur. ‘Zodra we geboren worden, beginnen we te sterven’. Dat was zo. Dat is zo. En dat zal altijd zo zijn.

Het Anatomisch Theater werd in 1594 voltooid. De heelmeesters die daar toen opereerden wisten verdraaid weinig van het menselijk lichaam en de ziektes waardoor het kan worden belaagd. Ik geef twee voorbeelden: pas dertig jaar later, in 1628, ontdekte de Engelse arts William Harvey dat er een bloedsomloop bestaat met het hart als pompend middelpunt. Nog weer later, rond 1676, zag Anthonie van Leeuwenhoek voor het eerst bacteriën onder zijn microscoop.

Kennis van bloedsomloop en bacteriën zijn slechts twee van de talrijke elementen waarop de huidige medische kennis gebouwd is. Dokters kunnen tegenwoordig allerlei ziektes genezen die in de Middeleeuwen, en nog lang daarna, een doodvonnis betekenden. Denk aan kanker. Dat was en is een levensbedreigende ziekte die nog maar kort geleden fluisterend met K werd aangeduid, maar die tegenwoordig steeds vaker kan worden genezen.

Dat gaat meestal niet zonder slag of stoot. Chemokuren gaan dikwijls gepaard met akelige bijwerkingen. Soms is het dan de vraag: wat moet – en vooral wat wil – de patiënt aan kwaliteit inleveren om nog langer te kunnen leven? Is de te verwachten collataral damage niet erger dan de kwaal? De vraag ‘leven of dood’ wordt dan voor een belangrijk deel een medisch vraagstuk.

Zo’n rechtstreekse confrontatie met de dood laat je niet onberoerd

Met dit in het achterhoofd verbaast het mij dat sommige mensen vinden dat we wat sterven betreft een voorbeeld zouden kunnen nemen aan de manier waarop in de Middeleeuwen gestorven werd. In een interview met Trouw zegt de Engelse archeologe Sarah Terlow: ‘Hoe je goed sterft bespraken mensen in de Middeleeuwen destijds openlijk. Met familie, vrienden en religieuze leiders. Dokters waren niet zo aanwezig bij het gesprek. Het was geen medisch, maar een persoonlijk en religieus vraagstuk.’

Dat het geen medisch vraagstuk was, lijkt me logisch. Neem de oude heelmeesters in het Anatomisch Theater in Leiden. Zij waren door hun gebrekkige kennis slechts in beperkte mate in staat ziektes te genezen, de dood op afstand te houden of een stervensproces rustig en pijnloos te laten verlopen.

Volgens mij mogen wij met ons allen blij zijn dat sterven steeds meer een medisch vraagstuk is geworden. Al was het maar omdat velen van ons zonder tussenkomst van artsen en hun medische kennis hier vandaag niet zouden hebben gezeten.

Bovendien denk ik dan aan Pieter en de manier waarop hij heeft kunnen leven en hoe hij gestorven is. Al sinds zijn veertigste werd hij geplaagd door reuma. Later kreeg hij twee keer een TIA, prostaatkanker, een stenose. En dan ben ik nog lang niet volledig. Maar dankzij allerlei medisch ingrijpen bleef hij niettemin jarenlang vitaal en levenslustig. Pas de laatste paar jaar ging het mis. Bovenop zijn nauwelijks te behandelen reuma- en neuropatische pijnen kreeg hij ook nog eens hartfalen. Algehele slapte, benauwdheid en vooral pijn maakten op het eind zijn leven ondraaglijk zwaar. Toen is hij, in overleg met de dokter, bewust gestopt met een voor het hartfalen essentieel medicijn. Daarna bracht de dokter hem, kort gezegd, met morfine en dormicum in slaap en ruim een etmaal later is hij in alle rust overleden.

In de Middeleeuwen zou hij, als bijna tachtigjarige, van zijn levensdagen nooit zo’n mooie en rustige dood hebben kunnen sterven. Laat staan dat hij met al zijn ziektes ooit zo oud had kunnen worden.

Zo’n rechtstreekse confrontatie met de dood laat je niet onberoerd. Althans mij niet. Allereerst werd ik zowat omvergeblazen door verdriet. Maar daarnaast ben ik door de dood van mijn man mij meer dan ooit bewust van van mijn eigen sterfelijkheid.

Ik wil de mij resterende tijd goed besteden

Dat heeft ongetwijfeld ook te maken met mijn leeftijd. Ik ben inmiddels 72 en ik realiseer me dat ik niet eindeloos de tijd heb. Het is nu of nooit. Ik moet er nu iets van maken. De Franse dichter Jean Richepin (1849-1926) schijnt ooit gezegd te hebben: ‘Als ik onsterfelijk was, zou ik de dood uitvinden om plezier te kunnen hebben aan het leven.’ Zo voelt het voor mij ook. Onze letterlijke deadline zorgt voor pit, prikkels, peper in ons gat. Toen er nog zeeën van tijd voor me lagen, had ik er geen moeite mee om dagen te verprutsen. Nu is dat anders.

Ik wil de mij resterende tijd goed besteden. Mijn remedie is in zijn eenvoud verbluffend. Ik sta ’s ochtends niet meer op om iets van mijn leven te maken, maar om iets van mijn dag te maken. Ik probeer er telkens het beste van te maken, zodat ik ‘s avonds tevreden op die dag kan terugkijken. Ik leef als het ware in kleine hapjes. Dat maakt mijn leven overzichtelijk en welbesteed.

Zo ga ik, met het einde in zicht, in de geest van twee eeuwenoude lessen door de dagen. Memento mori en carpe diem. Gedenk te sterven en pluk de dag. Vooral dat ‘pluk de dag’ geeft mij iedere ochtend weer moed.

Kortom, dit is wat mijn confrontatie met de vergankelijkheid, of liever gezegd mijn besef van sterfelijkheid, met me doet.

Annegreet van Bergen is de nieuwe columnist van Maarten! en bekend van de boeken Gouden jaren en Over liefde, de dood en verder leven na verlies. Zij droeg deze gesproken column op 17 oktober voor tijdens het Geschiedenis Festival in Haarlem.

Openingsbeeld Vanitas stilleven, Maria van Oosterwijck, circa 1675. Het schilderij verwijst naar de vergankelijkheid van het leven. Collectie Rijksmuseum.

Sinds het overlijden van haar man denkt schrijfster Annegreet van Bergen vaker na over haar eigen sterfelijkheid. Hoe ga je om met het besef dat je tijd eindig is? Ze blikt terug op de manier waarop mensen vroeger stierven, de rol van de moderne geneeskunde en de les die ze zelf uit haar verlies trok: pluk de dag. Bestel losse nummers van Maarten! of word abonnee Vergankelijkheid? Mijn leven heeft de laatste paar jaar voor een groot deel in het teken gestaan van het meest onvergankelijke van alle vergankelijkheden. Namelijk het menselijk besef van sterfelijkheid. Dat komt, kort gezegd, doordat in 2022 mijn grote liefde, mijn dierbare man en ooit zo levenslustige echtgenoot is gestorven. Pieter was oud en erg ziek. Daardoor kwam zijn sterven niet onverwacht. Bovendien weet ik, als weldenkend mens, dat we allemaal ooit eens doodgaan. Of zoals Bert Keizer het recht voor z’n raap zei: ‘Niemand komt hier levend vandaan.’ Iets fijngevoeliger en geleerder staat die waarheid als een koe op de zoldering van het Anatomisch Theater in Leiden: Nascentes morimur. ‘Zodra we geboren worden, beginnen we te sterven’. Dat was zo. Dat is zo. En dat zal altijd zo zijn. Het Anatomisch Theater werd in 1594 voltooid. De heelmeesters die daar toen opereerden wisten verdraaid weinig van het menselijk lichaam en de ziektes waardoor het kan worden belaagd. Ik geef twee voorbeelden: pas dertig jaar later, in 1628, ontdekte de Engelse arts William Harvey dat er een bloedsomloop bestaat met het hart als pompend middelpunt. Nog weer later, rond 1676, zag Anthonie van Leeuwenhoek voor het eerst bacteriën onder zijn microscoop. Kennis van bloedsomloop en bacteriën zijn slechts twee van de talrijke elementen waarop de huidige medische kennis gebouwd is. Dokters kunnen tegenwoordig allerlei ziektes genezen die in de Middeleeuwen, en nog lang daarna, een doodvonnis betekenden. Denk aan kanker. Dat was en is een levensbedreigende ziekte die nog maar kort geleden fluisterend met K werd aangeduid, maar die tegenwoordig steeds vaker kan worden genezen. Dat gaat meestal niet zonder slag of stoot. Chemokuren gaan dikwijls gepaard met akelige bijwerkingen. Soms is het dan de vraag: wat moet – en vooral wat wil - de patiënt aan kwaliteit inleveren om nog langer te kunnen leven? Is de te verwachten collataral damage niet erger dan de kwaal? De vraag ‘leven of dood’ wordt dan voor een belangrijk deel een medisch vraagstuk.
Zo’n rechtstreekse confrontatie met de dood laat je niet onberoerd
Met dit in het achterhoofd verbaast het mij dat sommige mensen vinden dat we wat sterven betreft een voorbeeld zouden kunnen nemen aan de manier waarop in de Middeleeuwen gestorven werd. In een interview met Trouw zegt de Engelse archeologe Sarah Terlow: ‘Hoe je goed sterft bespraken mensen in de Middeleeuwen destijds openlijk. Met familie, vrienden en religieuze leiders. Dokters waren niet zo aanwezig bij het gesprek. Het was geen medisch, maar een persoonlijk en religieus vraagstuk.’ Dat het geen medisch vraagstuk was, lijkt me logisch. Neem de oude heelmeesters in het Anatomisch Theater in Leiden. Zij waren door hun gebrekkige kennis slechts in beperkte mate in staat ziektes te genezen, de dood op afstand te houden of een stervensproces rustig en pijnloos te laten verlopen. Volgens mij mogen wij met ons allen blij zijn dat sterven steeds meer een medisch vraagstuk is geworden. Al was het maar omdat velen van ons zonder tussenkomst van artsen en hun medische kennis hier vandaag niet zouden hebben gezeten. Bovendien denk ik dan aan Pieter en de manier waarop hij heeft kunnen leven en hoe hij gestorven is. Al sinds zijn veertigste werd hij geplaagd door reuma. Later kreeg hij twee keer een TIA, prostaatkanker, een stenose. En dan ben ik nog lang niet volledig. Maar dankzij allerlei medisch ingrijpen bleef hij niettemin jarenlang vitaal en levenslustig. Pas de laatste paar jaar ging het mis. Bovenop zijn nauwelijks te behandelen reuma- en neuropatische pijnen kreeg hij ook nog eens hartfalen. Algehele slapte, benauwdheid en vooral pijn maakten op het eind zijn leven ondraaglijk zwaar. Toen is hij, in overleg met de dokter, bewust gestopt met een voor het hartfalen essentieel medicijn. Daarna bracht de dokter hem, kort gezegd, met morfine en dormicum in slaap en ruim een etmaal later is hij in alle rust overleden. In de Middeleeuwen zou hij, als bijna tachtigjarige, van zijn levensdagen nooit zo’n mooie en rustige dood hebben kunnen sterven. Laat staan dat hij met al zijn ziektes ooit zo oud had kunnen worden. Zo’n rechtstreekse confrontatie met de dood laat je niet onberoerd. Althans mij niet. Allereerst werd ik zowat omvergeblazen door verdriet. Maar daarnaast ben ik door de dood van mijn man mij meer dan ooit bewust van van mijn eigen sterfelijkheid.
Ik wil de mij resterende tijd goed besteden
Dat heeft ongetwijfeld ook te maken met mijn leeftijd. Ik ben inmiddels 72 en ik realiseer me dat ik niet eindeloos de tijd heb. Het is nu of nooit. Ik moet er nu iets van maken. De Franse dichter Jean Richepin (1849-1926) schijnt ooit gezegd te hebben: ‘Als ik onsterfelijk was, zou ik de dood uitvinden om plezier te kunnen hebben aan het leven.’ Zo voelt het voor mij ook. Onze letterlijke deadline zorgt voor pit, prikkels, peper in ons gat. Toen er nog zeeën van tijd voor me lagen, had ik er geen moeite mee om dagen te verprutsen. Nu is dat anders. Ik wil de mij resterende tijd goed besteden. Mijn remedie is in zijn eenvoud verbluffend. Ik sta ’s ochtends niet meer op om iets van mijn leven te maken, maar om iets van mijn dag te maken. Ik probeer er telkens het beste van te maken, zodat ik ‘s avonds tevreden op die dag kan terugkijken. Ik leef als het ware in kleine hapjes. Dat maakt mijn leven overzichtelijk en welbesteed. Zo ga ik, met het einde in zicht, in de geest van twee eeuwenoude lessen door de dagen. Memento mori en carpe diem. Gedenk te sterven en pluk de dag. Vooral dat ‘pluk de dag’ geeft mij iedere ochtend weer moed. Kortom, dit is wat mijn confrontatie met de vergankelijkheid, of liever gezegd mijn besef van sterfelijkheid, met me doet.

Annegreet van Bergen is de nieuwe columnist van Maarten! en bekend van de boeken Gouden jaren en Over liefde, de dood en verder leven na verlies. Zij droeg deze gesproken column op 17 oktober voor tijdens het Geschiedenis Festival in Haarlem.

Openingsbeeld Vanitas stilleven, Maria van Oosterwijck, circa 1675. Het schilderij verwijst naar de vergankelijkheid van het leven. Collectie Rijksmuseum.

Welkom bij Maarten!

Maak eenmalig een gratis account aan en krijg toegang tot al onze artikelen. Lees gratis op onze site en ontvang elke twee weken nieuws, diepgravende artikelen, interviews, evenementen en acties van Maarten! in je mailbox.

InloggenRegistreren

Reacties

Gerelateerde artikelen

Kunst met Sis: Schijn bedriegt

Kunst met Sis: Kiespijn en de zegeningen van onze tijd

‘Ik ben eigenlijk een lopende band van geluksmomenten’

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.
 
Consent choices