De vrije val van het CDA

Door Paul van der Steen

Gestart als een solide middenpartij die moeiteloos kon rekenen op regeringsdeelname, is het CDA afgegleden tot een verdeelde club die in de peilingen maar vijf zetels haalt. De christen-democraten hebben geen goede leider of een duidelijke achterban, en ontberen toekomstvisie. Het vergt inmiddels een godswonder om de partij uit haar impasse te krijgen.

Uit Maarten! 2021 – 4. Bestel het nummer hier.

‘Laat Lubbers zijn karwei afmaken,’ luidde de slogan van het CDA bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1986. Miljoenen mensen vonden dat inderdaad een prettig idee. Bij de verkiezingen werden de christen-democraten de grootste partij met 54 zetels. Eén op de drie Nederlanders – iets meer zelfs nog – stemde CDA.

Kom daar nog eens om. In de somberste opiniepeilingen van 2021 gaf nog slechts één op de dertig Nederlanders aan op het CDA te stemmen. Op de lange weg naar een nieuw kabinet deed Wopke Hoekstra nog alsof hij als politiek leider een grote achterban vertegenwoordigde, maar in sommige polls haalde zijn partij maar een karige vijf zetels. Een coalitie met PvdA en GroenLinks zou te instabiel zijn, beweerde hij met droge ogen, terwijl binnen zijn eigen partij grote innerlijke chaos heerste.

Bloedgroepen

Een mogelijke toekomst als splinterpartij was nooit voorzien door de grondleggers van de partij. Het samengaan van drie confessionele partijen was juist bedoeld om de gestage afkalving van hun macht te stoppen. Die macht was lang volkomen vanzelfsprekend. Vanaf de Eerste Wereldoorlog bevonden de confessionelen zich in het centrum van de regering en kregen ze steevast de helft of meer van de stemmen. De Katholieke Volkspartij (KVP) haalde in 1963 vijftig zetels. De gereformeerde Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de hervormde Christelijk-Historische Unie elk dertien.

Vanaf midden jaren zestig veranderden de maatschappelijke verhoudingen in Nederland snel. De kerken begonnen leeg te lopen en een deel van de kiezers raakte op drift. Rond 1967 begonnen de drie partijen voorzichtig aan elkaar te snuffelen. Dat moest bedachtzaam, omdat een deel van de achterban de toenadering helemaal niet zag zitten. Bovendien won de ARP in 1967 nog twee zetels, mede dankzij de populariteit van ‘haar’ premier Jelle Zijlstra. In de jaren zeventig leed de broze eensgezindheid onder het toetreden van KVP’ers en ARP’ers tot het kabinet-Den Uyl, waar de CHU buiten bleef.

Los daarvan speelden cultuurverschillen op. De kampen die zelfs na de fusie nog decennialang bloedgroepen zouden worden genoemd, dachten anders en spraken anders. Voor KVP’ers was ‘het koninkrijk’ Nederland met overzeese rijksdelen, ARP’ers en CHU’ers associeerden de term met het koninkrijk Gods. De meer principiëlen vreesden een samengaan vanuit machtsdenken om de electorale erosie tegen te gaan. Wat meer pragmatisch ingestelden vreesden te veel nadruk op beginselen – lastig verkoopbaar in moderne tijden.

Het CDA verliest het vertrouwen van veehouders.

Operatie

De strijd was nog niet beslecht toen de drie partijen begin 1975 onder de naam Christen-Democratisch Appèl een federatie vormden. Op het eerste CDA-congres probeerde Willem Aantjes (ARP) van de nieuwe beweging een getuigenispartij te maken. Zijn ‘Bergrede’ pleitte ervoor rechtstreeks inspiratie te putten uit de Bijbel. Een meerderheid vond de Heilige Schrift als richtsnoer wel voldoende. Bovendien vonden conservatievere christen-democraten Aantjes’ pleidooien (‘de hongerige voeden, de dorstige te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken’) te veel lijken op praatjes van de progressieve partijen.

Voor veel kiezers vormde de partij lang een veilige vluchtheuvel, een soort garantie voor gematigdheid

In 1977 gingen de ARP, CHU en KVP met één lijsttrekker de verkiezingen in, de katholiek Dries van Agt. Het kabinet met Wiegels VVD werd door een beperkt deel van de fractie, de zogenoemde loyalisten (voornamelijk ARP’ers), niet voluit gesteund. Van een echt samengaan in één partij kwam het pas eind 1980. De kernwaarden van het CDA konden toen rekenen op brede steun in de eigen gelederen: gerechtigheid, solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid en rentmeesterschap.

Veel media schreven over de fusie als een soort levensverlengende operatie: de patiënt werd met het samengaan nog even in leven gehouden. ‘Het CDA werd vergeleken met een fata morgana,’ herinnerde Piet Steenkamp, een van de architecten van de partij, zich bij de viering van het tienjarig bestaan in 1990. ‘Men sprak over de laatste opflakkering van de Middeleeuwen.’ Daar zat wel wat wensdenken bij van het vaak progressieve journaille. Die dekselse christen-democraten met hun malle leider Van Agt hadden in 1977 het tweede kabinet-Den Uyl in de weg gestaan. Maar het idee dat confessionele politiek ondanks de krachtenbundeling een aflopende zaak was, leefde breder. De PvdA-politici Joop van den Berg (later hoogleraar parlementaire geschiedenis) en Henk Molleman voorspelden dat KVP, ARP en CHU zouden ‘sterven in elkaars armen’.

Tegen de verwachtingen in helpt Balkenende het CDA in 2006 opnieuw aan de overwinning.

Paars op het pluche

Steenkamp vierde in 1990 bijna jubelend het ongelijk van alle doemdenkers: ‘Het CDA is niet meer weg te denken uit de Nederlandse politiek; het wonder van het CDA; het CDA is niet te bestrijden. Wat een verschil. Wát een verschil.’ ‘We just run this country,’ had Tweede Kamerlid Joost van Iersel kort daarvoor gezegd over zijn CDA. De anderen mochten alleen maar meedoen. Ja, enkele vertegenwoordigers van PvdA, VVD en D66 spraken af en toe in het Haagse Hotel des Indes over een coalitie zonder christen-democraten, maar de meeste politiek insiders zagen dat als nauwelijks serieus te nemen spielerei.

Maar één Tweede Kamerverkiezing na de triomfantelijke rede van Steenkamp gebeurde dat wat voor onmogelijk werd gehouden: Paars kwam op het pluche. Mede dankzij een val in de kiezersgunst. Beoogd kroonprins Elco Brinkman – met zijn robotachtige uit-straling en shuffles over het podium – kon het volk niet erg bekoren. Dat Lubbers, die Brinkman nota bene had aangewezen als opvolger, publiekelijk had aangekondigd maar eens op de nummer drie van de lijst, Ernst Hirsch Ballin, te stemmen, hielp niet. Het vooruitzicht plaats te nemen in de oppositie joeg zoveel schrik aan dat het meteen in oudtestamentische termen werd beschreven als ‘tocht door de woestijn’. Wat het allemaal nog lastiger maakte, was dat een Mozes-achtige leider ontbrak. Types als Enneüs Heerma en Jaap de Hoop Scheffer hadden niet de politieke kracht en uitstraling om Paars uit het zadel te wippen.

De figuur Lubbers was zo’n meester in wollig formuleren dat hij gemakkelijk één betoog wist te maken van de oorspronkelijke kernwaarden van het CDA en een soort nieuwe zakelijkheid. Achter de leider schaarden zich zowel vertegenwoordigers van het saneren om financieel gezond te worden, zoals minister van Financiën Onno Ruding, als meer sociaal denkende christen-democraten als Bert de Vries en kopstukken van het CNV.

KVP-politicus Norbert Schmelzer met partijgenoot Piet Steenkamp, de ‘geestelijk vader’ van het CDA.

Na 1994 leek het CDA vooral zoekende. Richting de verkiezingen van 2002 kwam het ook nog eens tot een coup van partijvoorzitter Marnix van Rij, die er uiteindelijk voor zorgde dat én politiek leider De Hoop Scheffer én de couppleger het veld moesten ruimen. De nauwelijks bekende Harry Potter-kloon Jan Peter Balkenende werd op het schild gehesen. Niemand verwachtte er veel van. Daar stond tegenover dat hij eigenlijk alleen maar kon meevallen, constateert partijkenner Pieter Gerrit Kroeger in
zijn boek Tand des tijds. Het CDA in de nieuwe eeuw. Net als Pim Fortuyn was Balkenende een professor die het anders wilde doen dan onder het uitgeregeerde Paars, maar bij veel mensen kwam hij een stuk degelijker over. Na een verkiezingsstrijd waar alles anders dan anders uitpakte en zelfs een politieke moord werd gepleegd, zag het politieke landschap er totaal nieuw uit. Wat niemand kort daarvoor had verwacht gebeurde: Balkenende kon een kabinet gaan vormen.

 

Wormen en maden

Bezuinigingen verkocht de nieuwe premier met mooie beloftes voor later: ‘Eerst het zuur, dan het zoet.’ De oude kernwaarden van het CDA verdwenen steeds vaker uit beeld of werden in elk geval onvoldoende voorzien van een nieuw jasje. In plaats daarvan kwam Balkenendes hameren op ‘normen en waarden’. Dat werkte zelfs in de eigen partijgelederen zo op de lachspieren dat geregeld spottend werd gesproken over ‘wormen en maden’. Opvolger Buma pleitte ervoor dat schoolkinderen staand het Wilhelmus zongen. Zo had hij het ook geleerd. Was hij niet bang dat het CDA het label ‘ouderwets’ zou krijgen? ‘Dat etiket maakt me niks uit. Ik denk dat heel veel van wat verloren is gegaan helemaal niet zo fout was.’ Zo lag de focus op een land van ooit, terwijl het electoraat misschien meer toekomstvisie verwachtte. Ook Buma zelf, een steile patriciër met een heel eigen gevoel voor humor (de zogenoemde ‘bumor’), was te veel een anachronisme om grote groepen kiezers aan zich te binden.

Misschien was het wel gelukt met de jonge Camiel Eurlings, maar die koos er toen hem het CDA-leiderschap werd aangeboden voor een gezin te stichten. Door een snelle relatiebreuk kwam dat er niet van. De stille hoop van sommigen dat hij nog eens zijn comeback zou maken is verdwenen na een smadelijke afgang als directeur van KLM en een schikking met justitie vanwege een mishandelingszaak. Met het aantreden van het derde kabinet-Rutte bracht het CDA wat nieuwe, jongere gezichten in. Hoekstra paste in eerste instantie voor het leiderschap. Hugo de Jonge won daarna slechts nipt van Omtzigt, oudgediende in de Tweede Kamer. De kritische nummer twee werd niet op het schild gehesen toen De Jonge het leiderschap niet kon combineren met de coronacrisis. Het moest Hoekstra worden.

 

Liever met rechts

Die loste de hoge verwachtingen niet in. De minister van Financiën bleef te veel een consultant. Dat in zijn campagneteam – voor een belangrijk deel bestaand uit mensen die uit hetzelfde hout zijn gesneden – plannen werden gesmeed voor een anti-Rutte-campagne (inclusief hints naar zijn seksleven) is tekenend. Men was drukker met het beschadigen van anderen dan met het laden van het eigen merk

Het CDA is stilaan haar positie als middenpartij verloren. Voor veel kiezers met een afkeer van al te radicale keuzes vormde de partij lang een veilige vluchtheuvel, een soort garantie voor gematigdheid. Van Agt positioneerde zich na zijn aanstelling als eerste lijsttrekker van het CDA nadrukkelijk in het politieke midden: ‘Wij buigen niet naar links en wij buigen niet naar rechts.’

Achter die woorden school toen overigens al enige voorkeur voor rechts. Alleen tussen 1989 en 1994 werd redelijk samengewerkt met de PvdA in één kabinet. Het was even een beetje op tussen het CDA en de VVD, pragmatici Lubbers (premier) en Kok (Financiën en vicepremier) vonden een werkmodus en de sociaal-democraten moesten hervormingen in de sociale zekerheid aan draagvlak helpen. Andere samenwerkingen van CDA en PvdA (het kabinet-Van Agt-Den Uyl (1981-1982) en het vierde kabinet-Balkenende (2007-2010)) verliepen uiterst stroef. Ze eindigden bovendien in een vechtscheiding.

Inmiddels lijken de christen-democraten steeds minder moeite te doen om hun voorkeur te verbergen. Regeren met de LPF bleek in 2002 een optie. Een coalitie met gedoogsteun van de PVV na een even historisch als hilarisch congres in 2010 ook. Het CDA klonk zich in de formatie van 2021 stevig vast aan de VVD. In de campagne probeerde de partij met wat stevige rechtse uitspraken ook kiezers bij PVV en FvD weg te halen. Vrij naar Van Agt: ‘Wij buigen niet naar links en wel naar rechts.’

Maar volgens kiezersonderzoek is de overloop naar de uiterste rechterflank beperkt. Dit soort profilering sneeuwde bovendien het oude christendemocratische idee van een zorgzame, pluriforme samenleving onder. Er is meer vertrouwd CDA-smoel verdwenen. Figuren als De Jonge en Hoekstra stralen meer Randstedelijk dan regiogevoel uit. De in Capelle aan den IJssel woonachtige Balkenende wist destijds wonderlijk genoeg beide werelden aan te spreken.

 

Nieuw smoel

Andere vertrouwde achterbannen neigen inmiddels naar alternatieven. In de agrarische sector waren ooit veel trouwe CDA-stemmers te vinden. Let wel: ‘waren ooit.’ De Volkskrant liet afgelopen oktober onderzoek doen naar de politieke voorkeur van veehouders. Slechts 4 procent van de ondervraagden gaf aan bij verkiezingen nog op het CDA te stemmen. Er lonkt een aantrekkelijker alternatief: 70 procent kiest voor de BoerBurgerBeweging van Caroline van der Plas, alomtegenwoordig in de media.

Zo valt er op tal van fronten concurrentie te duchten: aanhang met Europese idealen ziet Volt opkomen, wie rentmeesterschap hoog in het vaandel heeft, kan terecht bij GroenLinks of de Partij voor de Dieren. De christelijke idealen lijken consequenter te worden uitgedragen door de ChristenUnie, die door een paar kabinetsdeelnames ook politiek een factor is geworden.

Het CDA is stilaan haar positie als middenpartij verloren

Omtzigt heeft inmiddels de partij verlaten en zwaait met zijn nieuw sociaal contract: minder consultancy
en overheidsafstandelijkheid, en meer oog voor de burger. Hij laat nog boven de markt hangen of hij met een eigen beweging komt. In dat geval betekent dat nog een krachtige – misschien wel de krachtigste – mededinger naar dezelfde kiezersgunst.

Dat de voormalige spil van de Nederlandse politiek nu een splinterpartij dreigt te worden, heeft het CDA aan zichzelf te wijten. Enige afkalving van de achterban was met de voortschrijdende ontkerkelijking van de afgelopen veertig jaar onvermijdelijk. Bovendien is de ouderwetse massa-/middenpartij met 45 à 55 zetels voorgoed verleden tijd. Maar als het merk CDA op tijd was opgepoetst, de partij nieuw smoel had gekregen, had het drama niet zo groot hoeven te zijn als nu het geval lijkt. Het CDA is al te vaak te vroeg afgeschreven, maar het vergt inmiddels een godswonder om de partij uit de huidige impasse te krijgen: de combinatie van een charismatische leider en de inhoud waar het al zo lang aan ontbroken heeft.

De strijd om het lijsttrekkerschap zorgt in 2020 voor verdeeldheid binnen de partij.

 

Uit Maarten! 2021 – 4. Meer lezen? Bestel het nummer hier.

Reacties

Gerelateerde artikelen

Maarten: ‘Voorlopig wil ik de plannen uit het coalitieakkoord niet meteen afbranden’

‘De oogst van rechts is al jaren erg mager’

Maarten adviseert het kabinet: ‘Het roer moet om’

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.