Heeft links nog toekomst?

Heeft links nog toekomst?

DOOR ROB HARTMANS

donderdag 25 oktober 2018
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

De linkse partijen maken een fletse, ongeïnspireerde indruk. Hoe zouden ze het beter kunnen doen? En welke lessen kunnen ze trekken uit het verleden?


Uit Maarten! 2018-3

Het einde, het failliet of zelfs de dood van ‘links’ is al talloze malen verkondigd. Maar je hoeft geen marxist te zijn om te beseffen dat zolang het kapitalisme bestaat, het tegenkrachten zal blijven oproepen. Hoewel de termen ‘links’ en ‘rechts’ de afgelopen decennia behoorlijk op drift zijn geraakt, is het onderscheid tussen links en rechts in essentie sociaal-economisch van aard.

Dat is in Nederland niet altijd zo geweest, want voor de Tweede Wereldoorlog werden met ‘rechts’ de confessionele partijen bedoeld, terwijl de ‘linkse’ partijen pleitten voor een strikte scheiding tussen politiek en godsdienst, ongeacht of ze nu voor een liberale of socialistische economische orde voorstonden. Na 1945 verdween deze notie, en werd ‘links’ de aanduiding voor politieke stromingen die de kapitalistische economie bestreden of op z’n minst wilden beteugelen.

Tekst loopt door onder de afbeelding.

Juni 1979, demonstratie tegen Bestek'81, een controversiële sociaaleconomische nota van het Kabinet-Van Agt I.

Parallel aan het sociaal-economische verschil tussen links en rechts liep lange tijd het cultureel-psychologische onderscheid tussen mensen die zichzelf zagen als modern, vooruitstrevend en libertijns, en mensen die veel behoudender waren en hechtten aan traditionele opvattingen en fatsoensnormen. Op dit gebied is er inmiddels nogal wat veranderd. Wie in de jaren zeventig fel antigodsdienstig was, autoriteiten op beledigende wijze aanviel en het recht op naaktloperij verdedigde, werd links genoemd. En wie voor respect voor gelovigen en voor fatsoensnormen in de politiek en op straat pleitte, werd voor rechtse bal werd versleten. Inmiddels is zo’n beetje het omgekeerde het geval.
 

Maoïstische sektes 

Links is in Nederland lange tijd gedomineerd door de sociaal-democratie, bestaande uit een brede volkspartij (SDAP/PvdA) en de aan haar gelieerde vakbeweging (NVV/FNV). Kort na de Tweede Wereldoorlog leken de communisten zich even te ontwikkelen tot een factor van betekenis, maar als hondstrouwe handlangers van de Sovjet-Unie plaatsten zij zich al snel buiten de orde. Ook latere ultralinkse partijtjes als de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP) en de Politieke Partij Radicalen (PPR) bleven marginale verschijnselen, om van allerlei trotskistische en maoïstische sektes maar te zwijgen. Na de val van de Muur zijn de krachtsverhoudingen binnen links gewijzigd. GroenLinks steeg boven het niveau van de voormalige fusiepartners uit. Sinds 1994 is de SP een electorale factor van betekenis, en vanaf 2006 kent Nederland ook nog de Partij voor de Dieren. Dit heeft ertoe geleid dat de PvdA sterk in het gedrang is gekomen en sinds de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 haar dominante positie zelfs is kwijtgeraakt.  
 

In de touwen

Hoewel het niet zo is dat de linkse partijen de afgelopen vier decennia in totaal steeds minder aanhang hebben gekregen (zie kader), kun je moeilijk stellen dat links als geheel een bijzonder bloeiende en vruchtbare indruk wekt. De PvdA hangt in de touwen, de SP stagneert al jaren en lijkt vastgeroest in oude slogans, en sinds GroenLinks vorig jaar wegliep uit de formatieonderhandelingen vrezen veel mensen dat deze partij een sympathieke getuigenispartij blijft en geen echte politieke machtsfactor wordt. Jesse Klaver werd bejubeld als jonge, frisse, inspirerende leider, maar in de huidige mediacratie blijft een politicus niet lang jong, fris en inspirerend. Diederik Samson kan daarover meepraten, en zelfs het wonderkind van de VVD, Klaas Dijkhof, bladdert momenteel al snel af.
 

Neoliberalisme

Het grote probleem waarmee links kampt, is dat rechts – aanvankelijk bestond dat vooral uit CDA en VVD, en sinds 2002 zijn daar de rechts-populistische partijen bij gekomen – al ruim 35 jaar het initiatief naar zich toe heeft getrokken. Na de ‘rode jaren zeventig’ kwamen er de ‘no-nonsensekabinetten’ van Ruud Lubbers, die zei de puinhopen van het kabinet-Den Uyl te zullen opruimen. Hoewel Lubbers zelf als met subsidies strooiende minister van Economische Zaken in datzelfde kabinet zijn zuinige PvdA-collega op Financiën, Wim Duisenberg, regelmatig tot wanhoop had gedreven, was het ‘frame’ van de spilzieke sociaal-democraten erg effectief.

Na de val van de Muur verklaarde VVD-leider Bolkestein triomfantelijk dat links in de Koude Oorlog collectief ‘fout’ was geweest. De sociaal-democraten waren toen inmiddels zo murw gebeukt dat ze kritiekloos het neoliberalisme omarmden. Onder leiding van PvdA-premier Wim Kok werd flink gesnoeid in sociale voorzieningen en werd de arbeidsmarkt drastisch ‘geflexibiliseerd’, wat vooral betekende dat de toekomst van werknemers veel onzekerder werd.

Na de val van de Muur verklaarde VVD-leider Bolkestein dat links in de Koude Oorlog collectief 'fout' was geweest

Hiermee gingen Kok en de PvdA  in tegen de sociaal-democratische traditie die al vanaf de jaren dertig gericht was op beheersing van het kapitalisme en het optuigen van een verzorgingsstaat. Aanvankelijk had die verzorgingsstaat nog een sober karakter, maar met de toenemende welvaart van de jaren zestig werd het vangnet – met volledige medewerking van rechts – omgebouwd tot comfortabele hangmat. Toen die om economische redenen werd versoberd, vroegen velen zich af of de PvdA nog wel opkwam voor ‘de gewone man’. Het was vooral de SP die daar garen bij spon.

Rechts had gelijk dat veel ideeën van links uit de jaren zeventig sterk ideologisch gekleurd waren, maar al snel bleek dat de paradepaardjes van het neoliberalisme – privatisering en marktwerking – niet minder ideologisch waren. Op sommige terreinen, zoals de markt van de snel opkomende mobiele telefonie, werkten deze principes uitstekend, maar bij nutsvoorzieningen als de spoorwegen en de energievoorziening was de behaalde winst twijfelachtig. En in sectoren als de zorg en de volkshuisvesting zijn de gevolgen rampzalig.
De PvdA is veel te lang en veel te ver meegegaan met het neoliberalisme, terwijl de SP zich louter behoudend opstelde en elke aanpassing van de verzorgingsstaat op voorhand afwees. En hoewel GroenLinks duidelijk bezwaren uitte tegen het liberalisme, wist ook deze partij niet met een eigen, sociaal alternatief te komen. Vooral onder Femke Halsema ging GroenLinks steeds meer op een extra groen D66 lijken.
 

Afgeschoven 

Terwijl de PvdA zich op sociaal-economisch gebied door het neoliberalisme had laten ontwapenen, liet de partij zich ook op een ander gebied volledig intimideren door de grote bek van rechts. Naast het frame dat links het land economisch naar de filistijnen wilde helpen, ontstond vanaf de millenniumwisseling de succesvolle mantra dat links verantwoordelijk was voor de problemen rond immigratie. Om te beginnen zou links jarenlang hebben weggekeken van de problemen en hebben verhinderd dat migranten behoorlijk integreerden. Dat is onjuist. Progressieve kranten en weekbladen uit de jaren tachtig en negentig schreven al over de problemen. Al klopt het dat ze toen nog niet suggereerden dat buitenlanders hier niet thuishoorden en ze bezorgder waren over xenofobe types als Janmaat dan over niet-integrerende moslims. Bovendien: wie waren begin jaren tachtig verantwoordelijk voor het overheidsbeleid dat gericht was op de inmiddels versmade ‘integratie met behoud van eigen identiteit’? Juist, de VVD-ministers Hans Wiegel en Koos Rietkerk.

Het valt inderdaad niet te ontkennen dat het integratievraagstuk te lang is genegeerd, maar de verantwoordelijkheid daarvoor is niet uitsluitend bij links te leggen. En als rechts eerlijk zou zijn, zou het zich schatplichtig betonen aan de SP, die er al begin jaren tachtig voor pleitte degenen die toen nog ‘gastarbeiders’ werden genoemd met een oprotpremie naar huis te sturen. Hoe dan ook slagen CDA en VVD er altijd in de successen van het Nederlandse overheidsbeleid te claimen, terwijl de tegenvallers en regelrechte mislukkingen altijd worden afgeschoven op de PvdA – wat dat betreft hebben GroenLinks en SP mazzel dat ze nog nooit hebben meegeregeerd.

Zeuren om ideeën 

Hoe is het mogelijk dat links, de PvdA voorop, zich zo heeft laten intimideren en in de luren laten leggen door rechts? Veelgenoemde verklaringen zijn intellectuele armoede en gebrek aan ideeën. Op het eerste gezicht lijkt hier iets voor te zeggen, aangezien de oorspronkelijke, aansprekende linkse denkers momenteel niet over elkaar heen buitelen.
Tegelijkertijd suggereert deze verklaring dat er ter rechterzijde wel sprake is van intellectuele rijkdom, dat rechtse denkers met het ene briljante idee na het andere komen. Tja, en dat valt dus wel mee – of tegen. Naast oude, tot op de draad versleten dogma’s als marktwerking, privatisering en de kleine, maar slagvaardige overheid, is daar eigenlijk alleen het frame van de dreigende islamisering van Nederland bij gekomen.

Overigens kun je je afvragen of er wel altijd behoefte is aan nieuwe ideeën. ‘Politicians don’t need new ideas,’ schreef econoom Paul Krugman in mei van dit jaar in zijn column in de New York Times. De belangrijkste ideeën van links – burgerrechten, de verzorgingsstaat en zorg voor het milieu – staan nog steeds rechtovereind, en volgens Krugman zijn het vooral politiek commentatoren die steeds om nieuwe ideeën zeuren.
 

Neiging tot kritiek

Maar waar rechtse politici en publicisten wel gelijk in hadden, was de kritiek op het linkse denken zoals zich dat vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw had ontwikkeld. Het doorgeschoten individualisme, de exclusieve nadruk op rechten, terwijl plicht en eigen verantwoordelijkheid vieze woorden waren geworden, de weinig kritische houding tegenover linkse dictaturen, de omarming van de postmoderne opvatting dat alle oude waarheden en traditionele waarden ter discussie gesteld moesten worden en elk moreel oordeel over andere culturen verdacht was – deze kritiek was terecht. Maar ze was allesbehalve nieuw, en werd bovendien ook geuit door allerlei denkers die zichzelf nog altijd als links beschouwden – of althans weinig affiniteit hadden met Bolkestein cum suis.

Want als één neiging typerend is voor links, dan is dat de neiging tot kritiek. Kritiek op de uitwassen van het kapitalisme, kritiek op de tekortkomingen van de bestaande politieke orde, kritiek op het denken van politiek tegenstanders, en kritiek op verkeerde opvattingen en gebrekkige argumenten in het eigen kamp. Waar rechts sterk geneigd is de gelederen te sluiten, lijkt links verzot op het bekritiseren van geestverwanten. Er bestond vooral binnen de sociaal-democratie een lange traditie van serieuze kritiek, die ook de eigen standpunten nauwgezet onder de loep nam. Hoewel dit er mede toe heeft geleid dat de omgangsvormen binnen links vaak abominabel zijn, is dit in beginsel prijzenswaardig.

Sommige linkse kringen winden zich vooral op over genderneutrale rompertjes en white privilege

Toch kleeft er nog een nadeel aan: kritiek leveren is immers iets anders dan een positief, aansprekend programma formuleren. Wie het neoliberalisme bekritiseert, heeft hiermee nog geen alternatief geschetst. En het is op dit punt dat de sociaal-democratie al decennia tekortschiet. De scherpste kantjes van het neoliberalisme af vijlen, de boel bij elkaar houden, op de winkel passen – dat hebben de sociaal-democraten met volle inzet gedaan. Maar ondertussen zijn de meeste kiezers weggelopen omdat ze van andere partijen meer verwachten. Of dat terecht is valt nog te bezien, maar dat een duidelijk sociaal-democratisch alternatief ontbreekt kan moeilijk worden ontkend.
 
Heel lang kon de sociaal-democratische ideologie worden teruggebracht tot twee woorden: rechtvaardigheid en solidariteit. Twee waarden die gewaarborgd moesten worden door de rechtsstaat en de verzorgingsstaat, twee projecten die nooit ‘af’ zijn en voortdurend onderhouden moeten worden. Heel lang werd het streven naar sociale rechtvaardigheid gekoppeld aan economische groei en stijgende welvaart, maar inmiddels is duidelijk dat daar een grens aan zit. De strijd voor rechtvaardigheid zal dus hand in hand moeten gaan met het streven naar duurzaamheid.

Wil de sociaal-democratie – en dat geldt ook voor linkse partijen als GroenLinks en SP – bestaansrecht houden, dan kan ze zich niet neerleggen bij de tot nog toe onstuitbare opmars van het kapitalisme en plundering van de planeet. Dus zal ze met een coherente visie op een rechtvaardige en duurzame samenleving moeten komen. Een samenleving waarin niet alleen de rechten van het individu, maar ook de onderlinge solidariteit gewaarborgd zijn, terwijl er gezamenlijk wordt gewerkt aan de instandhouding van de ecologische systemen. Inspiratie kan links daarvoor opdoen in het werk van de Britse econome Kate Raworth.

Bovendien kan de sociaal-democratie hiermee ook ontkomen aan het heilloze debat dat momenteel in linkse kring wordt gevoerd: moet linkse politiek over klasse gaan, of over identiteit? Een onzinnige discussie, die gebaseerd is op een verkeerde vraagstelling. Om te beginnen bestaan er niet simpelweg twee maatschappelijke klassen, laat staan dat er sprake is van een gedeeld ‘klassenbewustzijn’. Daarnaast moet niet worden vergeten dat de sociaal-democratie pas echt opbloeide toen de exclusieve oriëntatie op de vermeende ‘arbeidersklasse’ werd losgelaten. Vanaf 1937 identificeerde de SDAP zich met de op sociale rechtvaardigheid en vrijheidsliefde georiënteerde traditie van de Nederlandse natie als geheel. Hoewel bij die traditie uiteraard de nodige kanttekeningen zijn te plaatsen, was deze vereenzelviging met de Nederlandse identiteit, in een periode waarin deze werd bedreigd door totalitaire ideologieën als het nationaal-socialisme en het communisme, hard nodig. Inmiddels is het begrip ‘nationale identiteit’ gekaapt door rechts en wordt gebruikt om bevolkingsgroepen tegen elkaar uit te spelen.

Tegelijkertijd bestaat er in sommige linkse kringen sterk de neiging om een identiteitspolitiek in stelling te brengen die zich volledig richt op allerlei minderheidsgroeperingen. In plaats van het overeind houden van de verzorgingsstaat staan hierbij genderneutrale rompertjes en schimmige begrippen als ‘white privilege’ centraal. Ook hier wordt vooral gekeken naar wat, en vooral wie, er niet deugt, terwijl er nauwelijks moeite wordt gedaan om met een positieve schets van een rechtvaardige en sociale samenleving te komen.

Nu er een einde is gekomen aan allerlei illusies uit de jaren zestig en zeventig wordt het hoog tijd om met een nieuw, positief verhaal te komen. Een verhaal over de balans tussen individualisme en gemeenschapszin, over rechtvaardigheid en duurzaamheid, en over de politieke middelen om deze doelstellingen te verwezenlijken. Dat is een immense opgave, maar wanneer hiervan wordt afgezien, zal rechts definitief gewonnen hebben.

Uit Maarten! 2018-3

Wilt u Maarten van Rossem meer horen vertellen over de 21ste eeuw? Bezoek dan in maart, juni en september 2019 in Tivoli zijn collegereeks, waarin hij terug zal blikken op de afgelopen twee decennia en vooruit zal kijken naar de komende tachtig jaar. Klik hier voor meer informatie en tickets
donderdag 25 oktober 2018

Gerelateerde artikelen

'We moeten ons bewust worden van seksisme in de politiek'

donderdag 27 september 2018

Leve de politiek!

maandag 26 maart 2018

'Pim' was niet meer dan een mediahype

maandag 27 november 2017

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.