Waarom democratieën ondemocratisch zijn en dat altijd zullen blijven

Waarom democratieën ondemocratisch zijn en dat altijd zullen blijven

DOOR MAARTEN VAN ROSSEM

dinsdag 10 juli 2018
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Kiezers zijn te laks om zich goed te informeren en politici liegen er graag op los. Daarom zijn democratieën ondemocratisch en zullen ze dat ook altijd blijven. En toch moeten we ze koesteren.

Uit Maarten! 2017-03

Tal van kiezers en deskundigen zijn van mening dat de democratie slecht werkt. Maar is dat ook zo? En is er daadwerkelijk sprake van een crisis van de democratie? Dat laatste geloof ik niet. Want dan zou de democratie ergens in het verleden beter moeten hebben gewerkt dan zij nu doet, en dat valt niet aan te tonen. Voor de goede orde: het gaat mij om democratieën in rijke, westerse landen, waar het systeem geacht wordt redelijk te functioneren. Ik heb het dus niet over landen als Brazilië, Turkije of Rusland.
 

Alle onderzoeken naar de kennis van kiezers tonen aan dat kiezers totaal onkundig zijn over zelfs de meest elementaire zaken

De kwestie is dat de democratie nooit goed heeft gewerkt, simpelweg omdat de theoretische normen onhaalbaar zijn. Want volgens die normen moeten kiezers goed geïnformeerd zijn, hun verantwoordelijkheden kennen en stemmen op betrouwbare politici die de maatschappelijke en economische werkelijkheid geen geweld aandoen in hun relaties met de kiezers. Bovendien moet de besluitvorming transparant zijn. Dat alles is te veel gevraagd.
 

Lui en irrationeel

Laat ik beginnen met de kiezers. Zonder enige twijfel is een deel van de keizers niet snugger genoeg om zich voldoende te kunnen informeren om een werkelijk verstandige politieke keuze te maken. Maar veel van kiezers zijn helemaal niet dom – wel lui en irrationeel, waardoor ze niet beschikken over voldoende gestructureerde kennis om te voldoen aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Alle onderzoeken naar de kennis van kiezers tonen aan dat kiezers totaal onkundig zijn over zelfs de meest elementaire zaken. Of het onderzoek nu in de VS plaatsvindt, in Nederland of in een ander West-Europees land, het is altijd hetzelfde liedje.

De meeste kiezers hebben, om te beginnen, al geen flauw benul van de spelregels en de institutionele structuur van het politieke systeem waarvan zij een deel zijn. Amerikaanse kiezers blijken in ruime meerderheid niet te weten wat de zittingstermijnen van hun politiek vertegenwoordigers zijn en meestal weten ze ook niet hoe de senator heet waarop ze hebben gestemd. Evenmin kunnen ze een heldere beschrijving geven van de kardinale verschillen tussen liberals (in de VS de progressieven) en conservatieven. Een groot deel van de Amerikaanse kiezers weet ook niet hoe de president van Rusland heet. Over de hele linie weten kiezers namelijk nog minder over buitenlandse politiek dan over het binnenland.

In Nederland is het al niet anders gesteld. Ook hier weten kiezers niet hoe het politieke bestel in elkaar zit. Ze weten niet dat Eerste en Tweede Kamer samen de Staten-Generaal vormen, ze hebben geen idee van de verschillen tussen de Eerste en de Tweede Kamer, en denken dat de koning zelf de troonrede schrijft.

Noch in de VS, noch in Nederland hebben de kiezers een redelijk beeld van de overheidsbegroting. In beide landen wordt de financiële hulp aan het buitenland schromelijk overschat en worden de kosten van de binnenlandse sociale politiek schromelijk onderschat.

Ook als kwesties jarenlang een prominente rol hebben gespeeld in de publieke discussie hebben de kiezers er alleen uiterst vage voorstellingen van. Immigratie en criminaliteit zijn al jaren kernonderwerpen van het nationale debat, maar vraag de kiezers naar cijfers en een redelijk antwoord blijft uit. Nederland is een onderdeel van de Europese Unie en veel kiezers hebben een uitgesproken mening over de EU, maar die mening is niet gebaseerd op concrete kennis. Het verschil in taken en bevoegdheden tussen de Europese Raad, de Europese Commissie en het Europese Parlement is een ruime meerderheid van de Nederlandse kiezers onbekend.
 

Verwaarloosbare stem

De theorie van de democratie vraagt goed geïnformeerde kiezers, maar enige reflectie maakt duidelijk dat het voor de modale kiezer nog niet meevalt om een goed geïnformeerde kiezer te worden. Daartoe moet immers flink wat tijd worden geïnvesteerd in het lezen van weinig opwindende en soms gecompliceerde lectuur. Waarom zou iemand zo’n vrij omvangrijke investering doen, terwijl hij donders goed weet dat zijn individuele stem slechts een minimaal, bijna verwaarloosbaar effect heeft? Zo bezien heeft de frappante onkunde van de kiezer een verrassend rationele basis. De theoretische eis is een onredelijke eis.

Kiezers zijn niet geïnteresseerd in de politiek of hebben er zelfs de pest aan

Het besef van zijn machteloosheid in de grotere politieke orde leidt er ook gemakkelijk toe dat de kiezer helemaal niet komt stemmen. In Nederland is de opkomst bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer nog heel behoorlijk, zo tussen de 75 en ruim 80 procent. De opkomst bij verkiezingen voor Gemeenteraad en Provinciale Staten is veel minder: gemiddeld ongeveer 50 procent. Dat is relevant, omdat de Eerste Kamer getrapt wordt gekozen via de Provinciale Staten. Door de veel geringere opkomst dan bij de landelijke verkiezingen is het electoraat dat uiteindelijk de Eerste Kamer kiest van beduidend andere samenstelling dan dat van de Tweede Kamer. Met als gevolg dat de constellaties van partijen in beide Kamers verschillen. Zodoende kan de Eerste Kamer met enige regelmaat de Tweede Kamer de voet dwars zetten. Dat valt te beschouwen als een prettige waarborg tegen slordig haastwerk van de Tweede Kamer, maar evengoed als een irritante hinderpaal voor effectief beleid van de zittende regering.

De opkomst voor de verkiezing van het Europese Parlement is nog veel lager, meest zo’n 30 procent. Dat veel keizers wegblijven is vanuit democratisch oogpunt dom en kortzichtig, maar kennelijk ziet de kiezer Brussel als veel verder weg dan het daadwerkelijk is.

Een identiek probleem bestaat in het Amerikaanse politieke systeem. Bij de vierjaarlijkse presidentsverkiezingen komt daar ruim 60 procent van de kiezers zijn stem uitbrengen. Dat percentage is op zich al laag, maar bij de zogenoemde midterms komt in de VS meestal slechts iets meer dan 30 procent ter stembus, vooral wat oudere, conservatieve blanke kiezers. Daardoor kunnen Senaat en Huis van Afgevaardigden een andere politieke kleur hebben dan de president. Met Republikeinse meerderheden in Senaat en Huis was Obama’s speelruimte na 2010 tot een minimum gereduceerd.
 

Mythische wereld

Als de kiezers meestentijds zo erbarmelijk slecht geïnformeerd zijn, hoe komen ze dan tot een politieke keuze? Ze leven, politiek gezien, in een grotendeels mythische wereld. Als een Democratische president het begrotingstekort vermindert, denken de Republikeinen dat het groter is geworden.

We betreden hier de wereld van de feitenvrije politiek. Primair is hier een sterke loyaliteit aan een vaag omlijnd politiek credo, dat meestal samenvalt met de sociaal-culturele identiteit van de kiezer. Daarbij kunnen sterke, irrationele emoties in het spel zijn. Ook beter geschoolde en beter geïnformeerde kiezers leven in een mythische wereld, die zich als vanzelf plooit naar de vooroordelen van de kiezer.

Verder speelt de waan van de dag – of beter misschien de stemming in het land – een rol in het electorale proces. Juist omdat veel kiezers vinden dat hun stem er nauwelijks toe doet, kan het uitbrengen van de stem gemakkelijk een daad van klein, maar emotioneel bevredigend protest worden. Een proteststem kost de kiezer niks, maar veel proteststemmen kunnen samen enorme kosten voor het collectief met zich meebrengen.
 

Examen

De vraag is natuurlijk: is er iets aan te doen? Valt de kiezer bij te scholen, moet het vak staatsinrichting veel meer aandacht krijgen? Dat zal ongetwijfeld niets helpen, omdat de meeste mensen helemaal niet geïnteresseerd zijn in de politiek en zodoende het geleerde vrijwel onmiddellijk weer zullen vergeten. Zou het dan een idee zijn om iedere kiezer een klein examen voor te leggen voor hij zijn stem uitbrengt? Met bijvoorbeeld tien makkelijke vragen over het politieke bestel. We moeten ook rijexamen doen, dus waarom geen politiek examen? Hoe aardig dit idee op het eerste gezicht ook moge zijn, hiermee zou een fundamenteel recht worden opgedoekt. De overheid mag je niet dwingen iets te leren wat je helemaal niet wilt weten. De onwetende kiezer is een wezenstrek van elke democratie.
 

Pest aan politiek

Zo lang als de moderne democratie bestaat is er geklaagd over het ondemocratische karakter en zijn er voorstellen gedaan om het systeem democratischer te maken. Bekende voorstellen in Nederland zijn het referendum, het recht van burgerinitiatief, de beperking van zittingstermijnen of de verkiezing van de minister-president. Maar daar waar dergelijke voorstellen zijn gerealiseerd is nooit gebleken dat de democratie beter is gaan functioneren.

De moderne overheidsbureaucratie is echter zo omvangrijk en zo complex dat van transparantie in de uitvoering van het beleid de facto geen sprake is

Beperking van zittingstermijnen leidt tot ondeskundige politici en de gekozen minister-president bevordert de politieke polarisatie. Referenda en het recht van initiatief zijn vaak de speelbal geworden van goed gefinancierde special interest-groepen. Burgers gebruiken ze maar al te vaak om gevoelens te uiten die niets met het officiële onderwerp te maken hebben. Zo hadden de initiatiefnemers van het Oekraïne-referendum het eigenlijk gemunt op de EU.

Bovendien zitten de meeste kiezers helemaal niet te wachten op meer mogelijkheden om hun stem te laten horen. Ze zijn namelijk niet geïnteresseerd in de politiek of hebben er zelfs de pest aan. Ze willen met rust gelaten worden; voor hen is de politiek irritant gehakketak dat niets oplevert. Hervorming van de democratie levert niets op, omdat de basis-attitude van de kiezers daardoor niet verandert. De mens is geen Homo politicus.
 

Goedkoop en infantiel

Dat brengt ons tot de politici, een wellicht nog somberder stemmend onderdeel van de politiek dan de kiezers. Volgens de theorie hebben politici een zeer verantwoordelijke taak: zij moeten voor het front van de kiezers een eerlijk debat voeren over de problemen waar de samenleving mee te maken heeft. Daar is echter zelden sprake van. Neem de verkiezingen van maart 2017. Gingen die over de EU, of de euro, of de aantasting van onze privacy? Nee, de kern van het dominante debat tijdens de verkiezingen was: we zijn tevreden met onszelf, omdat wij normaal zijn, en zo willen we het houden. Daarom willen wij immigranten zo veel mogelijk buiten de deur houden. Goedkope, infantiele identiteitspolitiek.

Het grootste permanente gevaar voor de democratie is de demagogische politicus, die bereid is op weg naar de macht de meest stompzinnige vooroordelen van de kiezers te bevestigen en te versterken, waarbij de maatschappelijke werkelijkheid geen rol meer speelt. Ook dat is overigens niks nieuws: de populistische demagoog is even oud als de democratie.

De meeste kiezers beseffen waarschijnlijk wel dat demagogen de waarheid geweld aandoen. Maar een stem op zo’n politicus is een aangename bevestiging van de eigen emotionele vooroordelen.

Gelukkig slagen demagogen er zelden in het hele electoraat op sleeptouw te nemen. Daarvoor is een regelrechte politieke crisis nodig, een stapeling van angst, onrust en woede.
 

Systematische leugencampagne

Als politici eenmaal aan de macht zijn, zo veronderstelt de democratische theorie, zullen ze de burgers reëel voorlichten over voorliggende problemen. Dat is jammer genoeg niet altijd het geval. Neem nu de Amerikaanse regering na 9/11. Die legitimeerde een aanval op Irak met een jarenlange systematische leugencampagne waarmee ze een meerderheid van de bevolking wist te overtuigen. Zolang Donald Trump geen oorlog veroorzaakt, is Bush junior met afstand een slechtere president dan de dorpsgek die nu in het Witte Huis zit.
 

Omdat de kiezers vrijwel altijd ontevreden zijn over de politici die aan de macht zijn, zorgen ze regelmatig voor een wisseling van de macht

Voor een echte democratie is het noodzakelijk dat de burgers, na een stem te hebben uitgebracht, kunnen zien hoe de besluiten van de regering worden uitgevoerd. De moderne overheidsbureaucratie is echter zo omvangrijk en zo complex, en ziet zich gesteld voor zulke ingewikkelde vraagstukken, dat van transparantie in de uitvoering van het beleid de facto geen sprake is. Zittende politici raken vaak zelf het spoor bijster in die enorme machine. Tussen het publieke debat over de maatschappelijke problemen en de bureaucratische beleidspraktijk gaapt vaak een diepe kloof. Beleid vraagt expertise, en die is alleen te vinden bij specifieke elites.
 

Wisseling van de macht

De beste democratieën in de wereld zijn dus weinig democratisch. Ze voldoen geenszins aan de eisen die de democratische theorie stelt. Daar is weinig aan te doen, omdat het kiezers en gekozenen structureel ontbreekt aan de goede eigenschappen en de kennis om het democratisch ideaal te realiseren. Troostend is wellicht het besef dat het nooit beter is geweest.
 

Ondanks de evidente en niet te repareren gebreken zijn onze democratieën evenwel van grote waarde. Zij houden het politieke bestel relatief open. Omdat de kiezers vrijwel altijd ontevreden zijn over de politici die aan de macht zijn, zorgen ze regelmatig voor een wisseling van de macht. De georganiseerde oppositie houdt de politici op het groene kussen hopelijk redelijk bij de les. In de westerse democratieën is bovendien sprake van kritische media, die een essentiële rol spelen.

Ook als de democratie veel te wensen overlaat, is het van groot belang dat de overheid de rechtsstaat overeind houdt. De grondwettelijke vrijheden van de burgers dienen gezekerd te zijn. Het is nu juist op dit terrein dat er reden is voor zorg. Gedreven door redeloze paranoia, het werk van demagogische politici en domme, bange burgers, heeft de Nederlandse regering diverse wetten aangenomen die de privacy van de burgers ernstig aantasten. Die wetgeving was niet noodzakelijk om het steeds veronderstelde verschrikkelijke jihadistische gevaar te bestrijden. Daarvoor heeft de overheid ruim voldoende bevoegdheden. Dat tegen dergelijke wetgeving nauwelijks wordt geprotesteerd, geeft nog eens aan dat de kiezers politiek incompetent zijn.

Uit Maarten! 2017-03
dinsdag 10 juli 2018

Gerelateerde artikelen

Het falen van D66

maandag 26 maart 2018

Thierry Baudet, narcistische fopintellectueel

donderdag 11 januari 2018

Burgers laten meepraten? Een ramp

woensdag 6 december 2017

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.