Waarom we de Antillen niet op Marktplaats zetten

DOOR GERT OOSTINDIE

De Antillen zijn de laatste snippers van het Nederlandse koloniale rijk. Tussen Nederlanders en Antillianen bestaat veel wantrouwen, maar toch willen de eilanden in het koninkrijk blijven. De inwoners zijn verknocht aan de Oranjes – mede dankzij een slimme spin rond koning Willem III.

Hoe komen we eraan? En hoe komen we eraf? Het is niet fraai, maar die vragen borrelen bij veel Nederlanders op als het over de Antillen gaat. De eerste vraag stellen we omdat we onze eigen geschiedenis niet kennen. En de tweede omdat we denken dat deze ‘laatste restjes tropisch Nederland’ (aldus W.F. Hermans) ons alleen maar problemen opleveren. Dit artikel is een poging om ‘de Antillen’ en onze relatie tot de eilanden begrijpelijk te maken – met een Oranje-strik eromheen.

‘We’ kwamen in de Cariben terecht in het begin van de zeventiende eeuw. Onder leiding van de West-Indische Compagnie (WIC) vestigde de Republiek der Verenigde Nederlanden nederzettingen op veel plaatsen in de Amerika’s. Doel was de Spaanse vijand te treffen, de internationale rol in de wereldpolitiek te versterken, en veel geld te verdienen. Idealen speelden nauwelijks een rol: onze voorouders deden weinig om hun ‘superieure’ cultuur en religie in den vreemde te planten.

Anders dan met de Oost-Indische Compagnie (VOC), ging het niet goed met de WIC. De potentieel zeer belangrijke koloniën in Brazilië (1630-1654) en Noord-Amerika (1609-1667) gingen vrij snel weer verloren. De eerste WIC ging in 1674 failliet en er volgde een bescheiden doorstart met de tweede WIC. Uiteindelijk behield de Republiek der Verenigde Nederlanden in de Amerika’s alleen Suriname, de drie naastgelegen koloniën Berbice, Demerary en Essequeibo (rond 1800 door de Britten afgepakt), en de zes eilanden die later de Nederlandse Antillen gingen heten. Een van die eilanden, Sint-Maarten, wordt tot op de dag van vandaag gedeeld met Frankrijk.

De Antillen waren te klein en ongeschikt voor de plantagelandbouw waarop de grotere Cariben en ook Suriname draaiden, en die door Afrikaanse slaven werd gedragen. Curaçao en Sint-Eustatius speelden wel een belangrijke rol in het systeem, als centra van legale en illegale handel. Zo’n 130.000 Afrikanen werden als slaaf naar Curaçao vervoerd, en de meesten van hen werden doorverkocht naar omliggende Spaanse en Franse koloniën. Beide eilanden fungeerden als vrijhavens. Daar vonden Europese producenten en handelaren elkaar, die in een tijdperk van mercantilisme formeel geen zaken met elkaar mochten doen.

Curaçao had eind achttiende eeuw een kleine 12.000 inwoners, van wie de helft slaven. De andere helft was een bonte mengeling van Europeanen (protestanten uit de Republiek der Nederlanden en omgeving), Joden met een Portugese achtergrond, en vrije inwoners van (deels) Afrikaanse afkomst. Het piepkleine Sint-Eustatius telde in deze tijd bijna 8000 inwoners, van wie zo’n 5000 slaven. Grondlegger van de liberale economie Adam Smith prees in The Wealth of Nations beide ‘barren islands’ als schoolvoorbeeld van de voordelen van vrije handel.

In de negentiende eeuw was het gedaan met de profijtelijke rol van vrijhavens. Het economisch liberalisme was dominant geworden, dus vrije handel was nu ook op andere plaatsen mogelijk. Bovendien beschouwden de Amerikanen de Cariben steeds meer als hun achtertuin en domineerden zij al snel de regionale handel. Er begon een lange periode waarin Nederland de koloniën zag als nutteloze lastposten. Op enkele korte periodes na moest er altijd geld bij, en dat was precies niet de bedoeling. Dus werd regelmatig het idee geopperd om de eilanden van de hand te doen aan de hoogste bieder. Alleen meldde die zich nooit.

Slavernij

En de eilanden, wat vonden die van de relatie met Nederland? De blanke elites hadden geen innige relatie met het moederland, en het armere deel van de vrije bevolking nog minder. Nieuwkomers uit Nederland stelden steeds weer vast dat zij erg verschilden van hun overzeese ‘landgenoten’.

 

Vanaf de negentiende eeuw zag Nederland de koloniën als nutteloze lastposten

 

Dat begon al met de taal. Op de Benedenwindse Eilanden (Aruba, Bonaire en Curaçao) werd in de achttiende eeuw de voertaal het Papiaments, een creoolse taal met Afrikaanse en Spaans-Portugese elementen. Op de Bovenwindse Eilanden werd vooral een Caribische variant van het Engels gesproken.

De bewoners van de eilanden zagen Nederland voornamelijk als de zetel van de WIC, soms nuttig, soms lastig, vooral ver weg. En het grootste deel van de bewoners had tot 1863 helemaal niets te vinden of te willen. Zij waren slaaf en vrijwel rechteloos. Er zijn allerlei gevallen bekend van individueel en collectief verzet tegen de slavernij, waaronder een massale en met gruwelijk geweld bestrafte slavenopstand op Curaçao in 1795. Maar uiteindelijk zou pas de ‘Emancipatie’ van 1863 enige vrijheid brengen – maar geen welvaart, geen gelijkheid.

De herinnering aan deze periode zou zwaar blijven wegen, tot op de dag van vandaag. Onverwerkt verleden, verontwaardiging, wrok en schaamte, die dit jaar weer goed zichtbaar zijn bij de herdenking van het 150-jarig jubileum van de afschaffing van de slavernij.

Nederlands bloed

Op de dag dat de slavernij werd afgeschaft in Suriname en de Antillen, op 1 juli 1863, werd een mooi staaltje cultuurpolitiek getoond, dat we vandaag de dag zouden rangschikken onder de categorie van spin politics. Voor het paleis van de gouverneurs in Willemstad en Paramaribo zongen zojuist tot vrije burgers bestempelde voormalige slaven in het Papiaments en in het Sranantongo een danklied aan koning Willem III. Zij beloofden gehoorzaam, arbeidzaam en godvruchtig gebruik te zullen maken van het geschenk van de vrijheid.

De melodie van de dankliederen was ontleend aan het toenmalige Nederlandse volkslied ‘Wien Neêrlandsch bloed in de aders vloeit’. Die keuze verraadt centrale regie vanuit Den Haag, en roept veel vragen op. Was de verwijzing naar het Nederlandse bloed een cynische grap of juist een uitnodiging tot gedeeld burgerschap, in de (verre) toekomst? We kunnen van alles vermoeden, maar we weten het niet.

We weten wel dat de geëerde koning Willem III het danklied niet had verdiend. En zijn nakomelingen die nu leven, zijn daar ook van doordrongen, zo blijkt uit hun publiekelijke spijtbetuigingen over de slavernij. Evenmin als zijn voorgangers had Willem III zich bekommerd om het welzijn van de slaven in de West-Indische koloniën, en overigens ook niet om dat van zijn onderdanen in Nederlands-Indië. Ter ondersteuning van de ‘Emancipatie’ van de West-Indische slaven had de koning, tot hij de pen ter hand nam om het Koninklijk Besluit te tekenen, geen vinger uitgestoken.

 

Net vrijgelaten slaven zongen een danklied aan koning Willem III

 

Maar zoals het gaat met een invented tradition, zorgvuldig in stand gehouden door de koloniale autoriteiten, de kerken en het onderwijs, begon het idee stevig te wortelen dat de ex-slaven hun vrijheid juist aan de Oranjes te danken hadden. Dat voedde een Oranje-liefde, die vooral in de decennia na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke factor zou worden.

Neokoloniaal

Na de oorlog worstelde Nederland met het afscheid van ‘Indië’, dat ons als Indonesië de rug toekeerde. De archipel was na de Napoleontische tijd een enorme bron geworden van inkomsten, economische ontwikkeling en internationaal prestige. En dus had Nederland grote moeite om Indië los te laten. Dat leidde tot een debacle dat politiek Den Haag niet wilde herhalen. Rond de Antillen en Suriname wilde Nederland internationaal wél een goede beurt maken.

Zo werden de Caribische eilanden gedekoloniseerd tot autonome landen binnen het koninkrijk, met een democratisch stelsel. Het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden (1954) bepaalde dat er drie autonome landen waren binnen het rijk: Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Een beperkt aantal taken – internationale betrekkingen, defensie en de waarborging van deugdelijk bestuur – kwam te liggen bij de koninkrijksregering.

 

De Antillen hebben zich uitdrukkelijk en consistent uitgesproken tegen onafhankelijkheid

 

Volgens sommigen was daarmee de dekolonisatie naar bevrediging afgerond, maar critici vonden dat Nederland domineerde, en dat de eilanden nog steeds een (neo)koloniale status hadden. Feit is dat zowel de Nederlandse Antillen als geheel als de afzonderlijke eilanden zich consistent en uitdrukkelijk hebben uitgesproken tegen staatkundige onafhankelijkheid.
Rond 1970 stuurde Den Haag – Kamerbreed – aan op een afscheid van de Antillen en Suriname. Daarbij werden op zich redelijke historische en geopolitieke argumenten ingezet: op kolonialisme moest toch dekolonisatie volgen? En hoorden de Caribische landen niet thuis in hun eigen omgeving?

Maar feitelijk ging het vooral om Nederlands eigenbelang. ‘De West’ had geen economisch of geopolitiek nut meer voor het moederland. En Nederland zat niet meer te wachten op verantwoordelijkheden en kosten overzee. Het wilde niet neokoloniaal lijken en was vooral beducht voor het open migratiekanaal van de Cariben naar Nederland.

Onmacht

Uiteindelijk lukte het om Suriname in 1975 naar de onafhankelijkheid te loodsen, in een staatkundig weinig verheffend proces. Maar de Antillen weigerden te volgen. En uiteindelijk kozen ze voor een directe relatie tot Nederland, los van elkaar. Op 10 oktober 2010 (10-10-10) werden de Nederlandse Antillen als land ontmanteld. Den Haag had gestreefd naar de onafhankelijkheid van de zes eilanden samen, maar nu kreeg het precies het tegenovergestelde – een sprekende illustratie van (post)koloniale onmacht.

Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat nu uit vier landen (naast Nederland zijn dat Aruba, Curaçao en Sint-Maarten). Bonaire, Sint-Eustatius en Saba zijn ‘openbare lichamen’, een soort gemeentes van Nederland. Inmiddels woont een derde van de omstreeks 450.000 Antillianen in Nederland, en zelfs bijna de helft van de Curaçaose gemeenschap. En Nederland zag zich gedwongen maar liefst 1,7 miljard euro te investeren in een onvermijdelijke sanering van de Antilliaanse overheidsfinanciën. Daar kreeg het meer zeggenschap in het eilandelijk bestuur voor terug, en dat roept onvermijdelijk spanningen en heftige verwijten van ‘rekolonisatie’ op.

Zo kwamen ‘we’ dus aan de Antillen, en daarom komen ‘we’ er niet af: het Statuut en de internationale rechtsorde staan een eenzijdig opgelegd afscheid niet toe, en de Antilliaanse bevolking wijst het ‘geschenk’ van de onafhankelijkheid zeer beslist af. Dat is niet gek, en het zal ook nog lang zo blijven. Dat roept de vraag op wat we aan elkaar hebben en of we over en weer ook iets moois voor elkaar voelen.

Het ‘Koninkrijksgevoel’ aan Nederlandse zijde is – het moet gezegd – niet sterk. Al decennialang wijzen opiniepolls en andere onderzoeken uit dat de gemiddelde Nederlander alle steun zou geven aan een definitief afscheid. En hij vraagt zich enigszins verontwaardigd af waarom ‘we’ niet eenzijdig de deur in het slot gooien. Haagse politici weten wel beter. Als ze eenmaal zijn ingevoerd in de problematiek van het ‘Antillen-dossier’ krijgen ze vrijwel altijd begrip voor de overzeese standpunten en gesprekspartners.

Welvarend

En andersom? De redenen waarom vrijwel alle Antillianen blijven vasthouden aan dat koninkrijk zijn voornamelijk pragmatisch. Het is een verhaal dat niet alleen opgaat voor de Antillen. De confetti of empire, de kleinschalige overblijfselen van het kolonialisme die niet zelfstandig zijn geworden, hebben een aantal kenmerken gemeen. Door welke mogendheid ze ook werden gekoloniseerd en waar ze ook liggen, ze zijn welvarender dan de landen die wel zelfstandig werden. En hun democratie en burgerrechten zijn beter beschermd, net als hun territoriale integriteit. Bovendien hebben de bewoners het burgerschap van hun voormalige moederland, en daarmee het recht zich daar te vestigen.

Daar staat tegenover dat ze nog altijd ondergeschikt zijn aan de kolonisator van weleer, met alle ideologische en culturele problemen van dien. Wat moet zwaarder wegen? Dat is, zeggen ook de Verenigde Naties, primair een vraag voor deze voormalige koloniën zelf. Onafhankelijkheid mag hun niet worden onthouden, maar ook niet worden opgelegd.
Vrijwel nergens in deze restjes van de koloniale rijken bestaat een sterke onafhankelijkheidsbeweging. Men ziet de praktische voordelen – en tegelijkertijd is de culturele ambivalentie groot. De Antilliaanse zorgen over ‘rekolonisatie’ moeten in deze context worden begrepen.

In de late jaren negentig deed ik samen met Antilliaanse collega’s een grootschalig onderzoek naar de mening van Antillianen over het koninkrijk. Daaruit bleek hun pragmatische houding, maar ook een geringe culturele verbondenheid met alles wat Nederlands was (behalve, mogen we aannemen, met de Antilliaanse gemeenschap in Nederland). Veel ondervraagden vonden dat Nederlanders geen begrip en respect hadden voor de Antilliaanse cultuur. En het is niet erg waarschijnlijk dat dit de afgelopen vijftien jaar heel anders is geworden.

Antillianen zijn in de regel ook niet erg dol op Nederlandse politici. Zeker niet als die van de eilanden af willen, of als ze roepen dat alles op de eilanden anders moet. Bij Antillianen overheerst het gevoel dat Nederlandse bestuurders de eilanden voornamelijk als een kostenpost beschouwen, bevolkt door lastige, slecht verstaanbare ‘rijksgenoten’ die hun Nederlanderschap voornamelijk beschouwen als een verzekeringspolis.

En dat is begrijpelijk, gezien de altijd kritische uitlatingen en sporadische dreigementen om de eilanden de onafhankelijkheid ‘per aangetekende post op te sturen’, zoals PvdA-Kamerlid Franssen in 1972 zei, dan wel hen ‘op Marktplaats.nl aan te bieden’, zoals PVV’er Hero Brinkman voorstelde.

Maar op één punt voelen de Antillianen wel een duidelijke band met het koninkrijk. Ze zijn verknocht aan de Oranjes. Eind jaren negentig meende 56 procent van de inwoners van Curaçao ‘dat Antillianen van de koningin houden’. En op de andere eilanden lag dat percentage nog hoger: van 62 op Bonaire en Sint-Maarten tot 90 procent op Sint-Eustatius.

Ironie

Het Antilliaanse engagement met het koningshuis gaat deels terug op de spin rond Willem III en de Emancipatie. En sindsdien hebben koninklijke bezoeken aan de Antillen steevast prachtige plaatjes opgeleverd. Zelden was er een wanklank te horen, zelfs niet in tijden dat de onvrede over de ‘rekolonisatie’ zeer hoog opliep.
De Antillianen vermoeden terecht dat het koningshuis een hechtere band heeft met de eilanden, en meer ‘houdt’ van de Antillianen dan de gemiddelde Nederlandse politicus of burger. En dat weegt zwaar.

In het verdeelde koninkrijk is het koningshuis een symbool van lotsverbondenheid geworden en belichamen de Oranjes voor velen de garantie van continuïteit en de verwachting van solidariteit. Dat is ironisch, want het geslacht van Oranje-Nassau legde in voorbije eeuwen nauwelijks belangstelling aan den dag voor het welzijn van de overgrote meerderheid van de zwarte bevolkingen in de West-Indische koloniën.

De verklaring ligt dan ook in het meer recente verleden. De betrokkenheid van de naoorlogse vorsten werd en wordt op de eilanden zeer gewaardeerd, en wordt gezien als een onmisbare bescherming tegen kille, berekenende politici. Zo was het onder Juliana en Beatrix – en zo zal het onder Willem-Alexander en Máxima waarschijnlijk wel blijven.

 

 

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Gerelateerde artikelen

Sorry zeggen voor Zwarte Piet, slavernij en kolonialisme?

Twijfel als wapen

‘Nederland heeft een nette buitenkant met een rotte achterkant’

Welkom bij Maarten!

Maarten van Rossem is 's lands bekendste historicus en Amerikadeskundige. Hij is een veelgevraagd commentator op radio en tv en heeft een eigen blad: Maarten!. Verwacht diepgravende interviews, scherpe analyses en verrassende opinies.

Maak nu gratis kennis met onze journalistiek. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ruim tien jaar Maarten! gebundeld. Lees bijvoorbeeld waarom Baudet gelijk heeft als hij zegt Fortuyns erfgenaam te zijn, wat Maarten van het Nederlandse onderwijs vindt en hoe Amerika het IS-monster gecreëerd heeft.

Wilt u de beste verhalen uit Maarten! in uw mailbox ontvangen? Meld u dan aan voor onze gratis nieuwsbrief.