Nederland bestaat niet

Nederland bestaat niet

DOOR MAARTEN VAN ROSSEM

woensdag 6 december 2017
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

De Kamerverkiezingen in maart 2017 zullen draaien om een niet-bestaande Nederlandse identiteit, schreef Maarten in 2016. Veel kiezers vrezen dat deze in gevaar is, waardoor de VVD zich opwerpt als redelijk alternatief voor Geert Wilders. Alleen: die angst is ‘volstrekte onzin’.

Maarten! 2016-4

De campagne voor de verkiezingen van maart 2017 begon met de aflevering van Zomergasten waarin Mark Rutte de hoofdrol speelde. De pretentieuze VPRO is gewetenloos gebruikt voor de VVD-propaganda. Rutte had een beeldfragment geselecteerd waarin demonstrerende Turkse Nederlanders zich agressief gedroegen tegen een Nederlandse cameraman. Woedend was Rutte daarvan geworden. Hij dacht, of riep vanaf de bank – dat ben ik vergeten: ‘Pleur op!’ Of erger nog: ‘Pleurt op!’

Het kerndoel van de VVD-campagne is groter te worden dan de PVV. Dat betekent dat Rutte in de komende maanden een soort Wilders-light zal zijn, en daar was zijn Zomergasten-aflevering een aankondiging van. Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen stond Rutte te glunderen toen de diverse fractieleiders hem bekritiseerden vanwege zijn ‘Pleur op’. Dat was precies waar hij op gemikt had. Vervolgens werd hij op zijn wenken bediend door lastige allochtone jongeren in Zaandam. ‘Tuig van de richel’ noemde de premier die jongens. En ondertussen hield Edith Schippers een zonderlinge, maar veelgeprezen toespraak waarin zij de Nederlanders opriep front te maken tegen de radicale islam. Het was allemaal keurig voorbereide Wilders-light retoriek.

De PVV beweert dat we moeten afrekenen met de islam voordat de islam met ons afrekent. De Nederlandse natie en het Nederlandse cultuureigen zijn volgens Wilders in levensgevaar. Dat is volstrekte onzin, want slechts 5 procent van de Nederlandse bevolking bestaat uit moslims. Maar deze radicaal verwoorde angst is wel het sentiment dat bij de kiezers op nummer een staat.

Niet dat kiezers geloven dat de natie in gevaar is, maar ze maken zich wel ongerust over vluchtelingen, immigranten en vreemdelingen in algemene zin. En al die instromers zouden weleens het eigene van Nederland kunnen bedreigen. Wie die zorg mooi en overtuigend verwoordt, zonder te vervallen in het boze radicalisme van Wilders, gaat goed scoren in maart volgend jaar.

De niet al te scherp omlijnde angst voor vreemdelingen en verandering kan niet zonder zijn conceptuele tweelingbroer, de overtuiging dat er zoiets is als het Nederlandse cultuureigen – dat de Nederlandse cultuur een essentiële kern heeft. De VVD heeft de laatste maanden herhaaldelijk gesproken van ‘onze Nederlandse manier van leven’, die zou neerkomen op ‘lekker doen waar je zin in hebt’. Het is van een verbazingwekkende onbenulligheid, maar het is ongetwijfeld onderdeel van een goed doordachte campagnestrategie. Eerder sprak Rutte al zijn verontwaardiging uit over het zijns inziens verwerpelijke begrip ‘multiculturele samenleving’: Nederland heeft volgens hem één cultuur.

Volkskarakter

Zo zijn we gearriveerd bij de Nederlandse identiteit. Veel kiezers menen dat die in gevaar is, en de VVD werpt zich op als de redelijke verdediger ervan met het doel Geert Wilders de pas af te snijden. In het vervolg hoop ik duidelijk te maken dat er helemaal geen specifieke Nederlandse identiteit bestaat, en dat die ook niet wordt bedreigd door vreemdelingen die niet gezellig willen meedoen. De verkiezingen van volgend jaar zullen dan ook niet primair over concrete beleidsvoornemens gaan, maar over een fantoom – over de imaginaire bedreiging van een eigenheid die niet bestaat.

Geen enkele complexe maatschappij heeft een essentiële culturele kern. Zoiets kan hoogstens bestaan in een homogene dorpssamenleving. Nederland is ondanks de geringe afmetingen verrassend heterogeen in cultureel opzicht en is dat ook altijd geweest.

In de loop van de geschiedenis hebben buitenlanders wel kordaat verklaard dat wij Nederlanders een samenhangend volkskarakter hadden. Dat zou volledig zijn bepaald door het strenge calvinisme. Daardoor zouden we zelfverzekerde, sombere, geld- en drankzuchtige, koppige conservatieven zijn met een zwaarmoedige hang naar huiselijkheid en verbazend gedetailleerde regelgeving. In positieve zin schonk het calvinisme ons vrijheidszin, nuchterheid en individualisme, zo wil het cliché.

In zijn indertijd (in 1989) geruchtmakende Regenten, Rebellen en Reformatoren beweerde Ernest Zahn zelfs dat de snelle secularisering van Nederland in de jaren zestig werd gedreven door het immer principiële karakter van de calvinistische ziel. Of ze het zich nu realiseerden of niet, alle Nederlanders, gelovig of niet, waren al bij geboorte gereformeerd.

Amsterdammers, Urkers of Maastrichtenaren verschillen hemelsbreed van elkaar

Het enige probleem met deze allesverklarende theorie is dat hij niet juist is. In de Nederlandse geschiedenis zijn de calvinisten altijd een betrekkelijk kleine minderheid geweest. In de Republiek waren ze weliswaar de enigen die hun geloof openlijk mochten belijden, maar ze leefden samen met grote hoeveelheden mensen die andere religies aanhingen. Andere overtuigingen werden, soms tegen betaling, getolereerd.

De burgerlijk-pragmatische regenten-elite, die de steden van de Republiek bestuurde, moest niets hebben van godsdienstige scherpslijperij. Die zou immers het geld verdienen maar hinderen. In steden als Haarlem en Amsterdam was waarschijnlijk een aanzienlijk deel van de bevolking rooms-katholiek. En ongeveer de helft van de bevolking van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was helemaal niet religieus georganiseerd. In de Generaliteitslanden, het huidige Brabant en Limburg, was vrijwel iedereen katholiek. Dus onze culturele traditie is net zo goed katholiek als calvinistisch of anderszins protestants.

Verweven met de religieuze variatie waren grote lokale verschillen. Amsterdammers, Urkers of Maastrichtenaren verschilden hemelsbreed van elkaar; ze leefden anders en ze dachten anders. En dat is tot op de dag van vandaag zo.

Verzuiling

Boven op alle stromingen kwam in de late negentiende eeuw nog een sociaal-democratische traditie die Nederland verder verdeelde. Nederland was, zeker in de tijd van de verzuiling, toen verschillende tradities institutionele en politieke vorm kregen, een uitgesproken multiculturele samenleving.

De sporen van het multiculturele, verzuilde verleden zijn nog duidelijk zichtbaar. Wel zijn in de afgelopen decennia de scherpe scheidslijnen verdwenen. In mijn jeugd kon een gereformeerde jongen nog niet met een katholiek meisje thuiskomen, want ‘twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’. Op dat punt hebben we vorderingen gemaakt, al zal het geseculariseerde meisje dat met een moslim thuiskomt haar ouders nog steeds niet gelukkig maken. De snel stijgende welvaart na de oorlog heeft de bijl aan de wortels van de verzuiling gezet, in combinatie met de hogere scholing van een groot deel van de bevolking en de homogeniserende effecten van de massamedia.

In iets meer dan een halve eeuw zijn de normen en waarden in Nederland grondig veranderd, maar dat lijken veel Nederlanders niet te zien. Daarom verwijten ze moslims nu allerlei culturele eigenaardigheden die hier in de jaren vijftig in Nederland de gewoonste zaak van de wereld waren – van hoofddoekje tot homovrees.

Vanwege de grote verschillen en de snelle verandering is het zonderling dat de VVD verklaarde dat ‘Nederland Nederland moet blijven’, alsof die partij in staat is het historische veranderingsproces stil te zetten.

Deze misleidende retoriek is bedoeld om de angst voor verandering te bezweren. Want zonder twijfel zal Nederland in de komende halve eeuw op tal van verrassende punten grondig veranderen. Vandaar het nostalgische verlangen naar de jaren vijftig, toen ‘geluk nog heel gewoon’ was, iedereen nog met twee woorden sprak en – laten we dat niet vergeten – er nog geen vreemdelingen waren.

De verschillen tussen laag en hoogopgeleiden zijn enorm

Misschien is deze nostalgie ook deels te verklaren uit het verlangen naar de zekerheden van de verzuiling: je wist waar je bij hoorde en wat de spelregels waren. Velen hebben de verzuiling met een zucht van verlichting achter zich gelaten, maar die zekerheden zijn het kind dat met het badwater is weggegooid. Zonder verzuiling zijn vele Nederlanders evident ten prooi aan culturele en morele verwarring. Vrijheid is ook niet alles.

Van de verzuiling rest niet veel meer dan de contouren van een kasteelruïne, maar daarmee zijn de verschillen binnen Nederland niet verdwenen. Neonationalistisch Nederland spreekt en schrijft weliswaar graag over de eerdergenoemde ‘Nederlandse manier van leven’, maar niemand specificeert die ooit, laat staan dat er in die kringen enig benul bestaat van het complexe karakter van ons culturele verleden.

Wordt Nederlanders gevraagd wat zij beschouwen als typisch Nederlandse zaken, dan komen ze niet verder dan Koningsdag, het Oranjegevoel, gezelligheid en Nederlandse sportprestaties, die kennelijk velen een warm vaderlands gevoel geven. Onder druk worden ook zaken vermeld als rookworst, haring, kroketten en stroopwafels.

Nemen we al deze dingen bij elkaar, dan is de collectie bijzonder schraal. Bovendien hebben vele Nederlanders er niet veel mee. De Oranjesentimenten bij grote voetbaltoernooien zijn van een uiterst pijnlijke stompzinnigheid, en ikzelf kom bijvoorbeeld op Koningsdag voor geen geld de deur uit.

De schraalheid van het pakket is niet toevallig. Die wordt veroorzaakt doordat Nederlanders veel minder gemeenschappelijk hebben dan ze zelf denken. Allereerst zijn er nog steeds aanzienlijke regionale verschillen. Neem bijvoorbeeld het verrassend grote verschil tussen Randstad en periferie. In de periferie kijkt men met een merkwaardige mengeling van jaloezie en afkeer naar de Randstad.

Sociale mobiliteit

Met dit verschil hangt samen het verschil tussen stad en platteland, al heeft ook de Randstad nog verrassend veel dorpen en landbouwgebieden. En dan zijn er de religieuze verschillen. Die hebben deels aan scherpte verloren doordat een groot deel van de katholieken en hervormden het geloof vaarwel heeft gezegd. Talloze kerken zijn culturele centra geworden, die moeite hebben het onderhoud van hun historische onderkomen te betalen. Maar tal van culturele eigenaardigheden die met het geloof samenhingen zijn bewaard gebleven. Bovendien zijn er nog de strak gereformeerden, die het aantal gelovigen op peil hebben weten te houden. Er is in die kringen wel geloofsafval, maar de gereformeerden krijgen zoveel kinderen dat het netto-effect beperkt is. Tegen alle trends in zijn daarom in Barneveld reusachtige nieuwe kerken gebouwd, waar wel 3000 mensen in kunnen. Het valt daar niet mee om bij de wisseling van de dienst de duizenden auto’s een beetje in het gareel te houden.

Zoals bekend hebben de gereformeerde overtuigingen grote invloed op de manier van leven. Ze zien beloftes bijvoorbeeld ook echt als beloftes en niet als vage leugens om de docent koest te houden – zo zag ik aan gereformeerde studenten. Als Rutte gereformeerd was geweest, hadden alle Nederlanders die 1000 euro die hij ooit beloofde ook echt gekregen.

Dan zijn er de verschillen in manier van leven tussen vrouwen en mannen, hoeveel vorderingen de emancipatie ook maakt. Die verschillen zijn groter als er ook religieuze overtuigingen meespelen. Hoe orthodoxer, hoe wonderlijker de leefregels voor vrouwen.

Het verschil tussen generaties is een historische constante, maar daarom niet minder relevant. Jongeren blijken geheel andere gewoonten te hebben dan mensen van middelbare leeftijd of bejaarden. Zo schijnen ze niet meer naar de televisie te kijken, wat door de zendgemachtigden als een ramp wordt beschouwd. Daarom is NPO3 een jongerenzender geworden, waarvan je zelfs als bejaarde zeker weet dat de jongeren er niet naar zullen kijken.

Ten slotte zijn er de verschillende sociale klassen. In alle rijke, westerse democratieën wordt graag de indruk gewekt dat er geen sociale klassen zijn, maar niets is minder waar. Als gevolg van aanzienlijke inkomens- en opleidingsverschillen en de combinatie van die twee, bestaan er nog steeds duidelijke onderscheiden tussen klassen. En naar alle waarschijnlijkheid zal de sociale mobiliteit in de toekomst niet toe-, maar afnemen. Laat ik mij hier beperken tot verschillen in opleiding, omdat die voor een aanzienlijk deel samenvallen met inkomens­verschillen.

De verschillen tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden zijn enorm. Zo leven laagopgeleiden in Nederland gemiddeld zes jaar korter dan hoogopgeleiden. Daar komt bij dat hoogopgeleiden in toenemende mate trouwen of samenwonen met andere hoogopgeleiden en alles in het werk stellen om ook hun kinderen zo hoog mogelijk opgeleid te krijgen.

Het opleidingsniveau heeft vergaande invloed op een heel spectrum aan opvattingen. Hoogopgeleiden zijn over het algemeen positief gestemd over de maatschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen halve eeuw. Ze zijn tevreden over de gevolgen van de mondialisering en willen dat Nederland in de EU blijft. Laagopgeleiden voelen zich machteloos; hoogopgeleiden veel minder of helemaal niet. Frappant is hoe beide groepen denken over referenda. Hoogopgeleiden zien daar weinig in, laagopgeleiden veel.

Ik kan nog wel even doorgaan met dit spel. Hoogopgeleiden noemen hun kinderen anders, gaan naar andere vakantiebestemmingen, hebben andere meubels, kijken naar andere tv-programma’s, luisteren naar andere muziek, lezen meer en hebben andere hobby’s. Ze leven, kortom, in een totaal andere wereld dan de laagopgeleiden, en dat is altijd zo geweest. Het enige verschil met honderd jaar geleden is dat er nu veel meer hoogopgeleiden zijn.

Hoogopgeleide Nederlanders vertonen meer overeenkomsten met hoogopgeleiden in andere westerse landen dan met laagopgeleiden in Nederland. Ze kunnen zich bovendien meestentijds goed redden met Engels, de lingua franca van een steeds groter deel van de wereld.

Het zal zo langzamerhand duidelijk zijn dat de mededeling dat er een uitgesproken Nederlandse manier van leven bestaat niets meer is dan politieke retoriek, bedoeld om een wij-gevoel te creëren en diegenen uit te sluiten van wie de premier en gelijkgestemden vinden dat ze er niet bij horen.

De natie is in de gelukkige term van Benedict Anderson ‘an imagined community’: een abstractie in onze verbeelding. En iedereen kan van die abstractie maken wat hij wil.

Maarten! 2016-4

woensdag 6 december 2017

Gerelateerde artikelen

Thierry Baudet, narcistische fopintellectueel

donderdag 11 januari 2018

Het een-na-beste land ter wereld: Nederland

donderdag 21 december 2017

Het boek vol sprookjes van Fortuyn

donderdag 7 december 2017

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.