De moeizame heruitvinding van de sociaal-democratie

De moeizame heruitvinding van de sociaal-democratie

Door Maarten van Rossem

dinsdag 17 december 2019
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

In de decennia na de oorlog moeten de sociaal-democraten zichzelf opnieuw uitvinden. Partij-ideoloog Joop den Uyl laveert daarin behendig door de tijdgeest. Een deel van de oude socialistische dogma’s gaan overboord. Kapitalisme en socialisme naderen elkaar als de groei van de economie wordt ingezet voor de welvaartsstaat. Tot het economische tij keert en de sturende overheid weer overboord wordt gezet.


In het Interbellum was het de West-Europese sociaal-democraten niet best vergaan. Zij hadden geen of onvoldoende antwoord op de opkomst van het fascisme en waren ontzet en verontwaardigd door de gewelddadige ontsporing van het bolsjewisme. Wat er effectief aan de Grote Economische Crisis gedaan kon worden wisten ze eigenlijk ook niet. Het veelbesproken Plan van de Arbeid, om de economie te stimuleren met grote publieke werken, was een nuttige voorzet maar werd bepaald geen regeringsbeleid.

Na de Tweede Wereldoorlog was in elk geval duidelijk dat socialisme zonder democratie geen socialisme kon zijn. Hoe zou een democratisch socialisme er dan uit moeten zien? Het was duidelijk dat vernieuwing noodzakelijk was, maar het bleek moeilijk afscheid te nemen van traditionele oplossingen. Naarmate de jaren vijftig vorderden en zich een onverwachte sterke economische groei voordeed, werd die vernieuwing steeds urgenter.

Was het kapitalisme nog wel het kapitalisme van weleer? Had het zijn scherpe kanten eigenlijk niet verloren? Werd het niet aanhoudend bijgestuurd door machtige vakbonden en een sociaal denkende overheid? Was er eigenlijk geen sprake van een brede beleidsconsensus waarvan ook de oude vijand, het kapitalistische productiesysteem, deel uitmaakte?
 

Het einde van de ideologie

Al deze ontwikkelingen zouden leiden tot een vergaande de-ideologisering van het sociaal-democratische denken. Dat paste perfect in de tijdgeest van de jaren vijftig, die wel gekarakteriseerd is als the end of ideology. Op zichzelf een nogal komisch begrip, omdat het veronderstelde ‘einde van de ideologie’ al snel een eigen, uitgesproken ideologisch karakter kreeg.

In Nederland speelde Joop den Uyl een centrale rol in dit debat. Vooral in zijn tijd als directeur van de Wiardi Beckman Stichting (WBS), het wetenschappelijk bureau van de PvdA, tussen 1949 en 1963 zorgde hij voor een integrale visie op de nieuwe samenleving die zich in de jaren vijftig leek te manifesteren, en koppelde hij die aan praktisch beleid.

Van 1956 tot 1987 was Den Uyl lid van de Tweede Kamer, met uitzondering van zijn tijd als minister van Economische Zaken (1965-1966) en premier (1973-1977). Na 1966 was hij leider van de PvdA. Den Uyl was vooral ook de intellectuele leider van de Partij van de Arbeid en leverde in die hoedanigheid een flinke bijdrage aan de vernieuwing van het sociaal-democratische denken in de jaren vijftig en vroege jaren zestig.

Het kapitalisme was inderdaad niet meer wat het was

In 1951 deed Den Uyl belangrijk werk voor het WBS-rapport De Weg naar Vrijheid, dat een socialistisch perspectief wilde bieden op de veranderende samenleving. Gezien de titel was het ook een poging tot antwoord op de klassieker The Road to Serfdom van Friedrich Hayek, dat al vooruitwees naar het neoliberalisme.

Het rapport signaleerde essentiële veranderingen in de beschikking over productiemiddelen. Het kapitalisme was inderdaad niet meer wat het was. De arbeidsverhoudingen waren gehumaniseerd en Keynes had laten zien hoe de overheid haar fiscale instrumenten kon gebruiken. Door Franklin Roosevelt was duidelijk geworden wat een pragmatische sociale politiek kon bereiken.

Desondanks zaten er nog allerlei traditionele socialistische wensen in het rapport, waaronder het voornemen om de belangrijkste sectoren van de economie te nationaliseren. Die dringende wens zou in de volgende jaren uit het sociaal-democratische arsenaal verdwijnen. Naarmate de jaren vijftig vorderden leek het veel belangrijker om de snel opkomende massaconsumptie in een wenselijke richting te sturen – als het ware te nationaliseren. Geen ongerichte individuele, maar sociaal verantwoordelijke consumptie. De nieuwe rijkdom moest verstandig besteed worden.
 

Professor Uylbraith

Ideeën uit de VS waren een belangrijke factor in deze vernieuwing van het sociaal-democratische denken. Den Uyl schreef over de noodzaak zich rekenschap te geven van het progressieve ‘kapitalistische’ Amerika. Hij zette ‘kapitalistische’ hier tussen aanhalingstekens om duidelijk te maken dat er ook in de VS geen sprake meer was van het oude kapitalisme.

Hij stond in deze jaren op de verzendlijst van Americans for Democratic Action, een zeer vooruitstrevend deel van de Democratische Partij, dat intensieve contacten onderhield met tal van West-Europese sociaal-democraten, onder wie Willy Brandt. Den Uyl werd vooral sterk beïnvloed door de ideeën van de econoom John Kenneth Galbraith, zelf ook een prominent lid van Americans for Democratic Action.

Galbraith was de meest geruchtmakende Amerikaanse econoom van de jaren vijftig. Wat hij schreef was ook voor leken leesbaar – en vaak geestig, wat uitzonderlijk is voor een econoom. In 1952 verscheen zijn American Capitalism. The Concept of Countervailing Power.

Ideeën uit de VS waren een belangrijke factor in de vernieuwing van het sociaal-democratische denken

Daarin betoogde hij dat het Amerikaanse bedrijfsleven sterke oligopolistische tendensen vertoonde – het aanbod was in handen van slechts een paar grote bedrijven. Maar dat die ontwikkeling werd gecompenseerd door de tegenkrachten van grote, sterke vakbonden en een sociaal denkende overheid.

Hiermee was ook het Amerikaanse kapitalisme grondig getransformeerd. In 1958 publiceerde Galbraith The Affluent Society, een enorme bestseller en een van de invloedrijkste boeken van de jaren vijftig. Den Uyl zag in dat boek zijn eigen denkbeelden bevestigd. Zozeer dat sommigen spottend spraken van ‘professor Uylbraith’.
 

Overbodige rommel

De centrale these van dit boek laat zich simpel samenvatten: in de VS was sprake van public squalor in the midst of private opulence. Zowel links als rechts, betoogde Galbraith, was in de VS uiterst tevreden met de enorme productieve kracht van de Amerikaanse economie. Het succes van de Amerikaanse samenleving werd vooral gemeten aan de omvang en aanhoudende groei van het bruto nationaal product.

Maar hoe relevant was dat bnp eigenlijk? Een groot deel van de productie bestond uit overbodige rommel. De vraag van de consument werd voornamelijk gegenereerd door consumer demand creation, die het werk was van een omvangrijke reclame-industrie. Door de steeds groeiende vraag van consumenten was er te weinig geld voor publieke investeringen in infrastructuur en onderwijs. De VS dienden daarom getransformeerd te worden van een private production economy naar een public investment economy.

Die zou zich allereerst moeten richten op vermindering van de armoede en omvangrijke investeringen in het onderwijs. Dit zou een nieuwe klasse creëren van onderwijzend personeel en technici. Mensen, kortom, die nuttiger dingen deden dan overbodige rommel produceren. Het was Den Uyl uit het hart gegrepen.

De welvaartsgroei moest in goede banen worden geleid. Er was daartoe een nieuw, breder politiek perspectief noodzakelijk, dat verderging dan een autootje en een tv voor Jan en alleman. Essentieel was het streven naar grotere gelijkheid. Volgens Den Uyl was het daarvoor noodzakelijk de bezitsverhoudingen grondig te wijzigen.

In de Amerikaanse samenleving met haar enorme welvaartsgroei was dat wellicht niet noodzakelijk om de gewenste gelijkheid te krijgen, maar in het sterk hiërarchische Nederland wel. Weer blijkt hier een kritiekloze bewondering voor de VS – die weergaloos productieve en in de kern reeds egalitaire samenleving. Geen woord over de burgerrechtenbeweging of de schrikbarende armoede in delen van Amerika.

De verandering van bezitsverhoudingen bleef voor Den Uyl een essentieel punt. Hoe hij dat wilde gaan doen heeft hij nooit duidelijk gemaakt. Toen zijn kabinet eraan ging morrelen, viel het. Er is in Nederland nooit een meerderheid geweest om dit echt aan te pakken.
 

Bestaanszekerheid

Vanwege de veranderende maatschappij besloot de PvdA in 1959 dat de partij een nieuw beginselprogram nodig had. Er werd een brede commissie benoemd, die vooral bestond uit medewerkers van de Wiardi Beckman Stichting. Den Uyl zou een essentiële paragraaf bijdragen over de veranderingen van de jaren vijftig. Het voorlopige nieuwe program werd naar de afdelingen gestuurd voor commentaar. Het is de moeite waard het hele eerste deel van Den Uyls paragraaf te citeren:
 
De structuur der kapitalistische maatschappij ondergaat ingrijpende veranderingen als resultaat zowel van groeiend inzicht en politieke strijd als van de technische en economische ontwikkeling. Naast het particulier bezit en de particuliere ondernemingsvorm hebben zich gemeenschapsbezit en gemeenschapsproductie ontwikkeld.

De particuliere beschikkingsmacht over de productiemiddelen is op verschillend terrein beperkt door de toekenning van de bevoegdheden aan democratisch gecontroleerde gemeenschapsorganen. De ongelijkheid van inkomens is verminderd, een stelsel van bestaanszekerheid tot ontwikkeling gekomen, de armoede teruggedrongen, het lot der sociaal zwakken verbeterd, de scherpte der sociale tegenstellingen afgenomen.

De overheid heeft verantwoordelijkheden op zich moeten nemen en instrumenten geschapen, die haar in staat stellen bij te dragen tot handhaving van een hoog peil van werkgelegenheid, de bestaanszekerheid te bevorderen, invloed uit te oefenen op een rechtvaardiger verdeling van bezit en inkomen en leiding te geven aan een verandering van de grondslagen der maatschappij in de richting van verdere democratisering.
 
De kwestie van socialisatie der productiemiddelen werd door Den Uyl terloops afgedaan. Hij zag daar niets in.
 

Liberale praatjes

Het onbehagen over Den Uyls visie was groot. Wat waren dit voor waardeloze compromisformules? Het kapitalisme moest juist scherp veroordeeld worden en de socialisatie van de productiemiddelen moest weer een prominente plaats in het programma krijgen. Dit waren ‘liberale praatjes’. De verontwaardiging was zo groot dat Den Uyls analyse uit het program werd gehaald en ondergebracht in een toelichting.

Hoewel Den Uyls revisionistische visie zou prevaleren, was dit toch een interessante discussie. Niet alleen in Nederland, maar ook elders in West-Europa hadden de sociaal-democraten moeite om afscheid te nemen van de mythologie van hun beweging, van de vertrouwde leerstelligheid van weleer.

Zo ook in Engeland. Daar concentreerde de discussie zich rond het invloedrijke boek The Future of Socialism van Anthony Crosland, dat verscheen in 1956. Aangezien Crosland genoemd wordt in de opstellen van Den Uyl, mogen we aannemen dat hij dit boek aandachtig heeft gelezen. Ook Crosland argumenteerde dat het kapitalisme fundamenteel was veranderd, omdat de meest karakteristieke eigenschappen waren verdwenen. Het waren volgens Crosland veranderingen die niet meer teruggedraaid konden worden.

Van socialisatie van de productiemiddelen moest ook Crosland niets hebben; dat vond hij verouderd. In Engeland lag dat nog gevoeliger dan in Nederland, omdat de Labour-regering tussen 1945 en 1951 een groot deel van de basisindustrieën had genationaliseerd. De essentie van de sociaal-democratische boodschap was volgens Crosland het streven naar grotere gelijkheid. Daartoe zou Engeland ingrijpende maatregelen moeten nemen.

The Future of Socialism leidde tot felle discussies. Een van de kritische beschouwingen begon met de zin: ‘Hoe durft deze man zich socialist te noemen?’ Inderdaad, Crosland was geen echte socialist. Hij was een sociaal-democraat, en dat is wat anders. Uiteindelijk wonnen ook in de Labour Party de revisionisten, onder leiding van Hugh Gaitskell.
 

Creeping socialism

Om nogmaals duidelijk te maken hoe internationaal deze partijpolitieke en intellectuele ontwikkelingen waren, kijkt men naar de Bondsrepubliek, waar de SPD in 1959 na lange discussie het zogenoemde Godesberger Programm aannam. Ook de SPD besloot dat het kapitalisme niet langer afgeschaft hoefde te worden, omdat het vruchtbaar hervormd kon worden.

Marxistische theorie, in het bijzonder de klassenstrijd, werd overboord gezet. De vakbonden werkten in toenemende mate samen met het bedrijfsleven, vaak in ondernemingsraden die in Duitsland werkelijk iets te vertellen hadden. De SPD werd getransformeerd van marxistische partij in een progressieve volkspartij.

‘Hoe durft deze man zich socialist te noemen?’

Den Uyl heeft nooit iets van marxisme of neomarxisme moeten hebben. Hervormingen door klassenstrijd en revolutie beschreef hij als het repareren van een horloge met een voorhamer. In een commentaar op het nieuwe programma van de PvdA was Den Uyl nogmaals kritisch over socialisatie. Die loste volgens hem niets op en kon vervelende problemen veroorzaken.

Democratisering van de economie was mogelijk langs een andere, modernere weg. Niet door precieze planmatige sturing, maar met een brede macro-economische aanpak, met de inzet van tal van middelen. Onze tegenstanders, schreef Den Uyl, spreken dan van creeping socialism, maar dat is juist een voortreffelijke term!
 

Verbazende welvaartsgroei

Begin 1963 produceerde de WBS het omvangrijke programmatisch rapport Om de Kwaliteit van het Bestaan, over de besteding van het groeiende nationaal inkomen. Het was een poging om de nieuwe inzichten van de jaren vijftig om te zetten in een concreet politiek programma.

In de inleiding schreef Den Uyl dat tal van programmapunten van het vooroorlogse socialisme waren verwezenlijkt. Er was nu sprake van een verbazende welvaartsgroei. Den Uyl voorspelde een verdubbeling van het bnp binnen 25 jaar. Dat leek heel wat, maar was een veel te conservatieve voorspelling.

Die groei van het nationaal inkomen diende nuttig besteed te worden. Niet welvaart, maar welzijn moest het doel zijn. Het geld moest naar de publieke sector gaan, omdat een sterke uitbreiding van de gemeenschapsvoorzieningen noodzakelijk was. Betere verpleeghulp was van groter belang dan consumentistische ontsporingen als elektrische tandenborstels. Die werden voor sociaal-democraten in de jaren zestig het symbool bij uitstek van overbodige luxe.

Het rapport had aanvankelijk geen dramatische effecten – als verkiezingsprogramma werkte het in elk geval niet. Toch was het een voortreffelijk en richtinggevend product van de tijdgeest. Wat in het rapport werd bepleit, namelijk meer sociale uitgaven van de overheid, werd in de jaren zestig en zeventig op grote schaal gerealiseerd. Niet alleen door de sociaal-democraten trouwens; vrijwel alle politieke partijen werkten in deze jaren mee aan dit collectieve project.
 

Te laat

Den Uyl hield in de volgende twee decennia consequent vast aan de uitgangspunten van 1963. Het politieke rumoer van de jaren zestig en zeventig, zoals de radicalisering van de linkervleugel van de PvdA, heeft zijn opvattingen niet veranderd. Om de Kwaliteit van het Bestaan vormde ook het fundament van het kabinet-Den Uyl.

Maar de tragiek van Den Uyl was dat zijn kabinet te laat kwam – in 1974 was het economische tij al gekeerd. Er was geen ruimte meer voor sterke groei van de overheidsuitgaven. Het rapport was geboren in het onbegrensde optimisme van de vroege jaren zestig, toen niemand zich kon voorstellen dat er ooit een einde zou komen aan de groei.

Wanneer Den Uyl als minister-president de grenzen opzocht van de politieke consensus in de jaren vijftig en zestig, door bijvoorbeeld te spreken over de vermaatschappelijking van het productieapparaat, of de noodzaak van overheidssturing en -ordening, stootte hij onmiddellijk zijn neus. Dat was voor de confessionelen die zijn kabinet gedoogden en het Nederlandse bedrijfsleven onbespreekbaar.

Vanaf de late jaren zeventig was er sprake van een steeds groeiend momentum van de backlash tegen het beleid dat de verzorgingsstaat zo ruimhartig had laten groeien. Plotseling had de sturende overheid volledig afgedaan. Alle maatschappelijke problemen moesten door marktwerking worden opgelost.

In West-Europa viel de schade die deze backlash aanrichtte nog wel mee, maar in de VS won het neoliberalisme op alle fronten. Het doodverklaarde kapitalisme rees spectaculair uit zijn graf, met al zijn traditionele tekortkomingen. De ideeën van Den Uyl, Crosland, Galbraith en veel anderen in de jaren vijftig bleken een nogal utopisch karakter te hebben gehad.


Uit: Maarten! 2019-4
dinsdag 17 december 2019

Gerelateerde artikelen

Waarom rechts domineert, maar links wint

dinsdag 26 maart 2019

Waarom identiteitspolitiek niets oplost

woensdag 30 januari 2019

'Nederland heeft een nette buitenkant met een rotte achterkant'

dinsdag 24 juli 2018

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.